LitNet-archief: De Boerenopstand tegen Willem Adriaan van der Stel (1705–1707): De rol van “De Negen” Vrijboeren

  • 0

Inleiding

In de zomer van 1962 emigreerde mijn broer Gerrit naar Zuid-Afrika. Nog maar net 19 jaar oud stapte hij aan boord van het imposante emigrantenschip SS Zuiderkruis. Hij wilde niet in militaire dienst, maar wél de wijde wereld in. Zijn keuze voor Zuid-Afrika kwam niet uit de lucht vallen. Zo correspondeerde hij met de dochter van een dominee aldaar en was hij lid van de zeer behulpzame Christelijke Emigratie Centrale. Aldus kreeg hij huisvesting en banen mét studie en goede vooruitzichten. Na de Reserve Bank van Zuid-Afrika koos hij voor het vrije ondernemerschap. Hij overleed - te vroeg - in 2009.

Marius van Nieuwkerk (Foto: http://www.mariusvannieuwkerk.com)

Wat wij toen niet wisten was dat bijna 300 jaar eerder (in 1671) ene Cornelis Gerritzoon van Nieu(w)kerk hem naar Zuid-Afrika was voor gegaan. Die emigratie had ook een groot Geloof(Kerk) en Hoop(Werk) en Liefde(Contact)-gehalte, want ook hij heeft contacten met bekenden, is nauw verbonden met de kerk en kan aldaar via de VOC voldoende werk en huisvesting vinden. Sterker nog, 35 jaar na zijn aankomst wordt in juni 1706 bij het Kasteel de Goede Hoop, na het luiden van de klok, zijn naam met die van acht andere vrijburgers-cum-boeren, oftewel vrijboeren, omgeroepen. Dat gebeurt via het voorlezen van een manifest betreffende “De Negen” opstandige vrijboeren. Bovendien wordt het manifest daarna aangeplakt, in zowel Stellenbosch, Drakenstein en Tygerbergen alsmede “andere gewoonlijke plaatsen”:

De Negen worden voor de derde maal gedagvaard en gedaagd om binnen acht dagen in persoon binnen het Kasteel te verschijnen om zich te verantwoorden over hun “muitineuse lasterschriften tegen de Overheid alhier…. .” Onder die Overheid moet dan vooral worden verstaan gouverneur Willem Adriaan van der Stel, tegen wie 63 boeren via een klaagschrift in opstand zijn gekomen. De Negen gedaagden willen niet opgepakt en tot “inkeer” gebracht worden en zijn “gedwongen de wildernis in te gaan.”

*Dit artikel draag ik ter nagedachtenis op aan mijn broer Gerrit van Nieuwkerk (1943-2009) en aan zijn familie. Grote dank gaat uit naar vele contacten in Zuid-Afrika en Nederland. Een eerdere versie verscheen in GENS NOSTRA, 2017, nr.2.

De Opstand1

Midden 17de eeuw besluiten de Heren Zeventien van de VOC tot de vestiging van een strategisch gelegen sterke verversingspost op de zuidelijkste punt van Afrika: het schiereiland Kaap de Goede Hoop. Eerder heeft de VOC zich al de eilanden Sint-Helena (1633) en Mauritius (1638) toegeëigend. Zij kiezen Jan van Riebeeck als Commandeur. Hij krijgt daarmee eerherstel, omdat hij enkele jaren eerder “vanwege particuliere handel” was veroordeeld als VOC-koopman in Tonkin.

Op 5 april 1652 komt hij in Zuid-Afrika aan en na anderhalve maand zwoegen door de bemanning is het vierkante Fort de Goede Hoop gereedgekomen. Centrale functie van deze VOC-vestiging is de verschaffing van vers voedsel aan de passerende schepen van en naar Indië. Van Riebeeck acht vrijburgers nodig om daartoe het achterland te bewerken: “VOC-dienaren zullen nooit hard genoeg werken omdat zij hun salaris toch wel krijgen.” In februari 1657 verschijnen de eerste vrijburgers, die achter de Tafelberg land gaan bewerken en vee gaan houden.

De verversingspost is daarmee tevens kolonie geworden. Maar de boeren moeten wel hun producten tegen vaste en lage prijzen aan de VOC verkopen en zij mogen geen veehandel drijven met de inheemsen. De VOC heeft immers een monopolie en daaruit vloeit het monopolie van de VOC-ambtenaren voort. Maar als die daardoor de macht hebben alle handel naar willekeur te reguleren, dan kunnen zij ook die macht misbruiken. Van Riebeeck (1652-1662) is daar terughoudend in, maar dat kan niet van ál zijn opvolgers gezegd worden.

Bekend is echter van boeren dat zij zich niet álles laten gezeggen. Nog geen jaar na hun komst komen zij al in opstand tegen de beperkingen die hen worden opgelegd en zij geven dan ook Van Riebeeck onomwonden te kennen: “Wij willen géén Compagnies’ slaven wezen.” Van Riebeeck ziet wel in dat - om de juiste personen als vrijlieden voor de Kaap te werven - zij niet alleen van hun land moeten kunnen bestaan, maar ook de gelegenheid moeten hebben om welvarend te worden. Nieuwe aanverwante bedrijvigheden worden daarom vaak toegestaan, mede om de “aan de Kaap nypende voedseltekorten te verminderen.”

Simon van der Stel (Wikipedia)

Onder het bewind van gouverneurs Simon van der Stel (1679-1699) en zoon Willem Adriaan (1699-1707) wordt de ontwikkeling van de landbouwproductie en overige bedrijvigheid stevig ter hand genomen. De stad Stellenbosch - Van der Stel se Bosch – is daar één van de levendige illustraties van en wordt niet voor niets het knappe meisje onder de Zuid-Afrikaanse steden genoemd. Een eerste keerzijde van hun bewind is wél dat de opbrengsten van die nieuwe ontwikkelingen nogal eenzijdig worden verdeeld. Want hun interesse in het vergaren van fortuin is namelijk groot, zeer groot. De landgoederen Constantia van Simon en Vergelegen van Willem Adriaan zijn hier ook nu nog levendige illustraties van2.        

1: De VOC- vestiging in Zuid-Afrika

Een andere keerzijde is - en waarschijnlijk met de vorige verbonden - dat de relaties met de Vrijboeren verslechteren. Hoewel visiterende VOC- Commissarissen uit de Republiek na verloop van tijd gunstiger tegenover de vrijlieden komen te staan en begrip tonen voor de problemen waar zij mee te kampen hebben, was het duidelijk dat de Kaapse regeerders geen hoge dunk van deze vrijlieden hebben.3 Met name Willem Adriaan is weliswaar een groot liefhebber van de natuur, maar ook behept met enkele minder prettige regenteske trekken. Zijn vaak gebezigde zinspreuken mogen dat voldoende illustreren:

  • “Willen zy my leren hoe ik regeren zal?”
  • “…dat eene bedurve gemeente licht te regeren is.”
  • “Eieren in de pan [=gevangenis] dan komen er gene quade kuikens van.”

Bovendien “was zijn privaat leven zó onzedelijk, dat hij ’t voorlezen der Tien Geboden bij diensten in zijn tegenwoordigheid verbood.”

De vrijboeren hebben geen enkele politieke macht, Kaapse VOC-dienaren bezetten de belangrijkste posten. Bovendien komen de vele landerijen en vee-posten van de Compagnie in handen van de grotere ambtenaren, zogenaamd door aankoop. Zij worden aldus geduchte concurrenten van de vrijboeren. Illustratief is dat de “ambtenarenkliek” van zeven of acht personen - met inbegrip van Willem Adriaan, zijn vader Simon en zijn broer Frans - evenveel grond bezit als de helft van alle vrijboeren aan de Kaap tezamen! Bovendien worden de monopolie-touwtjes steeds strakker aangetrokken. Zo wordt in 1702 hun vergunning ingetrokken om met de Khoikhoi (Hottentotten) veehandel te drijven en dat betekent tot grote woede van de boeren het einde van hun winstgevende ruilhandel. Het klagen van de boeren blijft echter zonder gevolg en blijkt dus zaaien op een kale rots. De vlam slaat in de pan door twee nieuwe gebeurtenissen in 1705. Allereerst kopen begin dat jaar vier vleespachters de rechten voor leveringen aan het garnizoen, leveringen waarin de kliek van ambtenaren voortaan in gaan voorzien. Voorts stelt Willem Adriaan daarna de lucratieve wijnhandel veilig door aan één persoon (Johannes Phijffer) het recht te verlenen wijn te mogen verkopen. Die laatste was nota bene een veroordeeld smokkelaar en een handlanger van de gouverneur. Dat zijn de druppels die niet alleen de emmers van de vleesboeren maar ook die van de wijnboeren doen overlopen en die de boeren in elkaars armen drijven.

De vrijboeren trekken ten strijde met onder hen Henning Husing, die overigens was opgeklommen van soldaat tot de rijkste man van Kaapstad dankzij het vleesmonopolie en dus in nauwe samenwerking met de gouverneur. Datzelfde geldt voor Jacob van der Heijden, ook rijk geworden in het systeem van vóór 1702. Hun optreden was niet geheel “onbevlekt“ van eigenbelang.4 , maar voor de meeste vrijboeren op het platteland - zoals De Negen – spruit het verzet voort uit uiterste nood. In het voorjaar van 1705 besluit een geheim broederschap van vrijboeren buiten de lokale overheid om de grieven door middel van een klachtschrift aan de VOC Heren Zeventien bekend te gaan maken, eerst in Batavia en daarna in Amsterdam. Adam Tas is een andere opstandeling en “de bekwaamste ter penne”. Hij wordt aangesteld als secretaris van de broederschap. In die tijd start hij ook met zijn – beroemd geworden dagboek – dat een rijke beschrijving van het Kaapse gebeuren bevat. Hij is overigens in 1697 uit Amsterdam aangekomen en heeft als vrijburger zijn intrek genomen bij Henning Husing, zijn oom van moederszijde, voor wie hij tevens privésecretaris geweest zou zijn. Hij is “boer” geworden door zijn huwelijk in 1703 met “een rijke boerinne”, weduwe Elisabeth van Brakel (zie later).5

Maar liefst 63 boeren ondertekenen het geheime klaagschrift. Maar het blijft niet geheim voor de gouverneur. Zijn broer Adriaen is in Indië werkzaam als lid van de Raad van Nederlands-Indië. Hij seint na aankomst van het stuk in Batavia per ommegaande Willem Adriaan in. Deze laat daarop eind februari 1706 een aantal vrijboeren - waaronder Tas en Van der Heijden- oppakken en gevangenzetten, soms zonder daglicht en bezoek. Ondertussen blijft hij thuis zijn overige tegenstanders – met name De Negen – “te vuur en te zwaard” vervolgen en bestrijden, soms tot de dood erop volgt (zie later). Drie van de Negen zijn volgens Kolbe overleden in die tijd. Bovendien heeft hij onmiddellijk “met wortel en stok” (belonen en straffen) 240 handtekeningen verzameld ten behoeve van een contra-petitie. Volgens Willem Adriaan een absoluut bewijs van “zijn rechtvaardige gedrag”, dat de Heren Zeventien zeker zou overtuigen. Een en ander dient bovendien in Amsterdam toegelicht te worden door een groepje van vier “door hem gedachte niet-vijandige” ondertekenaars - de “belhamels” - waaronder Husing. Aldus geschiedt, maar hij overspeelt daarmee zijn hand.

De retourvloot vertrekt naar Amsterdam op 31 maart 1706 met dit groepje, met de contra-petitie en uiteraard ook met de petitie van de vrijboeren. Zij zijn nog niet weg of de twijfel slaat toch toe bij Willem Adriaan. Vergeefs probeert hij de retourvloot te achterhalen, maar een sterke zuidoostenwind heeft deze al te ver vooruit geblazen en dat is een ongunstig voorteken. Na vier reismaanden komt de vloot op Texel aan. Een commissie buigt zich over de stukken en hoort ook Husing c.s.. De uitkomst is dat eind oktober 1706 de Heren Zeventien hun ambtenaren op de Kaap verbieden zich nog ooit met handel of landbouw bezig te houden. Bovendien roepen zij Van der Stel en een aantal andere “dienaren” uit de kliek terug en vervangen hen. De vrijboeren worden in hun optreden gehandhaafd en de straf van de bij verstek veroordeelde “Negen” wordt niet uitgevoerd (200 rijksdaalders boete, voor vijf jaar verbannen naar Mauritus en onbevoegd verklaard om enig openbaar ambt te bekleden). De uitspraak bereikt eind februari 1707 de Kaap en wordt door een diep geraakte Van der Stel vertraagd bekend gemaakt. Na vervanging en het nodige dralen keert hij in april 1708 terug naar zijn thuisbasis in Lisse.

“De Negen” vrijboeren

Ter ere van het 300-jarig bestaan van de Hervormde gemeente Stellenbosch wordt in november 1986 teruggegaan naar het begin: “Daar was ’n klein groepie mense met huisgesinne wat al vroeg om onderwys vir hul kinders gevra het. Uit hierdie mense, 52 in getal, is die eerste gemeente gevorm”6. De gemeente krijgt een enorme impuls door de toetreding van een groep Franse Hugenoten, na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 door Lodewijk XIV. Tekenend is dat 10 jaar later alleen al in de kerkbesturen van Stellenbosch en de Kaap de helft van de Negen Vrijboeren is terug te vinden. Kennelijk behoren de Negen tot dat groepje van stabiele mensen en komen zij door Geloof, Nood en Hoop gedreven regelmatig bij elkaar. Peter Kolbe wijst in dit verband op de bijzonderheid “dat van de negen kolonisten die om hun aandeel in ’t komplot verbannen werden er drie Afrikaners waren [de eersten], drie Fransen [de gevluchte Hugenoten] en drie Hollanders [de recent aangekomenen].” Daarbij wijst hij bovendien nog op “de verdere eigenaardigheid, dat er één Afrikaner, één Fransman en één Hollander gestorven zijn gedurende de vervolging.”

Wie zijn nu precies de Negen op de lijst van justitie? Daarover geeft “Die Groot Afrikaanse Familienaamboek” van Cor Pama uit 1983, dat bijna 3000 Afrikaanse families bespreekt, de volgende nadere informatie over het jaar van aankomst, de naam volgens justitie en de afkomst:

Jaar

Naam

Afkomst

I.

De Afrikaners

 

1656

1.       Jan Elbertsz

Vader: Hendrik (Heinrich), “adelborst uit Osnabrück”

1656

2.       Claas Elbertsz

Idem  

1671

3.       Cornelis van Nieukerk

“Waarschynlik van Nykerk op die Veluwe”

Handtekening: Cornelis van Nijkercken 

II.

De Fransen

 

1688

4.       François du Toit 

Van Rijssel / Lille. Du Toit = “van die Dak”

1688

5.       Guilliam du Toit 

Idem, “Guillaume”

1688

6.       Hercules des Pre

Van Kortrijk. Du Preez = “van die Weide”

III.

De Hollanders

 

1686       

7.       Marten van Staden

Van Haarlem, “Maarten”

1698

8.       Jacobus van Brakel

Vader: Adriaan, van ’s-Hertogenbosch; 1698 overleden

1699

9.       Willem van Zeil          

Dorp in Zuid-Holland. Handtekening: Willem van Zijl

 

Vermeldenswaard is dat bij allen hun handtekening staat en dat de spelling van die naam soms afwijkt van de namenlijst van justitie. De Kaapse bevolking van Europese afkomst bestaat in 1691 voor tweederde uit “Nederlanders”, éénzesde uit Fransen, éénzevende uit Duitsers en de rest uit Zweden, Denen en Belgen.7

In de uitgave “Geslagregisters van die ou Kaapse families” geven De Villiers c.s. een zéér uitvoerig genealogisch overzicht van alle Kaapse families van toen. Daaruit blijkt duidelijk dat die families zich steeds méér zijn gaan vervlechten. Opvallend bij alle families van de “Negen” is de sterke verbondenheid met het geloof en de agrarische betrokkenheid. Gelet op het VOC-selectiebeleid van destijds verbaast dat uiteraard niet. Opvallend is voorts dat een aantal van de vier “Nederlandse” families elkaar al kende vóór de emigratie naar de Kaap - vaak weer via de kerk en werk (zie hierna). Voor een nadere genealogische blik richten wij ons daarom op deze vier families, zonder de betekenis van de anderen te onderschatten. Met name bij de familie van Nie(u)(w)kerk zullen wat meer specifieke familieachtergronden belicht worden, aangezien tot nog toe het verband tussen de familie in Nederland en die in Zuid-Afrika niet duidelijk was.

Wat dit betreft over de Fransen nog het volgende. Na de herroeping van het Edict van Nantes door Lodewijk XIV in 1685 zijn de Hugenoten persoonlijk vogelvrij en staan zij voor de keuze óf terugkeren naar de Moederkerk óf vasthouden aan hun protestantse geloofsovertuiging en emigreren. Dat laatste doen maar liefst 300.000 van hen tot 1710, waarvan er 70.000 kiezen voor de Republiek. Via VOC-beleid reizen er in 1688 alleen al 156 door naar de Kaap, voornamelijk gezinnen. Tien jaar later bedraagt dat aantal ruim 200 en uiteindelijk 270. Thans zijn er nog 40 Hugenoten-namen “in leven” in Zuid-Afrika.

Van Cornelis van Nijkercken naar Cornelis van Nie(u)kerk

De familie

Wij volgen eerst het spoor terug via de mondelinge overlevering binnen mijn Westlandse - agrarische en protestante - familie. Deze tak brengt ons begin 17de eeuw bij de familie van onder andere Willem Folkertsz. en Cornelis Folkertsz. van Nijkercken te Neerlangbroek in de provincie Utrecht, vlak onder Doorn en Leersum. Illustratief hierbij is dat, toen mijn opa Gerrit begin van de oorlog moest evacueren, hij verhuisde naar “de boer [de Geer] in Leersum”, waar hij in 1950 overleed.8 Later in de oorlog dook mijn vader daar onder. Die omgeving was binnen de familie dus bekend en vertrouwd. Een tweede kenmerk uit die overlevering betreft de familienaam in relatie tot het geloof: de Van Niekerk-tak zou vooral rooms-katholiek zijn (gebleven) en aanvankelijk met name in en rondom de stad Utrecht verkeerd hebben. Later werd dat vooral het westen van de provincie Utrecht en de provincie Zuid-Holland.9 De van Nieuwkerk-tak zou daarentegen voornamelijk protestant zijn (geworden).

2: De Kerk van Neerlangbroek (1732)

De genoemde Cornelis Folkertsz. van Nijkercken is in 1640 armmeester en in 1642-1643 diaken van de Hervormde (= Gereformeerde) Gemeente Neerlangbroek. Diaken is hij samen met ouderling Conradus (Coenraad) Borre van Amerongen, heer van Sandenburg en van Utrechtse adel. Cornelis is later ook nog vele malen ouderling en tevens schepen. Hij is van beroep zowel timmerman als pachter van landerijen onder Neerlangbroek, waarop hij onder andere boekweit verbouwt. Willem Folkertsz is óók ouderling (1668,1673) en schepen (1677) en pachter van een aantal landerijen. Zij behoren tot een familie van Nijkercken [vNK], die zeker vanaf begin 1640 ruim 100 jaar functies bekleedt in het kerk- en het openbare bestuur van Neerlangbroek [NLB] en omgeving10:

1 Aelbert Volkensz. vNK         Timmerman en schepen te Doorn, koper van “coorn op ’t veld”

2 Cornelis Folkertsz. vNK       Timmerman NLB, pachter, armmeester, schepen, diaken, ouderling

3 Gerrit Volkertsz. vNK          Timmerman NLB, pachter, kerkmeester

4 Willem Folkertsz. vNK         Pachter diverse landerijen, schepen, ouderling

5 Aert Volkertsz. vNK             Timmerman NLB, pachter, ouderling

6 Maeijchie Volkerts vNK      NLB, begraven 1688

7 Gerrichje Volkerts vNK       NLB, 3de huwelijk met Jan Gerritz. van Velpen [Vulpen], diaken

8 Rijckje Volkens vNK             Doorn, weduwe in 1692 van Jan Janz. van Velpen [Vulpen]

Enkele verbanden zijn: Aelbert wordt rond 1682 via zijn kinderen op latere leeftijd financieel gesteund door diaken Marten van Staden te Doorn, die in 1686 naar Zuid-Afrika emigreert (zie later). Cornelis zorgt via zoon Gerrit Cornelisz. en kleinzoon Cornelis Gerritz. voor de link naar Zuid-Afrika.11 Willem is de link naar het Westland.

Vader van dit gezin is Volcken Rijcksz. , nog zonder de “familienaam” Van Nijkercken. Ook hij is timmerman en pachter te Neerlangbroek. Zijn vader is Rijck Volckensz. en zijn grootvader Volcken Rijcksz. die “oudt omtrent seventich jaeren” attesteert in 1573, op verzoek van de Heer van Moersbergen. Hij zou dus omtrent 1503 geboren zijn en als “aartsvader” circa 16 generaties hebben nagelaten.

De achternaam

De achternaam verwijst naar een plaats die haar naam te danken heeft aan een “Nieuwe Kerk”.  Alleen al in Nederland zou dat ruim tien plaatsen kunnen betreffen.12 Wij beschouwen de plaats Nijkerk als hoogste kandidaat, vanwege zowel de naamgeving, als de geschiedenis en de geografie. Nijkerk ligt op 28 kilometer afstand ten noorden van Neerlangbroek en 25 van Doorn – makkelijk op loopafstand van een dag dus. De naam Nijkerk betekent Nieuwe Kerk en men gaat ervan uit dat de kerk aldaar gesticht is als dochterkerk van die van Putten, in elk geval vóór 1313. Als grensplaats van het Hertogdom Gelre en het Sticht [Utrecht] is Nijkerk regelmatig strijdtoneel van oorlogen met dito verwoestingen. Ook zijn andere regelmatige rampen de stad niet bespaard gebleven: overstromingen vanuit de Zuiderzee en hevige branden. In 1421 brandt de kerk af en bij de stadsbrand van 1540 wordt de gehele stad verwoest. Die laatste ramp zou alleen al een reden geweest kunnen zijn om die stad voor het platteland (rond Neerlangbroek) te verruilen. Nadere gegevens zijn hierover echter (nog) niet bekend.

Naast deze factoren is er ook nog een godsdienstig-politieke ontwikkeling in de 16de en 17de eeuw van belang voor de omgeving. De kerk van Neerlangbroek behoort in de middeleeuwen tot het bezit van het Utrechtse Domkapittel. Bij plakkaat van 26 augustus 1581 wordt door de Staten van Utrecht de uitoefening van de rooms-katholieke eredienst in het Sticht echter verboden en de gereformeerde leer als énige publieke kerk erkend. Maar de wereldlijke leer (met veel libertijnse regenten) zet weinig kracht achter dit “hervormingsproces”. Daarom wordt een “visitatiecommissie” ingesteld die in 1593 ook Neerlangbroek en omgeving bezoekt.13 Dertien jaar later, tijdens de eerste provinciale synode van de Utrechtse kerk in 1606, kan de toenmalige predikant van Neerlangbroek melden “dat het gehoor tamelick is ende aanwast”. Als uitvloeisel van de Synode van Dordrecht in 1619 worden de touwtjes van de nieuwe kerk strakker aangetrokken. Vanaf 1648 begint de gemeente “in ordre gebracht te worden, daer sij wel dertigh of veertigh jaren daer te voren in eenen seer jammerlicken staet was geweest.” Vanaf toen ging het duidelijk voorspoediger met de gereformeerde gemeente: waren er in 1640 nog maar achttien communicanten, tien jaar later waren het er al zestig.

Een derde ingrijpende gebeurtenis voor de regio is de geopolitieke situatie. De Republiek is in die tijd vele malen in (zee-)oorlog met Engeland en in 1672 voegen zich daar Frankrijk en de bisdommen van Münster en Keulen bij: het Rampjaar. De Fransman Lodewijk XIV blijkt niet alleen in eigen land huis te kunnen houden (zoals later onder de Hugenoten), maar óók in ons land. Dr. F.C. de Rooy tekent op dat “De Franse bezetting van juni 1672 tot november 1673 velen het leven heeft gekost. Het dorp Neerlangbroek heeft zózeer geleden dat het ruim een halve eeuw niet meer voor komt in de Restantenlijsten, wat er op duidt dat men gewoon geen restanten meer heeft!”14 Uit de notulen van de kerk blijkt bovendien dat van 31 augustus tot 5 oktober 1673 “vanwege de plunderingen der franschen geen dienst kunnen gedaen worden.” Ook worden belangrijke documenten en geld en goederen “… wegens den oorlogsgevaren in bewaringe gedaan tot Wijck [bij Duurstede].” Kennelijk was dáár de dreiging minder groot. Luc Panhuysen schrijft hierover: “Het hele platteland heeft voortdurend blootgestaan aan foeragerende en passerende compagnieën. De bruutheid van de soldaten is hier groter dan in steden.”15 De verwoestingen betekenen echter ook dat er nauwelijks directe gemeentelijke registers van het dorp uit de 17de eeuw beschikbaar zijn voor genealogisch onderzoek en dat andere -secundaire- bronnen gebruikt moeten worden.

Uit die onvolledig aanwezige boeken van de kerk valt wel op te maken dat de achternaam van de familie van Nijkercken voor het éérst in de kerk door de dienstdoende dominee genoteerd wordt in 1666, als “Anthoni Cornelisz. van Nieuwkercken” tot diaken wordt benoemd. Hij is de broer van Gerrit Cornelisz. (de vader van de “Zuid-Afrika-ganger” Cornelis Gerritsz.). Reden voor het - vertraagde - gebruik van die achternaam zou de oplopende congestie kunnen zijn van namen door de groei van de families, juist ook bij de kerkfuncties.

 Cornelis Gerritsz. Van Nijkercken16

Cornelis zet volgens Pama deze handtekening in Zuid-Afrika. Duidelijk is dat hij voluit de Hollandse familienaam gebruikt. Ook zijn zoon wordt in 1727 nog voluit Gerrit van Nieuwkerken genoemd. In de juridische stukken van de Opstand is het van Nieukerk en in het latere nageslacht van Niekerk.

Villiers en Pama vermelden dat in 1671 twee broers, Dirk en Jacob van Niekerk en een “seun” Cornelis naar de Kaap gekomen zijn als kolonisten. “Dis nie seker of Cornelis ’n seun van een van die twee broers was nie.” De twee broers keren later weer terug, maar Cornelis blijft en wordt de stamvader van de Van Niekerks in Zuid-Afrika. “Die name Dirk en Jacob kom nie voor onder die name van die kinders of kleinkinders van Cornelis nie”. Kennelijk zijn het eerder neven dan broers van Cornelis, hoewel zij als broers ook gebrouilleerd uit elkaar hebben kunnen gaan: zij gingen en Cornelis bleef - in vele opzichten dus “his own man”.

Hoe oud is Cornelis? Hij is oud en zelfstandig genoeg om eerst mee te gaan en daarna te blijven, maar nog wel ’n seun – of een jongen. Nu is een jongen in de 17de eeuw al redelijk zelfstandig: elk VOC-schip heeft een paar scheepsjongens aan boord, jongens tussen de 10 en 17 jaar oud. Michiel de Ruyter begint op zijn elfde als scheepsjongen. Nemen wij de leeftijds-range van 11 tot en met 16 voor Cornelis, dan zou hij tussen 1656 en 1660 geboren zijn. Hij trouwt in 1691 met Maria van de Westhuijsen en dan zou hij zo’n 31 á 35 jaar zijn, terwijl de gemiddelde bruidegom van die tijd zo’n 30 jaar is. Hij overlijdt in 1710, dus nog géén 60 jaar oud, hetgeen mogelijk verklaart waarom hij niet is “afgeschreven” bij de Schutterijen, zoals daar toen gebruikelijk ná het 60ste jaar.

Cornelis’ vader is Gerrit Cornelisz. van Nijkercken, vermeld vanaf 1657 te Neerlangbroek en Doorn. Vermoedelijk is hij een eerste keer getrouwd in Neerlangbroek (gegevens huwelijk onbekend), waar hij enige landerijen pacht en gebruikt. In 1662 is hij woonachtig in Doorn, waar hij vanaf 1669 wordt vermeld als getrouwd zijnde met de weduwe van Teunis Stevensz. van Leersum: Grietgen Gerritsdr. Spijcker. Gerrit van Nijkercken volgt de eerste echtgenoot van Grietgen op als waard/herbergier van het huis “De Vergulde Engel” in Doorn.17 Deze verbintenis opent letterlijk en figuurlijk het leven van deze van Nijkercken-tak naar de “wijde wereld” en in het bijzonder naar Zuid-Afrika. Zij zorgt voor heel wat relevante informatie en contacten. Net als via een emigratiecentrale in 1962 komt men zo te weten hoe over de grenzen de hazen lopen. Allereerst is de broer van Teunis in 1640 in dienst geweest van de VOC. Broer Cornelis van Grietgen woont in het Amsterdam van de VOC-hoofdzetel en is als mede-erfgenaam van Teunis nauw betrokken. Op het sociale en kerkelijke vlak zijn de verbindingen ook hecht. Teunis van Leersum laat uit zijn huwelijk met Grietgen zeven kinderen na. De oudste heet Steven en wordt geboren rond 1650. Hij trouwt in 1673 met Maria Cornelis Volkertsdr. -de zuster van zijn stiefvader Gerrit Corneliz.  en weduwe van Peter Ponsz. van Velpen. Het zesde kind is een dochter en wordt geboren rond 1660. Zij heet Aletta. Bijzonder is dat Cornelis Gerritsz. met zijn vader Gerrit Cornelisz. (haar stiefvader) bij haar familie in Doorn is komen wonen en dat zij van ongeveer dezelfde leeftijd zijn. Zij hebben mogelijk daardoor als “broer en zus” een hecht contact opgebouwd en dit ook na het vertrek van Cornelis kennelijk goed onderhouden via de “post” (die wél minstens vier maanden onderweg is). Want als begin jaren 1690 Cornelis’ eerste kind en dochter gedoopt wordt, dan noemt zij haar… Aletta! Hun tweede kind is een zoon die - minder verrassend - Gerrit wordt genoemd. Aletta blijkt ook de oogappel van anderen, want bij de doop in 1685 van zoon Wilhelmus (= Willem) van Maarten van Staden in Doorn is Aletta getuige. Deze Van Staden helpt als diaken Aelbert Volkertsz. van Nijkercken (zie hiervóór) en is in Zuid-Afrika een Opstand-kompaan van Cornelis Gerritsz.

Cornelis vestigt zich in Zuid-Afrika ten noordoosten van Kaapstad, bij Tygerbergen.18 Zijn boerderij staat bij Elsies Kraal, vlakbij het huidige Bellville en min of meer op de grens van de drie toenmalige Kaapse districten Kaap, Stellenbosch en Drakenstein. Als landdrost Joannes Starrenburg op 2 oktober 1706 met 16 à 20 soldaten op pad gaat om hem en anderen “in donkere gevangenissen te werpen” dan blijkt Cornelis “al vort na Drakenstijn”, en verder. Hij overlijdt in 1710 en wordt begraven in Tygerbergen.

3: De van Niekerk Street dwars op de Van Der Stel Street in Bellville

“Die Van Niekerks is een van die ou families, besonder talryk en verspreid oor die hele land. Vroeg reeds het verskeie families hulle in die Noord-Weste gevestig, ander het na die oostlike grens-distrikte uitgewyk en gevolglik het baie aan die Groot Trek deelgeneem.”19

Heden ten dage is Marlene van Niekerk (geboren op de boerderij - “plaas” - Tygerhoek bij Caledon) niet alleen in Zuid-Afrika, maar ook in Nederland een gevierd schrijfster.20 In de wijnboeren-bedrijfstak  houden de broers James (viticulture) en Hansie (marketing) van Niekerk met zoon Barry (winemaking) de vlag hoog, sámen met hun vrouwen Ingrid en Carol (guesthouse). Dat gebeurt op hun mooie wijnlandgoed van 105 hectare, dat tussen Stellenbosch en het dorpje Klapmuts ligt in Knorhoek (“De plaats waar de leeuwen knorren”). Het landgoed stamt uit 1694 en sinds het midden van de 19de eeuw is nu al de zesde generatie van Niekerk aan het bedrijf verbonden.21

Streekgenoot Maarten van Staden maakt óók de oversteek (1686)

 
Maarten (Marten) zet volgens Pama deze handtekening in Zuid-Afrika. Hij is rond 1636 geboren in de omgeving van Haarlem/Bloemendaal/Overveen. Hij wordt hovenier en is mogelijk verwant aan de van Staden-familie die als “Hoveniers ten Hove” niet alleen in de 17de en vroege 18de eeuw de bewoners van de buitenplaatsen in de Vechtstreek bedient, maar ook de Oranjes in binnen- en buitenland.22 Hij trouwt twee keer. Zijn eerste huwelijk is met Margaretha (Maria) Ernstdr. van Amerongen in de vroege jaren 1670. In 1675 wordt hun zoon Martinus geboren; Maria overlijdt datzelfde jaar, waarschijnlijk in haar kraambed. Maarten hertrouwt in 1677 met Catharina Willems in Werkhoven, nog geen 5 kilometer van Neerlangbroek. Zij is afkomstig uit Giessen-Nieuwkerk - bij Gorcum - en is daar geboren rond 1647. Maarten is hovenier op verschillende plaatsen: rond zijn huwelijk in Werkhoven (1675-1680) en daarna in Doorn (1680-1685) bij het “huys te Doorn”. Dat is in die tijd in bezit van Caius Laurentius Barthram, zoon van de graaf van Broeckdorff. Het huis ligt om de hoek van de kerk van Doorn waar hij - zoals vermeld - diaken is. In 1685 besluit hij met zijn gezin te emigreren naar Zuid-Afrika. Zijn zesde kind Willem is dan net geboren en met alle kinderen komen Maarten en Catharina in 1686 aan in Kaap de Goede Hoop. Het gezin groeit in het nieuwe land aan tot de volgende 9 kinderen: Martinus (1675), enig kind uit eerste huwelijk, Maria (1678), Maurits Louis (1680), Johannes (1681) (Jan), Caspara (1683), Willem (1685), gedoopt 15 maart te Doorn met als getuige Aletta van Leersum - en in Zuid-Afrika: Elisabeth (1688), Elisabet (1690) en Petronella (1692).

Martinus uit het eerste huwelijk gaat dus mee met het gezin naar de Kaap. In 1705 verklaren vader en stiefmoeder in hun testament dat hij in woord en daad zóveel betekent voor de familie, dat hij bij hun overlijden eenzelfde kindsdeel als de anderen krijgt. 

Aan Marten wordt in 1687 als boer de plaats Bloemendal in wat later het Simondiumdistrict van Drakenstein (nu Paarl) zou worden, aan hem toegekend. Een tweede plaats, Overveen (ongeveer 50 hectare), is op 28-04-1695 aan hem overgedragen. Opvallend zijn de naamkeuzen van de plaatsen, die direct naar zijn herkomst verwijzen.23 Hij wordt - eervol - diverse keren één van de heemraden van Drakenstein. In 1703 is hij ook nog eens ouderling. In 1705 volgt de Opstand, die hem op de vlucht jaagt. Er zijn geen berichten over gevangenneming, zoals bij enkele anderen van de Negen Vrijboeren, waaronder Jacobus van Brakel (hierna). Volgens de registers van Drakenstein overlijdt Marten in 1716 (rond de 80 jaar oud) en Catharina een jaar later (rond de 70 jaar oud).

Zoon Willem heeft een dochter Anna die in 1738 trouwt met Johannes van Niekerk, voor wie dit zijn tweede huwelijk is. Hij is het derde kind van Cornelis Gerritsz. Van Niekerk en Maria van der Westhuijsen, na Aletta en Gerrit; hun jongere kinderen zijn Petrus, Helena en Bernardus.

 Het trieste einde van familie Jacobus van Brakel (1707)

In het Groot Familieboek van Pama staat deze handtekening van vader Adriaan Willemsz. van Brakel. Hij is geboren in 1640 en afkomstig uit ’s-Hertogenbosch. In 1670 trouwt Adriaan in Zuid-Afrika met Sara van Rosendael (geboren circa 1650). Zij krijgen 14 kinderen, waarvan echter meer dan de helft voortijdig overlijdt. Naast Elisabeth (1674), Maria (1677) en Hermanus (1688) worden er onder andere drie Jacobussen gedoopt - respectievelijk in 1676, 1679 en 1681. Dit laatste jaar houden wij aan als het geboortejaar van “onze” Jacobus. Vader Adriaan is volgens Pama aanvankelijk veeboer, maar wordt later “suikerbierbrouer”. Hij is enkele malen ouderling van de Kaapse gemeente en “ ’n welgestelde man die onder meer ses skilderye besit het.” Zijn vrouw Sara overlijdt in 1690 en hijzelf in 1698. Zonen en dochters delen daarna in de welstand, want niet alleen Jacobus en Hermanus bezitten later landerijen maar ook zus Elisabeth blijkt een “rijke boerinne”. In 1703 trouwt zij als weduwe met Adam Tas, die volgens zijn tegenstanders met dit huwelijk “met de neus in de boter gevallen is”. Zij krijgen ook nog eens vier kinderen; op 40-jarige leeftijd (1714) ontvalt zij hem.

Voor Jacobus loopt het leven triest af, blijkens een uitvoerige beschrijving van Peter Kolbe. Na het overlijden van zijn vader trouwt hij in 1702 met Margaretha Elberts, een zus van Jan en Claas Elberts – de latere Opstand-kompanen van Jacobus. Zij is in 1686 gedoopt en dus bij haar trouwen 16 jaar, met een bruidegom van 21 jaar. In 1705 is Jacobus één van de Negen vrijboeren in opstand én op de vlucht. In opdracht van de gouverneur worden zij gezwind gezocht door landdrost Starrenburg met zijn mannen. Deze doet begin oktober 1706 verslag aan Van der Stel over een vergeefse poging           “ tegen den dagh Cornelis Nieukerk bij Elsies kraal en Jacob van Brakel bij Moddergat te knippen.” Die blijken echter “dien selfden nagt al vort na Drakenstijn”, richting Willem du Toit en Hercules des Pre en van daar uit verder naar de in het noorden gelegen Vier-en-Twintig Riviere (“wegens de vele beeken en rivieren aldus genaamt”), een onherbergzaam gebied boven het huidige Johannesburg.

Enkele maanden later is het wél raak bij Van Brakel en ook bij Des Pre. Begin februari 1707 wordt hij met Des Pre opgepakt terwijl hij “bezig was, Koorn en Tarwe voor zijn huis schoon te maken.” Misschien is het nieuws uit Amsterdam over de veroordeling (in oktober 1706) van de gouverneur en zijn entourage, met inbegrip van de landdrost, al doorgedrongen en is men minder voorzichtig geworden. Net als in Indië kent men ook hier het verschijnsel dat geruchten - op de wind gedragen -vaak sneller reizen dan de schepen.24 De officiële brief komt namelijk pas eind februari aan. Maar waarschijnlijker is dat zijn thuís speelt: zijn vrouw is “grof zwanger” en zijn zoontje van 3 jaar “dodelijk krank” aldus Kolbe. In elk geval laat de landdrost de huisraad kort en klein slaan en neemt hij de twee gevangenen mee naar de Kaap, waar zij meteen veroordeeld en gevangen gehouden worden. De vrouw van Jacobus reist hem in paniek met haar zieke zoontje achterna, maar kan niets meer voor haar man doen. Na aankomst moet het zieke kind “den laatsten tol aan de natuur betalen. De moeder had zodanigen schrik gezet, dat zij van een dood kind in de kraam quam, en zy omtrent vierentwintig uren, na dat zy verlost was, den geest gaf.”

Jacobus volgt een half jaar later zijn vrouw en kinderen (zíj is naar schatting nog maar 20 jaar en híj 25 jaar), “ ’t welk aan de Kaap als de vruchten van ’t jammerlijk woeden van den Heer Gouverneur en den Landdrost wierd aangezien.”

Berouw én vreugde bij Willem van Zijl

Blijkens het boek van Pama tekent Willem niét met de korte ei uit de Kaapse gerechtelijke stukken, maar met de lange ij. Willem is in 1668 geboren in de omgeving van Delft.25 Zijn achternaam is waarschijnlijk ontleend aan het riviertje de Zijl, een zijarm van de Oude Rijn bij Leiderdorp en stromend naar de Kagerplassen. Hij volgde een opleiding tot hovenier en kwam voor zijn werk in Amsterdam te verkeren. Daar ontmoette hij Christina van Loveren, met wie hij op 12 november 1694 in ondertrouw gaat. Hij is dan 26 jaar en katholiek; zij is 21 jaar en van oorsprong protestant. Kort na het huwelijk verhuist het echtpaar - waarschijnlijk vanwege het werk – naar het Haarlemse waar in 1695 hun eerste kind Wilhelmina geboren wordt. Hun tweede kind Albertus ziet twee jaar later in Velzen ten noorden van Haarlem het levenslicht, een gebied met veel buitenplaatsen en blekerijen. Kennelijk lokt de verdere wijde wereld toch nog meer, mede door de verhalen van Willems broer Frans, die als soldaat in dienst is van de VOC. Via hem horen zij dat passagiers naar Zuid-Afrika een vrije overtocht krijgen, op voorwaarde dat zij ten minste 15 jaar (als boer) op de Kaap verblijven. Zij vertrekken met hun twee kinderen op 22 september 1698 vanuit Texel naar de Kaap, aan boord van de Drie Croonen. Dat gaat in een vloot van zeven schepen. Dat de tocht zwaar is blijkt wel uit het feit dat maar liefst 27 opvarenden gedurende de tocht overlijden. Na bijna 4 maanden komen zij op 23 januari 1699 in Kaap de Goede Hoop aan. Willem gaat aanvankelijk aan de slag als “onderbaas tuinman” in dienst van de VOC op de plaats “Rustenburg” nabij Rondenbosch. In 1700 krijgt hij twee erven aan de Langstraat in Kaapstad. Binnen drie jaar is hij vrijburger en verwerft hij het prachtige wijnlandgoed “Vrede en Lust”, voor de helft in 1702 en later de rest. Hij gaat daarvoor wel een schuld aan. Het gezin groeit snel en telt uiteindelijk negen kinderen: Wilhelmina (1695), Albertus (1697), Johannes (1700), Hendrina (1701, jong overleden), Gideon (1703), Pieter (1706), Hester (1708), Christina (1709) en Johanna (1718). Alle vier zonen nemen deel aan de Grote Trek - mede omdat er steeds minder gronduitbreiding mogelijk is voor de landbouw - en zij worden de stamvaders van een uitgebreid Zuid-Afrikaans nageslacht. Vader Willem ontwikkelt zich tot een invloedrijk burger met vooral een nadruk op de militaire en gezagsaspecten van het leven. In 1703 wordt hij bevorderd tot luitenant, onder bevel van Captain Hercules des Pre, en in 1706 wordt hij Heemraad.

4: Wijngoed Vrede en Lust

In datzelfde jaar ondertekent Willem echter óók de petitie tegen Van der Stel. Dat brengt hem als “semi-gezagsdrager” in een moeilijk parket: loyaal met de opstandige boeren óf loyaal met het verfoeide gezag? Zoals eerder vermeld gebruikt de gouverneur “wortel en stok” om rond de 240 tegenhandtekeningen te verzamelen, die zijn beleid ondersteunen. Daaronder is zelfs die van Willem van Zijl. Komt dat door zware dreigementen, zoals bij Klaas van der Westhuijsen (zwager van Cornelis van Nieukerk) die drie maanden vastgehouden wordt met als dreiging om als banneling naar Mauritius te vertrekken óf komt dat door zware misleiding via list en bedrog: “De attestatie van de 240 burghers betreft niets anders dan dat de Heer Gouverneur een eerlijk man is, op wien men niets wist te zeggen.”  In elk geval vermeldt Kolbe dat Willem op 19 februari getuigt vóór Van der Stel en binnen de kortste keren berouw toont en zich (op 24 februari) weer solidair verklaart met de vrijboeren. En dat betekent dat hij net als de anderen van de Negen moet onderduiken om vervolging te ontlopen. Hij kiest de bush van “Vier-en-Twintig Riviere”.

Halverwege 1707 kan hij naar zijn gezin terugkeren. Hij breidt zijn bedrijven succesvol verder uit en spant zich ook in voor de gemeenschap, wat hem in 1719 de felbegeerde positie van Heemraad oplevert. Willem overlijdt in 1727.

Besluit

Met de voortijdige terugkeer van Willem Adriaen van der Stel naar Lisse eindigt de Opstand tegen hem. Vlak voor zijn vertrek spreekt hij nog met Peter Kolbe. Hij blijkt nog steeds zéér verongelijkt en gegriefd te zijn en zegt dat de opstand tegen hem “uitsluitend een boere-beweging was, uit boere-grieven voortgesproten” en “…dit hebben de boeren mij gebakken.”

Zijn eeuwigdurend lot is dat hij hen zélf tot eenheid heeft gesmeed, overduidelijk een eenheid tégen hem zelf. Zij hebben eerder meer dan minder zelfbewustzijn gekregen. Twee eeuwen later zou dat zelfbewuste ook tot uiting komen in het Britse parlement. Boris Johnson verhaalt in zijn recente boek over Winston Churchill dat deze voormalige Boerenoorlog-correspondent in zijn eerste toespraak ongewoon vóór de Boeren is: hij hoopt dat hij “zou vechten als ik een Boer was” - tegen Engeland dus.

Een ander duidelijk gevolg van de Opstand is dat de uitgeweken boeren het voorland hebben geschapen voor de latere en veel vrijere “Trekboeren”. Maar dát is geschiedenis.

Uit ons onderzoek blijkt verder dat de Europese immigranten van Zuid-Afrika nauw met elkaar optrekken en de families zich met elkaar vermengen. Daarnaast blijken de relaties met het thuisland belangrijk en blijvend. Dat komt ook tot uiting in de relaties die bijvoorbeeld de Nederlandse “thuisfamilies” vóór, tijdens en na de emigratie van hun familielid onderling blijken te hebben.

Bronvermelding figuren:

1: http://bouillabaiseworkinprogress.blogspot.nl/2013/08/ndsm-emigrantenschepen-ss-groote-beer.html
2: Kroniek van Nederland (1987)
3: Louis Philippe Serrurier 1732 (Rijksarchief Utrecht)
4: Google Maps
5: http://www.knorhoek.co.za/
6: foto: Léon van Zijl – 2013

Noten

1  Zie ook: Kroniek van Nederland, Agon (1987); Dagregister van Adam Tas (dnbl); Peter Kolbe, Naauwkeurige beschrijving van de Kaap de Goede Hoop (1727), Biodiversity Heritage Library; François Valentyn, Oud en Nieuw Oost-Indië (1724), waaronder ook Zuid-Afrika; Dr. Ad Biewenga, De Kaap de Goede Hoop, Een Nederlandse Vestigingskolonie, 1680-1730, Amsterdam (1999). Een eerdere versie van dit artikel verscheen in Gens Nostra, 2017, nr. 2.

2 Volgens dominee-reiziger François Valentyn zou Constantia vernoemd zijn “na zyn Gemaalinne, om, schoon zy te Amsterdam bleef, toen hy herwaarts vertrok, hier by te meer aan haar Ed. te gedenken.” Dit klopt overduidelijk niet. Van zijn achtergebleven vrouw was hij “vervreemd” en zij heette Johanna Jacoba. Hij nam wél haar zus Cornelia mee. Een meer plausibele vernoeming is dan ook die naar Constantia Louiza, de dochter van een hoge VOC-ambtenaar die hem het land had toegekend. Vergelegen is zo genoemd omdat het uit Kaapstad drie dagen per ossenwagen duurde om er te komen.

3 G.C. de Wet, Die vryliede en vryswartes in die Kaapse nedersetting (1657-1707), Kaapstad (1981).

4 G.J. Schutte, Kompanjie en kolonisten aan die Kaap (185-225), Kaapstad (1979)

5 Naast Tas is een andere betrokken waarnemer op locatie Peter Kolbe, die door de VOC van 1705 tot 1713 op de Kaap is gestationeerd om vanuit de Wetenschap een “Naauwkeurige beschryving van de Kaap de Goede Hoop” te geven. Daarnaast reist François Valentyn tussen 1685 en 1705 regelmatig op en neer naar Indië en laat hij zich graag door vader en zoon van der Stel op de Kaap ontvangen. Hoewel hij in zijn vijfdelige encyclopedie zelden woorden tekort komt, schrijft hij weinig over de Boerenopstand van 1705, “behalve dat het myn werk niet is.”

6 Ds. Charles Fensham in Allemaal Familie

7 Gerrit Besselaar, Zuid-Afrika in de letterkunde, Kaapstad (1914), @2009dbnl.

8 Met dank aan mijn oudste broer Jan van Nieuwkerk.

9 Dat blijkt duidelijk ook uit zowel hedendaagse persoonlijke ontmoetingen als uit het rijke genealogisch onderzoek van Theo van Niekerk; zie zijn “300 jaar Van Niekerk- Genealogie van een Rooms-Katholiek geslacht”, Paterswolde 1986. De oudste stamvader van die van Niekerk-tak is volgens hem Gerrit Dominicus van Nieukercken, geboren omstreeks 1675-1680, gehuwd te Vianen R.K. en begraven te Utrecht/ Tolsteeg als: Gerrit van Nukerk. Ir. Jos van Niekerk wees mij op de mogelijke vader van Gerrit, volgens gegevens uit Vianen: Dominicus Gerritz. van Nieuwkerk die op 26 juli 1674 trouwt met weduwe Annigje Aarts.

10 Onder grote dank mede gebaseerd op mondelinge en schriftelijke correspondentie sinds 1986 met Dr. Marcel Kemp en drs. Wouter Spies, twee tópkenners van de genealogische geschiedenis van het Kromme-Rijngebied.

11 VC 603, Marriage register Dutch Reformed Church, Cape Town, p.87: “Op 1-4-1691 zijn in de huwelijk vereenigt Cornelis Gerrit van Nieuwkerk jongman met Cornelia van der Westhuijzen jonge dochter van de Kaap de Goede Hoop.” Pama noemt als stamvader van de familie in Zuid-Afrika: Cornelis Gerritz vNK.

12 Volgens het Meertens Instituut zijn er 11 plaatsen in Nederland, verdeeld over 7 provincies, waaronder één plaats in Gelderland: het “stadje” Nijkerk. Zie ook mijn “Hollands Gouden Glorie” [ www.mariusvannieuwkerk.com] met het “verdronken dorp” Nieuwerkerk in de Haarlemmermeer (1531-1740). In België registreert het Instituut 4 plaatsen en in Duitsland “een hele lijst”.

13 Visitatie der Kerken ten plattelande in het Sticht van Utrecht. Hist. Gen. 1884.

14 Dr. F.C. de Rooy, Het geslacht De Roij alias Joncker in Neerlangbroek, De Nederlandsche Leeuw 115 (1989), nr. 4-6 (95-117).

15 Luc Panhuysen, Rampjaar 1672, Atlas (2009), p. 414.

16 Met grote dank aan Ad Biewenga en Rina [Catharina Amelia] Brink voor de waardevolle schriftelijke en mondelinge correspondentie over de Zuid-Afrikaanse familietak.

17 Volgens De Oudheidkamer Doorn zou deze herberg op de plaats hebben kunnen staan van het latere Hotel-Restaurant “PABST”. Al aan het begin van de 18de eeuw is op die plek sprake van een herberg, op het kruispunt naar Driebergen, Nykerk, Leersum en Neerlangbroek – met om de hoek het Huis Doorn waarin later de Duitse Keizer Wilhelm II woont. Twee maal per jaar komt zijn kleinzoon met familie in het hotel logeren. Die herberg van toen heeft aan de achterkant een grote stal voor de paarden en rijtuigen. Ook wordt in de achtertuin de jaarlijkse kermis gehouden. Vermeldenswaard is dat in 1654 Teunis van Leersum - de genoemde voorganger van Gerrit Cornelis als waard - nog “geld voor hoy” moet betalen aan Gerrit Volckertsz. - een aanwijzing dat daar ook toén al paarden worden verzorgd.

18 Valentyn: “ Zy worden de Tygerbergen genaamt, niet, om dat dierlyk wildgedierte zich daar onderhoud, maar na zekere donkere of bruine vlekken ….. .”

19 J.W. van Niekerk, “ Familie-geslagregister van die van Niekerk-afstammelinge van Johannes Wilhelmus van Niekerk, 1780-1863”, 1966.

20 Vertel me eens: waarmee gaan wij boeren, jij en ik?” Marlene van Niekerk; Agaat, 2006

21 Hun topmerken zijn “Knorhoek” en “Two Cubs”. Desgevraagd zegt Hansie in een wine-glossy (2015): “What you see here is what people have worked for and achieved over time. There is no huge industry behind us and we are not wealthy businessmen having a little wine farm on the side.”     

22 L. Aardoom; Christiaan Pieter, Tekenaar van het Loo, en andere van Stadens als Hoveniers ten Hove.

23 Dichtbij Haarlem liggen in die tijd bij de plaatsen Bloemendaal en Overveen mooie tuinen en bedrijvige blekerijen. Bloemendaal krijgt die naam in de 16de  eeuw via de familie Bloemendaal, die tegen de duinen in ambachtsheerlijkheid Aelbertsberg woont - naar christenprediker Adelbert- en voor de oude naam in de plaats komt. Overveen heet oorspronkelijk Tetterode of Tetrode. Letterlijk betekent Overveen “over het veengebied”, tussen de strook duinzand waarop Haarlem ligt en de duinstreek.

24 kabar angin [Johan Fabritius spreekt over de wind-maren].

25 Moustache, Pama, Villiers, Kolbe, familie (oa Leon van Zijl). Overigens bezit een familie van Zijl in de 14de eeuw een aantal steenhuizen in Langbroek: “…de grondbezitters in de ontginningsgebieden zijn in betere doen geraakt dan die op de oude kultuurgronden; vooral de nazaten van de kolonisten in Langbroek zijn welvarend geworden.”  Dr. C. Dekker, “De gebroeders Willem, Gerrit en Gijsbert van Zijl, domkanunniken te Utrecht in de tweede helft van de 14de eeuw”; Jaarboek Oud-Utrecht, 1981, blz. 61- 84.

 

Buro: NM
  • 0
Top