Amerikaans museum mag roofkunst uit Tweede Wereldoorlog houden

  • 0

Het nieuws kreeg in de Amerikaanse media meer aandacht dan in Nederland. Een Amerikaanse rechter heeft bepaald dat het Norton Simon Museum in Pasadena twee schilderijen van Lucas Cranach de Oude mag houden. Komt er met deze uitspraak een einde aan de juridische strijd om werken uit de zogenaamde “Goudstikker-collectie” die nu al vele tientallen jaren duurt?

De zaak was aangespannen door Marei von Saher (1945), schoondochter van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker (1897–1940). De firma Goudstikker was begin twintigste eeuw de belangrijkste kunsthandel van Nederland. Hier konden rijke kunstliefhebbers terecht voor oorspronkelijke werken van zeventiende-eeuwse schilders als Rembrandt, Ruysdael, Steen en Van Goyen. In de eerste meidagen van 1940 moet de collectie-Goudstikker het equivalent van zo’n honderd miljoen euro waard zijn geweest.

Verzameling in Duitse handen

Op 14 mei, enkele dagen nadat Nederland op 10 mei betrokken was geraakt bij de Tweede Wereldoorlog, vluchtte de joodse Goudstikker met zijn gezin op het laatste Nederlandse vrachtschip dat de haven van IJmuiden nog wist te verlaten richting Engeland. In de nacht van 15 op 16 mei zou hij echter door een ongeluk – een val in het ruim – om het leven komen.

Toen Goudstikker overleed, was het beheer van zijn nalatenschap niet goed geregeld, omdat zijn zaakgelastigde – ook een joodse man – op 10 mei was gestorven aan een hartaanval en Goudstikker geen tijd meer had gehad om een opvolger aan te wijzen. In juli 1940 kwam een groot deel van de collectie voor een fractie van de echte waarde in bezit van Hermann Göring, de tweede man van nazi-Duitsland. De werken werden opgenomen in de zogenaamde “Linzer Sammlung”, die de basis moest vormen voor het Führermuseum dat Adolf Hitler in zijn geboorteplaats, het Oostenrijkse Linz, wilde oprichten. Dit museum is er nooit gekomen.

Hermann Göring verlaat het pand van kunsthandel Goudstikker, Herengracht 458, Amsterdam (1941) / Foto: Nationaal Archief, via Wikimedia Commons

Na de oorlog kwamen de werken in het bezit van de Nederlandse overheid. Er kleefde een smet aan dergelijke kunstwerken, zogenaamd omdat ze afkomstig waren uit “vijandelijk vermogen”. In feite ging het hier echter om “roofkunst”, eigendommen van joodse mensen. Sommigen waren naar het buitenland gevlucht. Anderen waren in de concentratiekampen beland en nooit meer teruggekeerd. Veel achtergebleven bezittingen waren tijdens de oorlog door de bezetters in beslag genomen en afgevoerd naar Duitsland. Het is mogelijk dat kunstwerken met een dergelijke problematische herkomst na de oorlog in ministeries en andere overheidsgebouwen terecht zijn gekomen en zelfs in de privéverzameling van het Koninklijk Huis. Koning Willem-Alexander en koningin Maximá hebben in 2015 een schilderij waarvan aangetoond kon worden dat de joodse eigenaar het in 1942 aan de nazi’s had moeten afstaan, teruggegeven aan diens erfgenamen.

De werken uit de collectie-Goudstikker werden na de oorlog opgeslagen in een depot, vanwaar ze soms in langdurige bruikleen werden gegeven aan een museum. Een aantal kunstwerken werd verkocht, en de opbrengst belandde in de Nederlandse staatskas. Een onderzoekscommissie oordeelde in 2001 dat de afhandeling van restitutieverzoeken kort na de oorlog “legalistisch, bureaucratisch, koud en vaak zelfs ongevoelig” was geweest.

Strijd om rechtsherstel

Jacques Goudstikker tijdens een kunstveiling in november 1938 / Foto: Nationaal Archief, via Wikimedia Commons

Na de oorlog spanden Goudstikkers weduwe Dési von Saher (Von Saher was de naam van haar tweede man) en schoondochter Marei von Saher (getrouwd met de zoon van Goudstikker en Dési von Saher, Edouard) een rechtszaak tegen de Nederlandse staat aan om de Goudstikker-collectie terug te krijgen. Hun voornaamste bewijs was een notitieboekje met een zwarte leren kaft waarin de inventaris van de collectie opgetekend stond. Goudstikker had dit boekje bij zich had toen hij in mei 1940 inscheepte voor die laatste, noodlottige boottocht.

De juridische strijd van de erven-Goudstikker zou tientallen jaren duren. Pas in 2006 stemde de Nederlandse regering ermee in om 202 schilderijen aan Marei von Saher terug te geven. De rest van de collectie was verloren gegaan of door de Nederlandse overheid verkocht. De toenmalige minister van Justitie, Piet Hein Donner, bedacht een clausule waarin werd gesteld dat de teruggave gebeurde op moreel-ethische en niet zozeer op juridische gronden. Dat klonk heel nobel. Maar het was ook een middel om nieuwe claims te vermijden. Niettemin maakte dit beroep op moreel-ethische gronden het voor Von Saher makkelijker om schikkingen te treffen. Sinds 2006 hebben verschillende Duitse en Oostenrijkse musea besloten dat zij geen “roofkunst” in huis wilden hebben en schilderijen uit de Goudstikker-collectie aan Von Saher teruggegeven.

Zo niet het Norton Simon Museum in Pasadena. Dit heeft sinds 1971 twee metershoge schilderijen van Lucas Cranach de Oude in bezit. De waarde van deze Adam en Eva werd in 2007 op 24 miljoen dollar geschat. Ook deze Cranachs waren door Göring tijdens de gedwongen verkoop van de Goudstikker-collectie in juli 1940 buitgemaakt. Tegen het einde van de oorlog waren ze door de geallieerden teruggevonden en overgedragen aan de Nederlandse regering. Die heeft ze in 1966 verkocht aan George Stroganoff-Sherbatoff (1898–1976), een voormalige Russische prins die later een briljante carrière zou opbouwen in de Amerikaanse geheime dienst. Stroganoff verkocht de schilderijen in 1971 aan het Norton Simon Museum, waar ze sindsdien permanent te zien zijn.

Adam en Eva (ca. 1530) van Lucas Cranach de Oude [publiek domein], via Wikimedia Commons

Marei von Saher heeft jaren geprobeerd om ook deze schilderijen terug te krijgen. Maandag heeft een rechter in San Francisco het museum echter in het gelijk gesteld. “Het lijdt geen twijfel dat de kunstroof door de Nazi’s een morele gruweldaad was die een passend antwoord van de kant van de autoriteiten vereist”, aldus de rechter. De rechter beroept zich echter op het argument dat ze niet bij machte is om besluiten die door de Nederlandse regering zijn genomen, ongeldig te verklaren. Amerikaanse rechtbanken mengen zich liever niet in zaken die tot de buitenlandse politiek van de federale regering behoren. De rechter verwees naar drie eerdere beslissingen van de Nederlandse overheid, namelijk het besluit om de schilderijen in 1966 aan Stroganoff te verkopen, een besluit uit 1999 om Von Sahers aanspraak op de schilderijen van de hand te wijzen en ten slotte de afhandeling van de hele kwestie-Goudstikker in 2006. Dat soort officiële handelingen van een buitenlandse overheid kan een Amerikaanse rechtbank niet zomaar verwerpen.

De Norton Simon Art Foundation heeft in een verklaring de hoop uitgesproken dat er met de uitspraak van de rechter eindelijk een einde is gekomen aan deze slepende zaak en dat het publiek tot in lengte van dagen van de twee Cranachs in het museum kan genieten.

Volgens haar advocaat is Marei von Saher teleurgesteld over de uitkomst en beraadt ze zich op verdere stappen.

Buro: IG
  • 0
Top