Doesburgs museum brengt Franse zwier en oosterse gratie bijeen

  • 0

Vanuit de Randstad is Doesburg een eindje rijden. Maar het ligt prachtig, aan de IJssel, te midden van die typisch Nederlandse uiterwaarden. Deze voormalige Hanzestad met zijn gezellige straten en pleintjes, historische gevels en interessante winkels is een uitstekende bestemming voor een dagje uit.

Doesburg telt zes musea, waaronder natuurlijk het vanouds bekende mosterdmuseum. Een bezoek aan Doesburg is dan ook pas compleet wanneer je de plaatselijke specialiteit – heerlijke zoet-kruidige mosterdsoep – geproefd hebt. Een museum dat je in deze omgeving misschien niet zo snel zou verwachten, is het Lalique Museum. Maar vergis je niet! De Achterhoek telt inmiddels vier belangrijke musea voor kunstliefhebbers: het Lalique Museum in Doesburg, Museum MORE (met twee locaties, in Gorssel en kasteel Ruurlo), Villa Mondriaan in Winterswijk en kasteel Huis Bergh in ’s-Heerenberg.

Het Lalique Museum is in 1999 in Doesburg neergestreken. Het is gevestigd in een statige oude koopmanswoning, die in 1510 voor het eerst in de annalen werd vermeld. Het museum is gedeeltelijk gewijd aan het werk van de Franse edelsmid en glaskunstenaar René Jules Lalique (1860-1945). Daarnaast is er ook altijd een tijdelijke tentoonstelling te zien. Zo kun je er tot 3 juni nog terecht voor de tentoonstelling “Jan Toorop & het animisme”.

Het Lalique Museum heeft een bijzondere grondslag, verduidelijkt conservator en curator Benjamin Janssens. Het museum komt voort uit de Société Musée Lalique Pays-Bas. “Dat genootschap was opgericht vanuit de gedachte dat depotvorming iets onzinnigs is”, vertelt Janssens, die zelf aan de wieg van de Société heeft gestaan. “Conserveren van kunstwerken kan ook op een andere manier. Je kunt voeden, maar je kunt ook opvoeden. Wij kiezen voor het laatste.” Hoewel het Lalique Museum wel een eigen basiscollectie bezit, werkt het ook met bruikleenovereenkomsten. “Dat gaat zo: de Lalique Gallery, die in het museum is gevestigd, koopt werken aan en brengt deze tegen inkoopprijs – plus natuurlijk bijkomende kosten zoals invoerrechten – onder bij adoptanten/liefhebbers in Nederland. Via de gratie van quid pro quo vragen we van de koper de belofte dat we het werk in de toekomst voor tentoonstellingen mogen lenen. Zo leidt het museum de nieuwe eigenaar op tot medeconservator. We zijn inmiddels 2000 bruikleencontracten verder, dus de collectie is behoorlijk. Het fysieke bezit van de objecten is geen doel voor ons. Het gaat om de beschikking. Voor de museumbezoeker doet het er niet toe wie de eigenaar van een bepaald object is. Dat hij het kan zíen, is het enige wat telt.”

René Lalique

Het werk van Lalique is te vinden in de grote bovenzaal van het museum. Een houten hijswiel herinnert nog aan de tijd toen het huis bewoond werd door een familie van wijnkopers. Met dat wiel werden zware wijnvaten vanaf de straat helemaal naar boven getakeld. Op zolder was de vloer aan de straatkant 23 centimeter hoger dan aan de achterkant van het huis. Daardoor rolden de vaten vanzelf naar binnen. Als de wijn gebotteld was, was het opeens een stuk makkelijker om de lege vaten weer naar voren te stoten.

Mooi uitgelicht, in stijlvolle vitrines, staan en liggen op deze zolder de juwelen, parfumflesjes, vazen en beeldjes van Lalique. Lalique gold in de jaren 1890 als een van de belangrijkste juwelenontwerpers van de art nouveau. Actrice Sarah Bernhardt behoorde tot zijn vaste clientèle. Wat zijn sieraden – in vormen die gebaseerd waren op onder meer pauwen, libellen, bloemen en slangen – zo revolutionair maakte, is dat Lalique er niet in geïnteresseerd was hoe duur of exclusief zijn materialen waren. Hem ging het om hun intrinsieke kwaliteiten, zoals kleur, luciditeit, glans en vorm. Hij schrok er niet voor terug om goud en edelstenen te combineren met goedkopere materialen, zoals halfedelstenen, hoorn, ivoor, email en glas. Het resultaat was dat de materialen veel beter tot hun recht kwamen.

Begin twintigste eeuw verlegde Lalique zijn aandacht naar glasbewerking en begon hij sierlijke flesjes te ontwerpen voor parfumeur François Coty. Daarbij speelde hij vaak met het contrast tussen doorschijnend en mat glas. Voor het eerst werden parfums in aantrekkelijke verpakkingen verkocht, tegen betaalbare prijzen, en dat gaf de gedateerde Franse parfumindustrie een welkome boost.

“Het belangrijkste is dat Lalique, voordat hij met glas begon, juwelenmaker is geweest”, zegt Benjamin Janssens. “Andere glaskunstenaars uit zijn tijd hebben die achtergrond niet. Zoveel detaillering, zoveel fijnheid van het glas kan alleen door een juwelier gerealiseerd worden. En dan was hij ook nog eens ongelooflijk veelzijdig. Lalique is, samen met parfumeur François Coty, de grondlegger van de nieuwe parfumindustrie geweest. Hij heeft architectuur gemaakt. Hij was een goed schilder. Hij was een goed ingenieur. En hij was zakelijk zeer behendig. Al die aspecten zie je zelden in één mens vertegenwoordigd.”

Jan Toorop (Foto: Willem Witsen)

Jan Toorop

De overeenkomsten tussen het werk van René Lalique en de Nederlandse schilder Jan Toorop (1858–1928), aan wie in de overige zalen van het gebouw een tijdelijke tentoonstelling is gewijd, zijn opvallend. Het was een waagstuk van het museum om nu alweer met een expositie over Toorop te komen, terwijl iedereen die er geweest is, de Toorop-tentoonstelling in het Gemeentemuseum in Den Haag uit 2016 nog helder op het netvlies heeft staan. Het museum legt zich vooral toe op één thema: de Indische wortels van Toorops werk.

Johannes Theodorus (Jan) Toorop werd geboren in Poerworedjo (nu Purworejo) op Midden-Java. Zijn vader was een Nederlandse koloniale ambtenaar, zijn moeder de dochter van een Engelse kapitein en een vrouw die vermoedelijk van gemengde afkomst is geweest. Toorop had een donkere huidskleur, en zijn exotische uiterlijk zou hem later in Nederland vele vrouwelijke bewonderaars opleveren.

Toen hij 14 jaar oud was, werd hij naar Nederland gestuurd om daar zijn schoolopleiding af te maken. Hij zou zijn ouders en Nederlands-Indië nooit meer terugzien. Zoals op de tentoonstelling in Doesburg goed te zien is, had zijn Indische jeugd een blijvende invloed op hem. In de schilderijen, litho’s, aquarellen en krijt- en potloodtekeningen die hier verzameld zijn, is de herinnering aan de weelderige natuur, lijnen van kleding, stoffen, Chinese maskers en het schaduwspel van de wajangpoppen duidelijk te herkennen. “Indië heeft heel véél voor mij beteekend”, zou Toorop in 1925 in een interview met Henri Wiessing zeggen. “Indië kan niet uit mij worden weggedacht. De grondslag van mijn werk is Oostersch.”

Merkwaardig genoeg is het juist dat “Oostersche” spel van lijnen en vormen dat nauw aansluit bij de art nouveau-vazen en -sieraden van René Lalique. Wie een litho van Toorop en een vaas van Lalique – zoals in dit museum mogelijk is – in één oogopslag ziet, snapt precies wat de tentoonstellingsmakers hebben gewild. Net als Lalique zag Toorop er ook geen bezwaar in om toegepaste kunst te maken, zoals onder meer de affiches voor “Delftsche Slaolie”, een verzekeringsmaatschappij en een “eucharistisch congres” bewijzen. En wat de twee kunstenaars nog meer verbindt, is hun veelzijdigheid. Bij elke hernieuwde kennismaking met Toorops werk sta je er weer versteld van dat hij alle technieken en stijlen van zijn tijd moeiteloos en als een van de eersten leek te beheersen. Terecht noemde Richard Roland Holst hem in zijn grafrede “de veelzijdigste kunstenaar die Holland sinds eeuwen heeft gehad”.

Waar Toorop verder lijkt te gaan dan Lalique, is de mystieke lading van zijn werk. Toorop combineerde de oosterse mystiek zoals hij die in Indië had leren kennen met westerse – Noordse en christelijke – symbolen. In zijn latere leven zou Toorop zich bekeren tot het rooms-katholicisme en die invloed is op deze tentoonstelling, met nogal wat werken uit Toorops Nijmeegse periode, voornamelijk afkomstig uit privébezit, duidelijk zichtbaar. Maar uiteindelijk is de bezieling – en dat is waarschijnlijk wat de tentoonstellingsmakers met “animisme” bedoeld hebben – overal. Niet in de laatste plaats in de ogenschijnlijk naïeve houtsneden van eenvoudige vissers uit het Zeeuwse Domburg of van zijn dochter Charley (die later in zijn voetsporen zou volgen), of in de opvallend frisse en krachtige portretten van moderne jonge vrouwen, waaronder één van de topstukken van de tentoonstelling: een portret van Tonny Dreesmann, naar aanleiding van haar verloving met Wolbert Vroom in 1926.

René Lalique en Jan Toorop: twee bijzondere kunstenaars, op integere manier samengebracht. Ze maken de reis naar het “verre”, maar verrassende Doesburg alleszins de moeite waard.

“Jan Toorop & het animisme”: t/m 3 juni 2018 in het Lalique Museum, Gasthuisstraat 1, Doesburg, Nederland. Open: dinsdag t/m zondag, 12.00-17.00 uur. Website: www.musee-lalique.nl.

Vanaf juli 2018 gaat de tentoonstelling over Marc Chagall van start.

 

Foto's: Elize Zorgman

Buro: IG
  • 0
Top