Minder dan helft Nederlanders nog traditioneel gelovig; maar wat zegt dat?

  • 0

Godsdienstwetenschappers zijn niet onder de indruk van het rapport dat gisteren door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) werd gepresenteerd. Hieruit zou blijken dat het aantal gelovigen in Nederland in 2017 voor het eerst tot onder 50% zou zijn gedaald. Natuurlijk, de kerken lopen leeg en de groep gelovigen die nog regelmatig naar de kerk gaat, vergrijst. Maar kerkbezoek is niet de enige manier om religiositeit te beleven. 

Volgens het CBS is het aantal Nederlanders dat zichzelf tot een religieuze groep rekent, in 2017 voor het eerst tot minder dan de helft van de bevolking gedaald. Terwijl dat nog 54% was in 2012 en 50% in 2016, is de teller afgelopen jaar blijven steken op 49,3%. Van de Nederlanders van 15 jaar en ouder die zichzelf nog wel religieus noemen, identificeert 24% zichzelf als rooms-katholiek, 6% als Nederlands hervormd, 6% als “PKN”, 5% als moslim, 3% als gereformeerd en 6% als “anders” (bijvoorbeeld joods, boeddhistisch of hindoestaans).

Religiositeit en kerk- of moskeebezoek gaan niet altijd hand aan hand. Ruim driekwart van de Nederlandse bevolking zegt volgens het CBS zelden of nooit een religieuze bijeenkomst bij te wonen. Het kerkbezoek is sinds 2016 met één procent gedaald, van 17% naar 16%. Deze daling komt geheel op conto van de rooms-katholieken; onder protestanten en moslims is het aantal kerkgangers stabiel gebleven. 10% van de kerkgangers geeft aan in 2017 wekelijks naar een religieuze bijeenkomst te gaan, 3% 2 of 3 keer per maand, 3% 1 keer per maand en 7% minder dan 1 keer per maand.

De mate van godsdienstigheid zoals door het CBS gemeten, lijkt verband te houden met leeftijd en opleidingsniveau. Terwijl onder 75-plussers 71% aangeeft godsdienstig te zijn en 34% regelmatig een dienst bezoekt, is dat voor jongeren tussen de 18 en 25 jaar 33% en 13%. Onder laagopgeleiden behoort 64% tot een religieuze groep en gaat 20% regelmatig naar de kerk; onder academici is dat 37% en 12%.

Wat de cijfers van het CBS problematisch maakt, is ten eerste dat het CBS een verouderde terminologie hanteert. In 2004 zijn de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden samengesmolten tot de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Niet alle protestantse gemeenten waren het hiermee eens, en zij zijn buiten de PKN gebleven. Uit een toelichting bij de statistieken van het CBS blijkt dat veel leden van PKN-kerken zich nog steeds als hervormd of gereformeerd identificeren, en niet als “PKN”. Het dagblad Trouw (22 oktober 2018) wijst erop dat deze begripsverwarring leidt tot fouten in het cijfermateriaal: volgens het CBS zou de aanhang van de PKN in de periode 2010-2017 “vrijwel stabiel” zijn gebleven, terwijl het ledental volgens de PKN zelf is gedaald van ruim twee miljoen in 2010 tot circa 1,8 miljoen – dus meer dan tweehonderdduizend minder – in 2017.

Daarbij is het goed mogelijk dat kleinere, orthodoxe en evangelische groepen zich niet thuis voelen bij de drie brede protestantse stromingen die door het CBS als optie worden gegeven, en dat zij verstopt zitten in de categorie “anders”. Terwijl de traditionele christelijke kerken leeglopen, lijkt de evangelische beweging juist steeds meer mensen aan te spreken, niet in de laatste plaats onder jongeren.

De focus op traditionele Nederlandse kerken zorgt er ook voor dat de dynamiek binnen migrantenkerken onderbelicht blijft. Ruim driekwart van de personen met een niet-westerse migratieachtergrond behoort volgens het CBS tot een religieuze groep. Van hen is 41% moslim, 15% katholiek, 5% protestant en 17% anders religieus. Van mensen met een westerse migratieachtergrond is bijna de helft religieus, vooral katholiek, of – wanneer er sprake is van een Nederlandse voorgeschiedenis – protestant.

Het belangrijkste bezwaar tegen het onderzoek van het CBS is dat het kerkgang gebruikt als maatstaf voor religiositeit. Daarmee wordt voorbijgegaan aan het groeiende aantal Nederlanders dat zichzelf wel degelijk als religieus beschouwt zonder elke zondag naar de kerk te gaan. Uit reacties op het onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat veel Nederlanders zich van de Kerk als instituut hebben afgewend vanwege de vele seksschandalen, vanwege een onverdraagzame houding tegenover homoseksualiteit of omdat de Kerk onvoldoende met zijn tijd zou meegaan.

Dat neemt niet weg dat veel Nederlanders op een minder traditionele manier wel degelijk met religiositeit bezig zijn. Ze doen dat bijvoorbeeld door elementen uit meerdere religieuze tradities met elkaar te vermengen. Ze combineren gebed en Bijbelstudie bijvoorbeeld met aan het boeddhisme ontleende praktijken als yoga en meditatie. Dit wordt “meervoudige religieuze betrokkenheid” genoemd.

Lees ook

Jarige Bijlmer maakt zich op voor kleurrijke editie The Passion

Buro: IG
  • 0
Top