Nederland houdt gemeenteraadsverkiezingen

  • 0

Vandaag, woensdag 21 maart, gaat Nederland naar de stembus voor de gemeenteraadsverkiezingen. In 335 gemeenten wordt er een nieuwe gemeenteraad gekozen.

In Nederland wordt nog met een rood potlood gestemd. (Foto: Onderwijsgek (Eigen werk) [CC BY-SA 3.0], via Wikimedia Commons

In Castricum, Den Haag en Zwolle kon er bij wijze van publiciteitsstunt vanaf middernacht al gestemd worden. Bij de bloemenzaak op het treinstation in Castricum kwamen het eerste half uur 28 mensen hun stem uitbrengen; daarna werd het stil. De meeste stemlokalen zijn geopend van 7.30 uur ’s ochtends tot 21.00 uur ’s avonds.

Enkele tientallen gemeenten doen vandaag niet mee. Zij zitten middenin een proces van gemeentelijke herindeling en zullen in november naar de stembus gaan. Dit geldt onder meer voor de gemeentes Haarlemmermeer en Groningen. In Leeuwarden zijn vorig jaar november al verkiezingen gehouden.

In totaal kunnen 12,5 miljoen kiezers hun stem uitbrengen. De belangstelling voor de lokale verkiezingen is gewoonlijk kleiner dan bij landelijke verkiezingen. Tussen 2002 en 2014 schommelde het opkomstpercentage bij de gemeenteraadsverkiezingen tussen de 54 en 59 procent. De laatste verkiezingen, in 2014, vormden een dieptepunt: toen vonden slechts 6.744.390 kiezers (54 procent) hun weg naar de stembus.

Toch wordt de rol van de gemeenteraad steeds belangrijker. Gemeenten houden zich bijvoorbeeld bezig met de bouw van extra huizen (zijn er genoeg goedkope huurwoningen voor starters en sociale minima, of is de woningmarkt in handen van gewetenloze vastgoedbedrijven?); het oplossen van verkeersknelpunten door de aanleg van nieuwe wegen, bruggen en fietspaden; groenvoorzieningen die het leven in het dorp of de stad aangenaam maken; het behoud van monumenten en historische stadsgezichten; en de hoogte van lokale heffingen (bijvoorbeeld voor het verwijderen van huisvuil). Daarnaast hebben de gemeentes er sinds 2015 een aantal taken bij gekregen op het gebied van jeugdzorg, langdurige zorg en uitvoering van de participatiewet. Ook gevoelige onderwerpen als vluchtelingenopvang en integratie vallen grotendeels onder verantwoordelijkheid van de gemeentes.

Het werk van de gemeente heeft in veel opzichten een meer directe invloed op het leven van de burgers dan de landelijke politiek. De gemeentepolitiek ráákt mensen. Aan de gemeenteraadsverkiezingen doen zowel lokale partijen mee, die zich alleen met de plaatselijke politiek bezighouden, als lokale afdelingen van de grote landelijke partijen. Voor de landelijke partijen zijn de gemeenteraadsverkiezingen belangrijk, omdat ze via de lokale politiek heel direct met de burgers in contact kunnen komen. Daarnaast zijn lokale besturen een belangrijke kweekvijver voor nieuw politiek talent. Veel Haagse politici zijn hun carrière begonnen als wethouder, ergens in den lande.

Vandaar dat de kopstukken van de landelijke partijen de afgelopen weken de straat op zijn gegaan om campagne te voeren voor hun partij. Opeens kon je premier Mark Rutte (VVD) of de partijleiders Sybrand Buma (CDA), Alexander Pechtold (D66), Lodewijk Asscher (PvdA), Lilian Marijnissen (SP), Jesse Klaver (GroenLinks), Gert-Jan Segers (ChristenUnie) of Geert Wilders (PVV) op de markt in Sneek of Sittard tegenkomen. Of deze prominenten uit de landelijke politiek echt beseffen wat er in een bepaalde gemeente speelt, is de vraag. Als een partij het in de landelijke politiek goed doet, zal het de lokale afdeling waarschijnlijk een boost geven als een van de bekende gezichten uit Den Haag langskomt. Staat de partij er landelijk niet goed voor, dan heeft dat een negatief effect op het resultaat bij de lokale verkiezingen. Flink wat afdelingen van de PvdA – die bij de landelijke verkiezingen in 2017 een vrije val beleefde, van 38 naar 9 Tweede-Kamerzetels (een verlies van 29) – hebben enkele maanden geleden laten weten dat ze onder een andere naam de verkiezingscampagne in wilden gaan, omdat ze van het predicaat ‘Partij van de Arbeid’ alleen maar last hadden.

Raadgevend referendum

Nederlanders kunnen vandaag niet alleen stemmen voor de gemeenteraad. Er wordt ook een raadgevend referendum gehouden over de zogenaamde “sleepwet”, die de veiligheidsdiensten een aanzienlijke uitbreiding van de bevoegdheden geeft. De oude wet over het verzamelen van privacygevoelige informatie is niet meer van deze tijd en moet vervangen worden, daar is iedereen het over eens. Tegenstanders vinden de nieuwe wet echter veel te ver gaan. Zij willen dat het wetsvoorstel herschreven wordt, en daarom zullen ze bij het referendum vandaag “nee” zeggen. De regeringspartijen VVD, CDA, D66 en ChristenUnie zijn ervan overtuigd dat de wet er moet komen. Uit peilingen blijkt dat het grootste deel van de Nederlandse bevolking weinig bezwaren ziet en vóór de nieuwe wet gaat stemmen. Opvallend is dat jongeren zich meer zorgen over de implicaties van de wet lijken te maken dan ouderen.

De belangrijkste vraag is wat voor consequenties het kabinet aan het referendum zou verbinden als de meerderheid van de Nederlandse kiezers tégen de nieuwe wet zou stemmen. Het gaat immers slechts om een advies, en dat betekent dat het kabinet de uitslag ervan gewoon naast zich neer zou kunnen leggen. Maar daarmee zou het een duidelijk signaal vanuit de Nederlandse bevolking negeren, en dat zou natuurlijk ook niet netjes staan.

Juist vanwege de dubieuze status van de uitslag ervan, heeft het kabinet het raadgevend referendum in februari van dit jaar afgeschaft. Het referendum over de sleepwet was toen al aangekondigd, daar kon niemand meer omheen. Een referendum kan een democratisch gekozen regering hinderen om een bepaald beleid uit te voeren. Iederéén kan, bij wijze van spreken, genoeg handtekeningen verzamelen om een referendum over een bepaald onderwerp af te dwingen. Aan de uitvoering van een referendum zijn hoge kosten verbonden.

De belangstelling voor zo’n referendum is gewoonlijk laag, zoals is gebleken uit de opkomst bij het referendum over de wenselijkheid van het voorgenomen Associatieverdrag van de Europese Unie met de Oekraïne in 2016. De totale opkomst voor dit referendum was maar 32 procent. Nét boven de 30 procent die nodig was om het referendum geldig te verklaren. Maar van die 32 procent was een meerderheid van 61 procent tégen het Associatieverdrag. Mensen die tégen waren, hadden de moeite genomen om te gaan stemmen. Mensen die vóór waren of die het niets kon schelen, waren thuisgebleven. Gezien de lage opkomst was de uitkomst van het referendum dus waarschijnlijk níet representatief voor wat alle stemgerechtigden in Nederland over deze kwestie vonden (voor zover ze er al een mening over hadden). Maar het toenmalige kabinet zat wél met een signaal vanuit de samenleving waar het op de een of andere manier gehoor aan moest geven. Uiteindelijk zou de Nederlandse regering het Associatieverdrag met Oekraïne wel steunen.

In februari heeft de Tweede Kamer dus ingestemd met de afschaffing van het raadgevend referendum. Uit polls achteraf blijkt dat een meerderheid van de Nederlandse bevolking – 59 procent – tegen de afschaffing ervan was. Vooral minister Kasja Ollongren van Binnenlandse Zaken, onder wiens verantwoordelijkheid het besluit viel, kreeg zware kritiek. Dat het afschaffen van het referendum met Ollongren geassocieerd wordt, is markant, omdat haar partij, D66, in de jaren zestig juist is opgericht om de zeggenschap van de burger binnen het Nederlandse politieke bestel te vergroten. In een aantal grote steden strijdt D66 vandaag met GroenLinks en de PVV om de verkiezingswinst. Het is mogelijk dat het besluit over het referendum D66 hierbij stemmen zal kosten.

Buro: IG
  • 0
Top