Zoals ik jou ken, ken jij mij. Mijn jaren met Hella
Yvonne Keuls
Ambo Anthos, Amsterdam, 2018, 268 p.
ISBN 9789026340956
€ 20,-
In Zoals ik jou ken, ken jij mij haalt Yvonne Keuls (1931) herinneringen op aan collega-schrijfster Hella S. Haasse (1918-2011), met wie ze vijfenveertig jaar lang bevriend was. Een vriendschap die misschien niet direct voor de hand lag. Niet alleen was Haasse veertien jaar ouder dan Keuls en hadden de twee vrouwen een heel ander temperament. Haasse – winnares van zowel de P.C. Hooftprijs als de Prijs der Nederlandse Letteren – is de geschiedenis ingegaan als schrijfster van Literatuur met een hoofdletter “L”. Keuls, daarentegen, is vooral bekend vanwege haar sociaal-realistische romans uit de jaren zeventig, die lange tijd populair waren onder middelbare scholieren, maar die door de literaire kritiek nauwelijks serieus werden genomen.
Wat Haasse en Keuls echter gemeen hadden, was het feit dat ze beiden uit Batavia kwamen, de hoofdstad van de toenmalige kolonie Nederlands-Indië. Haasse had in de jaren dertig bij Keuls’ zus Greetje in de klas gezeten en was een paar keer bij hen thuis geweest. Later hadden haar ouders deze bezoekjes verboden. Haasses vader was een hoge Nederlandse koloniale ambtenaar, haar moeder concertpianiste. Keuls had een Nederlandse vader en een half-Javaanse moeder. Het gezin was volgens Haasses ouders te “bruin”. Haar hele leven zou Haasse het betreuren dat ze – net als de naamloze hoofdpersoon in haar debuutroman Oeroeg (1948) – nooit toegang had gekregen tot de inlandse cultuur van het land van haar jeugd. Als Keuls en Haasse in de jaren zestig bevriend raken, is Keuls’ Indische familie voor Haasse dan ook een belangrijke trekpleister. Ze verlustigt zich in het contact met Keuls’ moeder – in haar verhalen, haar Maleise woordenschat, en de geur van de nasi goreng die ze steevast voorgeschoteld krijgt.

Er werd in deze jaren televisiegeschiedenis geschreven, en Keuls en Haasse waren erbij. Zoveel wordt uit het boek wel duidelijk. Daarnaast geeft Keuls een indruk van de context waarin enkele van Haasses bekendste boeken zijn ontstaan, zoals De tuinen van Bomarzo (1968), Krassen op een rots (1970), Een gevaarlijke verhouding, of Daal-en-Bergse brieven (1976), Mevrouw Bentinck of Onverenigbaarheid van karakter (1978), De groten der aarde, of Bentinck tegen Bentinck (1981) en De wegen der verbeelding (1983).
Het boek wint echter aan vaart wanneer Keuls in de jaren zeventig tijdens de vele lezingen die ze op scholen houdt, gegrepen wordt door de problemen van de jeugd van die tijd. Er wordt veel geëxperimenteerd met drugs. En het is de tijd dat jongeren relatief snel en makkelijk uit huis worden geplaatst. Hun verhalen brengen Keuls ertoe vrijwilliger te worden in een opvanghuis voor ontspoorde jongeren. In deze periode ontstaan kort na elkaar haar succesromans Jan Rap en z’n maat (1977), De moeder van David S. (1980) en Het verrotte leven van Floortje Bloem (1982).
In het tehuis hoort Keuls voor het eerst verhalen over een Haagse kinderrechter die er seksuele relaties met jongens uit de opvang op nahoudt. Hij laat ze ‘s zaterdags met de dienstauto ophalen en naar het dan uitgestorven Paleis van Justitie brengen. In ruil voor seksuele diensten kunnen ze een lagere straf krijgen, luxe etentjes, geld voor dure kleren en drugs. Als Keuls een van zijn slachtoffers weet over te halen om aangifte te doen, verdwijnt de zaak echter in de doofpot. De kinderrechter wordt met vervroegd pensioen gestuurd, maar daar blijft het bij. Het old boys network sluit de rijen. Wanneer bekend werd dat een kinderrechter zich aan deze jongens vergreep, is het argument, zou dat het vertrouwen in de rechtsstaat ondermijnen. Hierop besluit Keuls het verhaal over de kinderrechter te verwerken in haar volgende roman, Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel (1985).
Keuls’ bemoeienis met deze zaak veroorzaakt spanningen tussen haar en Haasse. Haasses man, Jan van Lelyveld, wist wat er speelde, en hij had uit protest ontslag genomen. Als hij hoort dat Keuls het verhaal openbaar wil maken, adviseert hij haar niet alleen om een goede advocaat in de arm te nemen, maar ook om invloedrijke medestanders te zoeken. Als Keuls een beroep op hen doet, laten zowel Haasse als een andere bevriende schrijver, Maarten ’t Hart, het echter afweten.

Er treedt een verwijdering op tussen de twee vriendinnen. Dat neemt niet weg dat Haasse Keuls van een afstand blijft volgen en haar helpt door de juiste mensen op haar pad te sturen. Maar de kwestie van de brief blijft tussen hen in staan. Volgens Keuls ging de brief “een steeds grotere, bijna traumatische rol” in haar leven spelen: had ze de brief kunnen publiceren, dan zou ze niet nog jarenlang zijn gedwarsboomd door Justitie. Pas tegen het einde van Haasses leven ontmoeten ze elkaar weer:
“‘Onbegrijpelijk’, zei ze weer. Ik knikte alleen. Kon niets meer zeggen, want ook bij mij kwamen de tranen. We hadden het laten gebeuren en dat was niet te begrijpen. Als kruiend ijs waren we op elkaar gebotst, maar uiteindelijk hebben we elkaar – in plaats van omhooggeduwd – van elkaar afgestoten.”
Met Zoals ik jou ken, ken jij mij – gebaseerd op dagboeken en andere aantekeningen, en ingekleurd volgens haar persoonlijke herinnering – heeft Yvonne Keuls een intiem, openhartig en soms pijnlijk beeld geschetst van de vriendschap tussen twee uiteenlopende schrijfsters, de invloeden op hun werk en het milieu en de tijdgeest waarin dit is ontstaan.
Buro: IG
