Penelope Curling: "Wie kijkt er om naar de hulpverleners?"

  • 0

Aardbevingen, een staatsgreep, revoluties. Penelope Curling heeft het als psycholoog in dienst van de Verenigde Naties allemaal meegemaakt. Nu woont ze in Den Haag. In haar uiterst boeiende memoires 3 earthquakes, 1 coup d’état and a handful of revolutions vertelt ze over de tijd dat ze voor de VN de hele wereld over vloog. En hoe ze bij haar werk geïnspireerd werd door haar jeugd in Zuid-Afrika.

U groeide in de jaren zestig en zeventig op in Port Elizabeth (nu Gqeberha) in de Oostkaap. Ondanks uw beschermde jeugd was u zich er al vroeg van bewust dat het apartheidssysteem niet deugde. Dat is uitzonderlijk: veel witte jongeren waren zich in die tijd nauwelijks bewust van het onrecht, zij kwamen niet in verzet. Kunt u uitleggen waar uw kritische houding op deze jonge leeftijd vandaan kwam?

Voor een deel had ik mijn kritische houding van mijn ouders. Zij waren tegen de apartheidspolitiek en tegen zaken als gedwongen verhuizingen en het thuislandensysteem. Vandaag de dag zouden ze misschien als conservatief beschouwd worden. Maar destijds waren ze tamelijk links. Hun houding maakte mij bewust van het menselijk lijden veroorzaakt door de apartheid.

Ten tweede was ik, toen de scholieren begonnen te demonstreren in Soweto, ongeveer even oud als zij. Ik kon me hun gevoelens en hun bezwaren goed voorstellen.

Een derde factor was de moord op Steve Biko. Dat was een nationaal schandaal; het stond in alle kranten. Maar omdat ik in de Oostkaap woonde, kwam het voor mij heel dichtbij. De medisch inspecteur in de zaak was de vader van een meisje dat ik kende. Er werd gedaan alsof het een uitzondering was. Ik zou echter al snel leren dat politieke activisten regelmatig door de politie gemarteld werden en dat er veel meer mensen in aanhouding gestorven waren.

Uw kritische houding brengt u als journalistiekstudent in Port Elizabeth (nu Gqeberha) al snel in de problemen bij het gezag. Na negen maanden in Hillbrow, Johannesburg, verlaat u Zuid-Afrika. Uiteraard zijn er Struggle-activisten die ergere vervolging meegemaakt hebben. Maar kunt u een beeld geven van de druk die er door de veiligheidspolitie op u – een jonge vrouw, afkomstig uit een keurig wit gezin – werd uitgeoefend? 

Toen ik een tiener was, ontving mijn vader telefonisch doodsbedreigingen. De aanleiding was dat hij een petitie tegen het thuislandenbeleid had ondertekend en er een foto met zijn naam erbij in de krant had gestaan.

Dus toen het mij overkwam, was ik niet verbaasd. Ik wil niet de indruk wekken dat ik een enorme politieke activist was of dat ik heel dapper was. Dat was ik niet. Er waren mensen in mijn omgeving die veel meer deden en die grotere risico’s namen dan ik. Maar ik wist dat er risico’s waren en dat zelfs de kleine dingen die ik deed niet zonder gevolgen zouden blijven.

De druk werd opgevoerd. Het was niet alsof ik er toevallig achter kwam. Ze lieten me weten dat ze me in de gaten hielden. Zo stond er, als ik post ontving, een tijdlang elke keer een stempel op de envelop dat deze brief op het postkantoor gecontroleerd was. Ik kreeg bijvoorbeeld al mijn brieven met een stempel erop dat het op het postkantoor gecontroleerd was. Het ging zelfs zo ver dat, toen ik net naar Johannesburg verhuisd was, er een politieman voor mijn deur stond met de boodschap: “We are watching you, Miss Curling.”

Ik had het gevoel dat ik klem zat. Ik overwoog om politiek meer te gaan doen, me bij het ANC aan te sluiten en deel te worden van de Struggle. Maar in Zuid-Afrika zou ik dan onmiddellijk opgepakt worden. Ik zag maar een mogelijkheid: weggaan.

Mijn vertrek kwam ook voort uit een verlangen naar vrijheid. Als blanke werd je niet gediscrimineerd, maar je had wel te maken met een overheid die alles wat je deed wilde beheersen. Ik verlangde naar een samenleving waar ik me vrij kon uitspreken en waar uitwisseling van kritische ideeën mogelijk was. Zo belandde ik in Nederland, in Amsterdam. 

Penelope Curling (foto verschaft)

Tegen het einde van het boek vertelt u over een verkeersongeluk in de jaren tachtig in Amsterdam. Het lijkt erop dat u opzettelijk werd aangereden; er waren geen remsporen en de automobilist sprak met een Afrikaans accent. We weten dat huurmoordenaars van de apartheidsregering ook in Europa actief waren. Maar dan denken we vooral aan Londen en Parijs. Kunt u een beeld geven van de lange arm van Pretoria in Nederland in de jaren tachtig?

Mijn ongeluk vond begin jaren tachtig plaats, vóór de moord op Dulcie September in Parijs in 1988. Maar in Londen hadden er al wel aanslagen op ANC-activisten plaatsgevonden, en natuurlijk ook in andere Afrikaanse landen. We wisten dat BOSS, het Suid-Afrikaanse Buro vir Staatsveiligheid, in Europa actief was en dat ze ook in Nederland activisten in de gaten hielden.

In Nederland had ik contact met het ANC en was ik actief binnen de Anti-Apartheidsbeweging Nederland (AABN). Ik denk dat het ongeluk een waarschuwing was. Mijn Nederlandse vrienden konden zich dat niet voorstellen. Maar ik werkte in die tijd als babysitter voor Conny Braam, de voorzitter van de AABN. Conny en haar mensen herkenden de hand van BOSS hierin. Zij twijfelden geen moment dat het opzet was geweest.

In Nederland studeert u psychologie. Na het einde van de apartheid keert u terug naar Zuid-Afrika. In Grahamstad (nu Makhanda) ziet u de geweldige druk waaronder de verpleegkundigen in de plattelandse klinieken moeten werken. Zo ontdekt u uw eigen niche: psychische bijstand voor hulpverleners. Was dat destijds iets nieuws? Wat heeft u gedaan om deze expertise uit te bouwen? 

Ik was eigenlijk vooral geïnteresseerd in psychologisch trauma. Dáárvoor was ik teruggegaan naar Zuid-Afrika. Maar toen ik zag hoe zwaar die verpleegkundigen het hadden, besefte ik dat ik hen eerst moest helpen omgaan met hun burn-outverschijnselen. En om hen te kunnen helpen, moest ik me eerst zelf in het onderwerp verdiepen. Gelukkig is er over stressmanagement op zich al veel bekend.

Maar vervolgens zag ik dezelfde klachten terug bij hulpverleners die in Albanië met vluchtelingen uit Kosovo werkten. Toen ik vroeg wie er eigenlijk op de hulpverleners lette, was de reactie dat men daar nooit over had nagedacht.

Daarom begon ik meer onderzoek te doen. Het was een proces van trial and error. Ik vond dat ik mijn leerproces zoveel mogelijk moest documenteren. Dus hield ik een paar enquêtes, publiceerde enkele artikelen over het onderwerp en woonde conferenties bij.

Met die twee specialismen, burn-out en traumaverwerking, belandde ik in 2003 als stresscounselor bij een van de Funds & Programs van de Verenigde Naties in New York. Toen ik bij de VN begon, was er al een kleine groep die dit soort werk deed en die een keer per jaar bij elkaar kwam om ervaringen uit te wisselen. Dat is steeds verder uitgegroeid. Helaas is door de jaren heen traumaverwerking noodgedwongen een steeds belangrijker onderdeel van het werk geworden.

De VN-medewerkers in het veld krijgen als gevolg van natuurrampen en oorlogssituaties verschrikkelijke toestanden te zien. Daarnaast leven ze, als ze op een missie zijn, zelf vaak in hachelijke omstandigheden. U noemt ook meerdere aanslagen waarbij de VN zelf het doelwit was. Wat voor impact kan dit alles hebben op de fysieke en geestelijke gezondheid van deze medewerkers?

Je ziet vooral burn-out als gevolg van de werkdruk, de hoge eisen die het werk stelt en de zware omstandigheden in het veld. Daarnaast zie je secundair of plaatsvervangend trauma, door blootstelling aan het trauma van anderen. Beide zijn verraderlijk. De veranderingen voltrekken zich langzaam, de verslechtering treedt geleidelijk in. Als mensen dat niet herkennen, er geen rekening mee houden en geen manier vinden om ermee om te gaan, kan dat met verloop van tijd schade aanrichten.

Een ander aspect is de traumatische impact van aanslagen. Die is veel verwoestender. Het ergste is niet eens dat je ziet dat mensen doodgaan of gewond raken. Maar het feit dat die aanslagen doelbewust gebeuren en dat ze gericht zijn tegen de Verenigde Naties. Dat jij en je collega’s zelf het doelwit zijn. De meeste mensen die voor de VN werken, doen dat uit de goedheid van hun hart. Ze zijn betrokken en gepassioneerd. En dan proberen mensen je te vermoorden… Dat is moeilijk te verkroppen.

Wat deed u om deze medewerkers te helpen?

Een deel van mijn werk was alleen maar luisteren: het creëren van een plek waar mensen hun verhaal kwijt konden. Bij sommige standplaatsen heb je alleen sociaal contact met je collega’s. Vaak woon je met z’n allen in hetzelfde guesthouse en soms zit het kantoor daar ook. Dan is je wereld heel klein. Als je dan ergens mee zit, is het moeilijk erover te praten met mensen met wie je dagelijks samenwerkt. Dan helpt het enorm als er even iemand van buiten komt bij wie je kunt spuien.

Toen ik begon, was ik de enige psycholoog voor een organisatie met twaalfduizend medewerkers. Ik vloog de hele wereld over in de hoop de druk een beetje te verlichten. Dat ik er altijd maar kort was, had natuurlijk ook iets onbevredigends. Inmiddels werkt de VN steeds vaker met een combinatie van iemand ter plekke én iemand die komt en gaat. Het kan ook goed zijn om iemand te hebben die meer regelmatig komt. Hoe meer ondersteuning, hoe beter.

Naast het luisteren en mensen helpen om te reflecteren, gaf ik ook trainingen, bijvoorbeeld over stressmanagement. En na traumatische of anderszins stressvolle gebeurtenissen deden we vaak verplichte check-ins. Dat betekent dat mensen verplicht waren om met je te komen praten. Daarbij hoefde het niet altijd om persoonlijke zaken te gaan. We dwongen mensen om pas op de plaats te maken en te reflecteren op hun situatie. We hebben het zó druk en we worden zó in beslag genomen door ons werk, dat we vaak niet de tijd nemen om te kijken hoe het met óns gaat. Of je het nu over burn-out, secundair trauma of een aanslag hebt: hoe raakt dit mij, hoe ga ik ermee om, zou ik mijn gedrag moeten aanpassen, heb ik ondersteuning nodig en hoe dan? Die vragen moeten gesteld worden.

Hoe kan story telling helpen bij een verwerkingsproces?

Laat ik een voorbeeld geven. Na de aanslag op het VN-kantoor in Irak in 2003 werkten we met getuigenissen. Het idee was om voor deze hulpverleners, die gewend waren om hulp te bieden en die niet zelf in de positie van slachtoffer wilden zitten, een omgeving te scheppen waar ze hun verhaal konden doen.

Stel je voor dat je in een vergadering zit en er gaat een bom af. Opeens is je hele leven veranderd. Als je daarover kunt praten en er een verhaal van kunt maken, helpt dat om de scherven weer samen te voegen. Het geeft je als het ware de controle over je leven terug. Dat helpt met de genezing.

De getuigenissen waren ook nuttig voor collega’s elders in de wereld. Zij waren er niet bij geweest en misschien kenden ze ook niemand die bij de aanslag betrokken was geweest. Maar ze maakten deel uit van dezelfde organisatie en voor hen was het ook verschrikkelijk. Dus het hielp hen ook om deze verhalen te horen. Ik vind het een heel effectief middel, dat nog onvoldoende wordt ingezet.

De Verenigde Naties doen bewonderenswaardig werk als het gaat om het bijstaan van slachtoffers. Maar u bent kritisch over de manier waarop de VN met zijn eigen medewerkers omgaat. In uw boek geeft u voorbeelden van uitbuiting en pestgedrag. Heeft u een verklaring voor deze inhumane tendensen binnen de organisatie?

Ik denk dat men in het begin niet door had dat de druk op de medewerkers steeds groter werd. Vroeger werd je, als je voor de VN werkte, beschermd door je blauwe paspoort (je laissez-passer) en door de witte auto’s waarmee je rondgereden werd. Mensen waren blij als je kwam en hulp bracht. Maar die context veranderde kort na 2000. Opeens werden de Verenigde Naties zelf een doelwit. Ik denk dat het lang heeft geduurd voor de top van de organisatie dat door had.

Daarnaast is de hulpindustrie ook gegroeid. Het is gewoon lastig om zo’n grote internationale organisatie met al zijn afdelingen te managen.

En verder vormen de Verenigde Naties een hiërarchisch opgebouwde organisatie. Elke stap op de ladder brengt meer macht en voordelen met zich mee. Macht corrumpeert mensen, zelfs als je om de juiste redenen bent ingestapt. Maar ik wil benadrukken dat verreweg de meeste mensen met wie ik gewerkt heb, zeer betrokken waren en het beste met iedereen voor hadden. Heel bijzondere mensen. Maar ik denk wel dat de organisatie eerder had moeten ingrijpen en meer had moeten doen om de uitbuiting en het pestgedrag te stoppen.  

Waren er ook niet gewoon economische redenen voor de manier waarop het personeel onder druk gezet werd?

Bezuinigingen zou ik het niet willen noemen, want het budget voor dit werk is alleen maar gegroeid. Maar de lidstaten en individuele donateurs mogen niet het idee krijgen dat er geld over de balk gesmeten wordt. De organisatie moet voortdurend laten zien dat het geld goed terechtkomt. En dat is ook zo. Als er een grote donatie was binnengekomen om een bepaald programma uit te voeren, dan ging het grootste deel van dat geld naar het project en zo min mogelijk naar het VN-personeel. Dat kon ertoe leiden dat employees gedwongen werden om harder te werken dan verantwoord was.

Daarbij zijn we wereldwijd anders gaan denken over onze werktijd. Je kunt tegenwoordig op je telefoon werken. We zijn nooit offline. En als je voor een organisatie werkt die reageert op noodtoestanden over de hele wereld, is er altijd wel een reden om je mail in de gaten te houden. Er kan elk moment een update binnenkomen! Dan is het lastig om af te schakelen. De organisatie zegt wel dat een goede werkbalans belangrijk is, maar tegelijkertijd verwacht ze dat je voortdurend bereikbaar blijft. Dat botst met elkaar. 

U verwijst ook naar seksistisch gedrag of zelfs seksueel misbruik binnen de VN. In Nederland herinneren we ons nog de beschuldiging tegen oud-premier Ruud Lubbers uit 2003, toen hij hoge commissaris voor de Vluchtelingen was bij de VN. Toen u in 2012 bij de VN vertrok, moest de #metoo-beweging nog op gang komen. Denkt u dat het klimaat de laatste jaren veranderd is en dat dit soort gedrag tegenwoordig minder makkelijk wordt getolereerd? 

Verhalen over seksuele intimidatie werden vroeger het liefst onder het tapijt geveegd. Ik heb zelf aan een paar behoorlijk ernstige zaken gewerkt. We probeerden van alles om het op de agenda te zetten, maar er werd niet serieus naar ons geluisterd.

Maar het klimaat is veranderd, in elk geval in het westen. Dat is mede te danken aan de #metoo-beweging en de impact van sociale media. Er wordt nu veel meer tegen seksuele intimidatie en seksueel misbruik opgetreden. Ik vraag me af of dat zonder #metoo ook was gebeurd.

Ik heb het gevoel dat u niet alles vertelt. Heeft u bij het schrijven het gevoel gehad dat bepaalde onderwerpen taboe waren – uiteraard vanuit uw geheimhoudingsplicht als psycholoog, maar misschien ook om politieke of veiligheidsredenen? 

Beslist, en om alle drie die redenen! Daarnaast ligt er verhulde kritiek in het verhaal opgesloten. Want zelf liep ik door mijn werk uiteindelijk ook tegen een burn-out aan. Mijn kritiek is dat de organisatie niet zorgvuldig met me omgegaan is en dat ik daardoor geleden heb. Dat is niet alleen mij overkomen; anderen ook. Maar in het boek vertel ik míjn verhaal.

Toch wilde ik niet té kritisch zijn. Ik wil de organisatie niet schaden. Want ik vind nog altijd dat die fantastisch werk doet. Ik vroeg één collega die het boek had gelezen of ze vond dat het boek té kritisch was. Maar ze zei dat ik niet kritisch genoeg was geweest. 

Had u bij het schrijven een bepaald doel voor ogen?

Mensen zeiden al jaren dat ik een boek moest schrijven over mijn ervaringen. Ik heb aantekeningen bijgehouden en e-mails, documenten en rapporten bewaard met het idee om er ooit nog iets mee te doen. Daar heb ik bij het schrijven veel aan gehad.

Mijn voornaamste doel was om deze verhalen op te schrijven zodat mijn familie en vrienden konden begrijpen wat ik heb doorgemaakt. Het is moeilijk om erover te praten. Toen ik met het boek bezig was, zeiden mensen zónder verbintenis met de VN dat ze het zo interessant vonden, en anderen, die mij juist kennen uit mijn VN-tijd, dat ze het deel over mijn jeugd in Zuid-Afrika zo interessant vonden. Zo werd het een groter project dan ik me had voorgenomen.

Hebben uw jeugd in Zuid-Afrika en uw kritische blik op de apartheid, een rol gespeeld in uw loopbaankeuzes, later in uw leven? Zijn deze herinneringen van invloed geweest op de manier waarop u uw werk deed, met name in dienst van de Verenigde Naties?

Ja, ik denk het wel. Ik vertelde al dat mijn ouders mij bewust maakten van menselijk lijden. Van mijn moeder leerde ik dat je niet kunt blijven toekijken wanneer mensen pijn hebben. Als je niets doet, word je deel van het probleem. Ik denk dat mijn Zuid-Afrikaanse achtergrond me meer idealistisch heeft gemaakt. Dat resulteerde erin dat ik eerst journalistiek ben gaan studeren en later psychologie. Als ik tijdens mijn studie had geweten dat zo’n carrière mogelijk was, had ik daar onmiddellijk voor gekozen. Maar het bestond toen nog helemaal niet. Het was toeval dat ik hierin rolde. Ondanks wat mijn tijd bij de VN me emotioneel en lichamelijk gekost heeft, ben ik nog altijd blij dat ik het heb meegemaakt. En ik werk nog steeds op hetzelfde terrein, maar nu als freelancer.

Dezer dagen kijken we allemaal met afgrijzen naar de ontwikkelingen in Afghanistan. Wat vindt u van de manier waarop de Nederlandse regering omgaat met het lot van Afghanen die Nederland geholpen hebben, zoals tolken, bewakers en journalisten?

Ik wil geen politieke uitspraak doen, maar ik denk dat de Amerikaanse inval in Afghanistan vanaf het begin af een fout is geweest. Je lost niets op door een ander land binnen te vallen. Persoonlijk verbaas ik me niet over deze afloop.

Ik wil ook geen oordeel uitspreken over de vraag of Nederland vluchtelingen moet toelaten of niet, en hoever het daarin moet gaan. Maar als mensen voor jou werken en als ze als gevolg daarvan lijden, dan heb je de plicht om voor ze te zorgen.

Buro: IG
  • 0
Top