Festival voor het Afrikaans staat open voor samenwerking

  • 0

Op zaterdag 15 oktober mocht Voertaal-correspondent Ingrid Glorie bij SASNEV in Pinelands, Zuid-Afrika, de Prestatiebeurs van de Van Ewijck-Stigting in ontvangst nemen. Glorie kreeg deze eervolle onderscheiding voor haar jarenlange inspirerende rol ter bevordering van de culturele betrekkingen tussen Nederland en Zuid-Afrika. 

De prijs werd uitgereikt door prof. dr. Wium van Zyl, bestuursvoorzitter van de Van Ewijck-Stigting, die bij deze gelegenheid ook de laudatio uitsprak. Nadat zij de prijs in ontvangst had genomen, sprak Ingrid het onderstaande dankwoord uit. Ze deed een dringende oproep aan Zuid-Afrikaanse cultuurmakelaars om betrokken te raken bij initiatieven rond het Afrikaans in de Lage Landen.

Wium van Zyl en Ingrid Glorie

Beste dames en heren, lieve vrienden, bedankt voor jullie komst. En dank aan de leden van het bestuur van de Van Ewijck-Stigting, dat deze eervolle onderscheiding aan mij heeft toegekend.

Ik wil enkele opmerkingen maken, maar voordat ik dat doe, wil ik jullie eerst een video laten zien die een goed beeld geeft van het werk dat ik, ondersteund door vrijwilligers, in Nederland en Vlaanderen doe. Het is de aftermovie van het vierde Festival voor het Afrikaans, dat ik in 2018 samen met Isabelle Vermeij van het Zuid-Afrikahuis heb georganiseerd. Deze video is gemaakt door de Zuid-Afrikaanse documentairemaker Philip du Plessis.

Inspiratie

Er zijn drie mensen die bij mijn belangstelling voor het Afrikaans en de Afrikaanse cultuur een belangrijke rol hebben gespeeld.

De eerste was Wium van Zyl.  Ik zal altijd onthouden hoe er in 1991 op de Vrije Universiteit in Amsterdam – ik zat toen als student-lid in het dagelijks bestuur van de studierichting Nederlands – een brief binnenkwam van een of andere Zuid-Afrikaan die bij ons college wilde komen geven. De culturele boycot was nog maar net voorbij en er was de nodige twijfel of de VU hier nu wel aan moest beginnen. Het laatste bezoek van een Zuid-Afrikaanse gastdocent, T.T. Cloete, had in de jaren tachtig tot veel protest geleid, en als bestuur wilden we een herhaling van dié episode voorkomen. Inmiddels zat Wium al in het vliegtuig. “Ik zal maar een glas bier met die man gaan drinken”, zei de letterkundige Dick van Halsema, op dat moment voorzitter van het bestuur. Blijkbaar is dat glas bier goed bevallen, want binnen enkele dagen kwam Wium inderdaad college bij ons geven, met een loodzware doos met boeken onder de arm.

Dat was mijn eerste kennismaking met het Afrikaans en de Afrikaanse literatuur. Wium liet ons onder meer Bart Nel, Die swerfjare van Poppie Nongena, Sewe dae by die Silbersteins en Fiela se kind lezen. Ik was gefascineerd: terwijl de recente Nederlandse literatuur uit die jaren vaak heel cerebraal en abstract was, had je hier een literatuur die echt ergens over ging: armoede, honger, grondbezit, rassenspanningen, verwerking van de geschiedenis, schuld en vergeving.

Wium was, voor zover ik weet, de eerste Afrikaanse letterkundige die na de boycot college kwam geven in Nederland; vanaf dat moment kwamen de academische contacten weer op gang. Een jaar later kwam de literatuurhistoricus John Kannemeyer een reeks gastcolleges over Afrikaanse poëzie aan de VU geven, en in 1993 nodigde Wium me uit om zes maanden stage te komen lopen aan de Universiteit van Wes-Kaapland.

Tijdens dat eerste verblijf, dat uitgroeide tot een periode van twee en een half jaar, raakte ik ook beter bevriend met John Kannemeyer. Elke wandeling of autorit met hem was een letterkundig college. Hij liet me bijvoorbeeld de huizen zien waar Jan Greshoff en Elsa Joubert gewoond hadden, en Drieankerbaai, waar Ingrid Jonker de zee in was gelopen. En voor ik het wist, reed ik door Stellenbosch op een fiets die nog aan de dichter D.J. Opperman had behoord. John stelde me ook voor aan allerlei schrijvers en uitgevers. Dat zijn contacten waarvan ik onder meer voor de Week van de Afrikaanse roman en het Festival voor het Afrikaans tot op de dag van vandaag dankbaar gebruik van maak.

Een derde belangrijke invloed die ik wil noemen, is de zangeres Amanda Strydom. Nadat ik was teruggekeerd uit Zuid-Afrika, had de Nederlandse werkelijkheid weer bezit van mij genomen, en misschien was mijn belangstelling voor het Afrikaans een beetje weggezakt. Toen Amanda in december 2010 een concert in Leiden gaf, wist ik nauwelijks wie ze was. Maar ja, het was Afrikaans, dús we gingen ernaartoe. Dat concert werd een keerpunt. Het greep me enorm aan. Ik herinner me dat ik na afloop in het midden van die besneeuwde Leidse gracht stilstond en tegen mijn vriendin Elize zei: “Wat moeten we doen? Dit kan niet zonder gevolgen blijven!” Waarop Elize bromde: “Dis koud. Kom ons stap stasie toe.”

Maar niet lang daarna kwamen inderdaad Maandblad Zuid-Afrika, de Week van de Afrikaanse roman en het Festival voor het Afrikaans op mijn pad. En in 2015 organiseerde ik samen met Karin Hougaard “Harlekijn en de Afrikaanse dagen”, een klein festival op De Paltz, het landgoed van Herman van Veen in Soest. Daar werd ook de verzamel-cd Bijvoorbeeld… gepresenteerd. Alle artiesten die aan deze cd hebben meegewerkt, hebben belangeloos een track afgestaan; omdat ook zij de banden tussen Zuid-Afrika en de Lage Landen belangrijk vonden, en omdat ze wilden dat het Afrikaans in Nederland gehóórd werd.

Op dit moment kan ik noemen dat het Zuid-Afrikahuis mij heeft gevraagd om eind 2023 weer een Festival voor het Afrikaans te organiseren, als afsluiting van hun jubileumjaar “100 jaar aan de Keizersgracht”. Als het lukt om voldoende subsidies te vinden, zal de vijfde editie van Festival voor het Afrikaans op 24, 25 en 26 november 2023 plaatsvinden in theater De Nieuwe Regentes in Den Haag. We zullen echter pas rond 1 juni 2023 weten of het kan doorgaan; tót die tijd is alles nog onder voorbehoud.

Belang

Waarom zijn culturele contacten tussen Nederland, Vlaanderen en Zuid-Afrika, en specifiek tussen het Nederlands en het Afrikaans, zo belangrijk?

Laat ik bij de Nederlanders beginnen.

Het culturele aanbod in Nederland, zeker in de grote steden, is ongelooflijk rijk en divers. Er verschijnt bijvoorbeeld heel veel vertaalde literatuur. In de jaren negentig, na de politieke omwenteling, was er even een opleving in de belangstelling voor het Afrikaans. Toen ontdekte Nederland, naast het werk van schrijvers die al bekend waren, zoals André Brink en Breyten Breytenbach, ook het werk van onder meer Etienne van Heerden, Riana Scheepers, Marita van der Vyver, Eben Venter en, wat later, Antjie Krog. De vertaalster Riet de Jong-Goossens heeft baanbrekerswerk verricht om door de jaren heen zoveel Afrikaanse boeken voor Nederlandse lezers te ontsluiten. Ná de jaren negentig, toen de Madiba Magic was uitgedoofd en er allerlei negatieve berichten uit Zuid-Afrika begonnen te komen, zakte de belangstelling voor Afrikaanse literatuur grotendeels weg. Het werk van Afrikaanse schrijvers is nu voor het Nederlandse publiek nét zo belangrijk als, maar niet méér belangrijk dan, dat van hun Zweedse, Italiaanse of IJslandse collega’s.

Tijdens de bijeenkomsten van de Week van de Afrikaanse roman heb ik gezien hoeveel indruk de kennismaking met Afrikaanse schrijvers op het Nederlandse publiek maakt. Ze worden allereerst getroffen door het Afrikaans; een vreemde taal, maar een taal die ze, als ze hun gehoor er een beetje op instellen, al snel kunnen volgen. Ze krijgen er dus een heel nieuwe taal bij! Vervolgens worden ze gegrepen door de schrijvers zelf. Zuid-Afrikanen is lekker mense, ze zijn goede verhalenvertellers en ze hebben altijd iets interessants te melden. En ten slotte worden ze gegrepen door de thema’s die mij in 1991 ook al opvielen: Afrikaanse literatuur – in elk geval het deel dat de moeite is om uit te voeren – gáát ergens over.

En wat krijgen Afrikaanse schrijvers en artiesten uit deze uitwisseling?

Laat ik vooropstellen: geen geld. Ik weet niet of Jack Parow met zijn jaarlijkse Parowfest in Tivoli in Utrecht, een extravaganza waar duizenden bezoekers op af komen, inmiddels een verdienmodel heeft gevonden. Maar over het algemeen blijft de belangstelling beperkt tot een kleine groep, een nichemarkt. De Week van de Afrikaanse roman heeft tot zo’n zes nieuwe vertalingen geleid. Maar verder kwamen de schrijvers die aan de Week deelnamen, vooral voor het avontuur. Artiesten (acteurs en muzikanten) zullen niet hetzelfde honorarium kunnen vragen als ze in Zuid-Afrika gewend zijn, want de markt voor hun werk in Nederland en Vlaanderen is kleiner; die markt moet eigenlijk nog gecreëerd worden. En met al die vliegtickets en hotelkamers zijn dit soort evenementen duur om te realiseren. Een Week of Festival kan alleen bestaan dankzij schrijvers en artiesten die het vooral leuk vinden om naar Nederland of Vlaanderen te komen en die, net als de artiesten op de Bijvoorbeeld-cd, uitwisseling tussen beide taalgebieden belangrijk vinden.

Wat we kunnen bieden, is ten eerste de kans om een tijd – een week of tien dagen – overzee door te brengen en ondergedompeld te worden in een andere cultuur.

Ten tweede is er de uitwisseling met Nederlandse en Vlaamse artiesten, schrijvers en journalisten. Dat leidt vaak tot samenwerkingsprojecten. De contacten lopen door tot ver ná het Festival of de Week.

Heel belangrijk vind ik persoonlijk ook de media-aandacht voor het Festival en de Week, niet alleen in Nederland, maar ook in Zuid-Afrika. Daarom ben ik zo blij dat Netwerk24, KykNet Fiësta, RSG, LitNet en Voertaal plek inruimen voor de Week en het Festival. Het blijkt voor Afrikaanssprekenden die zich zorgen maken over de toekomst van hun taal vaak een hart onder de riem om te merken dat hun schrijvers en artiesten in het buitenland óók erkenning krijgen. Ik ben ervan overtuigd dat deze positieve berichtgeving bijdraagt aan het behoud van het Afrikaans in al zijn variëteiten.

Oproep

Als ik van buitenaf naar het Afrikaans kijk, kan ik alleen maar bevestigen dat het Afrikaans als taal van literatuur, muziek, theater, film en debat springlevend is. De reacties van het bescheiden publiek dat we in Nederland en Vlaanderen door Week en Festival kunnen bereiken, bewijzen dat Zuid-Afrika en het Afrikaans schrijvers en artiesten van wereldklasse te bieden hebben. Voor het voortbestaan van het Afrikaans is het ook belangrijk dat de Afrikaanse cultuur internationaal gekend wordt. We leven immers steeds meer in een globale samenleving. Het is belangrijk om naar buiten te treden, kennis te nemen van wat er in de wereld gebeurt en deel te nemen aan het internationale gesprek. 

De Nederlandse literatuur en cultuur in brede zin worden door de Nederlandse overheid financieel ondersteund. Afgezien van mogelijke politieke afwegingen, begrijp ik dat de Zuid-Afrikaanse regering met elf officiële talen niet hetzelfde voor elk van die talen kan doen als wat de Nederlandse regering voor het Nederlands doet. Ik heb in de dertig jaar waarin ik nu al bij Zuid-Afrika betrokken ben, altijd vol bewondering gekeken naar trusts, bedrijven en particuliere weldoeners die deze rol uit hart voor de zaak van de regering hebben overgenomen. Zonder de financiële steun van onder meer Dagbreek Trust, Hiemstra Trust, het Jan Marais Nationale Fonds, Netwerk24 en de Van Ewijck-Stigting zouden ook de Week van de Afrikaanse roman en het Festival voor het Afrikaans niet mogelijk zijn geweest.

Helaas krijg ik, al sinds vóór de coronapandemie, signalen dat sommige Zuid-Afrikaanse fondsen hun geld in de toekomst liever alleen binnen Zuid-Afrika willen besteden, ten bate van de eigen mensen. Dat begrijp ik en dat respecteer ik. De nood is vaak zo hoog in Zuid-Afrika, niet alleen op het gebied van onderwijs en cultuur, maar zelfs als het gaat om de dagelijkse levensomstandigheden. Deze behoeften zijn belangrijker dan wat wel spottend “een feestje op Nederlandse bodem” is genoemd.

Maar tegelijk moet vastgesteld worden dat een project als het Festival voor het Afrikaans niet kán voortbestaan als de kosten alleen door Nederland en Vlaanderen gedragen moeten worden. Dat heeft dus te maken met de hoge productiekosten (vliegtickets, hotels) en het feit dat we vooralsnog in een nichemarkt opereren. Een andere factor is dat Nederlandse en Vlaamse fondsen de opdracht hebben om de Nederlandstalige cultuur te bevorderen, en niet de Afrikaanse cultuur. Hun mogelijkheden om iets voor het Afrikaans te doen, zijn dus beperkt.

Daarom is er nog steeds een investering uit Zuid-Afrika nodig om het Afrikaans in de Lage Landen – het enige taalgebied waar het Afrikaans zonder veel moeite kan worden verstaan – voet aan de grond te laten krijgen. Sinds de eerste editie van het Festival voor het Afrikaans in 2011 is de bevordering van Afrikaanse cultuur in de Lage Landen (buiten de universiteiten) in handen van vrijwilligers, goedwillende amateurs. Wat in dit stadium nodig is, is niet alleen financiële steun vanuit Zuid-Afrika, maar ook: praktische ondersteuning. Ik heb de afgelopen dagen opnieuw rondgelopen op het Woordfees in Stellenbosch en ik zie vol verbazing wat er allemaal mogelijk is.

Bij dezen doe ik dus een oproep aan Zuid-Afrikaanse feesorganiseerders om actief betrokken te raken bij het Festival voor het Afrikaans in Nederland. Let wel op: een formule die in Zuid-Afrika succesvol is, zal niet automatisch in Nederland ook aanslaan (net zoals humor binnen de ene cultuur anders werkt dan in de andere). Daarnaast ben ik altijd voorzichtig met welke Zuid-Afrikaanse partijen ik in zee ga. Ik werk in Nederland samen met grote en bekende organisaties die behoorlijk “woke” zijn. Zij hebben een reputatie te verliezen. Daarom zal ik nooit geld of hulp aannemen van Zuid-Afrikaanse organisaties waaraan die Nederlandse partners zich niet kunnen verbinden.

Er komt een woord bij me op dat ik voor het eerst hoorde bij Bonnie Horbach, een van de voormalige Nederlandse consuls-generaal in Kaapstad en oud-bestuurslid van de Van Ewijck-Stigting. Dat woord is “cocreate”. Het betekent: vanuit een lokale vraag samen, over landsgrenzen heen, werken aan oplossingen.

Hopelijk kunnen we via “co-creatie”, via internationale samenwerking, komen tot een duurzame aanpak van het Festival voor het Afrikaans en andere cultuurprojecten, zodat de Afrikaanse literatuur en cultuur eindelijk een stevige plek in het Nederlandse cultuuraanbod krijgen en er altijd gelegenheden voor Afrikaanse schrijvers en artiesten in de Lage Landen zullen zijn.

Ik dank u.

  • 0
Top