
De wind vindt altijd zijn weg. Spoorslag. Een treinreis
Sholeh Rezazadeh
Amsterdam: Ambo / Anthos
2024
61 blz.
Boeiende impressies en observaties van een jonge arts gedurende een treinreis door het Perzische landschap. “Tijdens haar reis word ze vergezeld door haar innerlijke kind, dat eindeloos nieuwsgierig, optimistisch en vol bewondering is voor alles en iedereen om hen heen.”
Opmerkelijke passages
- “Met de trein kan ik door de seizoenen reizen, door de huidskleuren, door de soorten kleding, door de dennenbomen naar de palmbomen, door de lichaamsgeuren van de mensen.” (6)
- “Alles kan tijdens het reizen groter of kleiner lijken dan het is. Pijn, geluk, tijd, smaak, keur. Als je je maar bewust bent van het feit dat je op reis bent, kan alles lichter lijken dan het echt is of juist zwaarder voelen. Mensen zijn vriendelijker tijdens het reizen, omdat ze weten dat de reis niet eeuwig duurt. Of juist omdat alles tijdelijk is, hebben ze nergens geduld voor en voelen ze geen schaamte. Daarom zijn de herinneringen aan het reizen zoet en verwarrend.” (9–10)
- “De bomen en de bergen lijken geen enkele last te hebben van het bestaan van de mensenwereld. Ze zijn onverschillig en kalm. De wind is nieuwsgierig en waait door het raam naar binnen, droger dan gisteren.” (23)
- Over de windgod: “Hij is de enige god die zowel licht als donker is. Hij veroorzaakt zowel leven als dood. Niemand weet nog of hij tot het goede of het kwade behoort. De wind vindt altijd zijn weg.” (27)
- “Eenzaamheid is de meest absolute realiteit ter wereld. (…) Hoe eerder we in eenzaamheid geloven en deze accepteren, hoe meer tijd en ruimte we hebben om onszelf beter te leren kennen, om ons leven te begrijpen, vrij van teleurstelling in de ander.” (35)
- Verwijzingen naar Hafez (51; 57) en Ferdowsi (53; 58).
- “Schrijven is een reis. Als alle wegen gesloten zijn. Schrijven is een schuilplaats voor de dagen waarop je wind en regen zat bent. Een zachte vloer om op te dansen als alles bedekt is met gebroken glas. Schrijven is een luisterend oor voor momenten waarop de woorden in je keel bakstenen zijn geworden. (…) Om te kunnen schrijven heb ik je stem nodig, je ogen, je nieuwsgierigheid, je verbazing, je lach, je boosheid, je ongeduld en rusteloosheid. Ik zal samen met en over jou schrijven in verhalen en gedichten, ik zal je aan iedereen laten zien, met je blote voeten die altijd op de vlucht zijn en je ogen die altijd zoeken. Om het vol te kunnen houden in deze wereld vol eenzaamheid en onbegrip reis ik met je mee in de verhalen. Zonder er bang voor te zijn jou te breken, om mij te breken. Tijdens het schrijven ben je vrij en ik luister naar elk woord dat je uitspreekt. Op het papier mag je rennen, vallen, lachen, huilen. Bouwen, afbreken en vooral blijven spelen. Zolang jij het wil, hoe jij het wil.” (61)
Lees ook:
Leesimpressie: De boekhandel van Algiers door Kaouther Adimi
