Breyten schrijven #7: Herinnering aan Maître Breyten Breytenbach (1939–2024), “die dood is om nooit weer dors te word nie”

  • 0

Vorig jaar, in de ochtend van zondag 24 november, bereikte mij zoals vele anderen het trieste bericht dat de schrijver, schilder en publieke intellectueel Breyten Breytenbach op de leeftijd van vijfentachtig in Parijs was overleden. De dood van deze charismatische figuur van de Afrikaanse letteren en het pan-Afrikaanse ideeëngoed laat sindsdien in Zuid-Afrika en op het continent Afrika, ook in de Lage Landen, een leemte. Necrologieën en retrospectieve documentaire bijdragen in kranten en op websites in de weken na het heengaan van Breytenbach zijn er de soms pakkende getuigenissen van. De beschouwing die ik in opdracht van Poëziekrant schreef, betoonde eer aan de intellectuele en artistieke erfenis van ‘Breyten Woorddwaas’, een van de bekende heteroniemen.

Parijs, 12 november 2023

De herdenking van het overlijden van de schrijver, die ik in onze mailcorrespondentie steevast ‘Maître’ mocht noemen, dag op dag een jaar geleden, is de aanleiding om mijn terugblik nu ook op Voertaal te plaatsen. In het najaar van 2026 wordt door het Gentse Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika (www.afrikaans.ugent.be) aan de Universiteit Gent een internationale conferentie gewijd aan de literaire en artistieke nalatenschap van Breytenbach. Breytenbach voelde zich naar eigen zeggen thuis in de Arteveldestad, méér nog: Gent noemde hij een plek in zijn Middenwereld. Intussen werk ik aan mijn reeks ‘Breyten schrijven’ op Voertaal, waarin onder meer het laatste publieke interview, afgenomen bij Sasnev (Pinelands, 19 maart 2022), dat ik met de schrijver mocht hebben, integraal staat opgetekend. Daarin spreekt Breytenbach zonder blad voor de mond over de jarenlange en intense contacten met de Lage Landen, over zijn uitdrukkelijke wens dat het literaire archief wordt bewaard aan de Universiteit Gent.

Pinelands, 19 maart 2022 (Foto's: Izak de Vries)

Eén jaar na het toch nog onverwachte overlijden mag ik vanuit Gent op Voertaal dit portret schetsen van Breytenbach, wetende dat van deze veelzijdige en creatieve, erudiete en spraakzame man vele gedaanten tegelijk kunnen worden geboetseerd. De uiteenlopende verhalen die kort na zijn dood werden opgetekend, zijn daar de neerslag van.

Vogelnotities

Breytenbach had veel van een ornitholoog. In tal van schilderijen en tekeningen duiken vogels op. Of op foto’s en door de schilder ontworpen boekomslagillustraties, zoals in de laatste tekst- en beeldbundel Hokhokaai. Fragmente (2021). Ook in de lyriek en in bespiegelende teksten zijn er vogels, zelfs in een vaak gebruikt heteroniem: ‘Woordfoël’ (een contaminatie van ‘fool’ en ‘vogel’). Beschouwende prozabundels kregen titels zoals Notes of Bird (1984) en The Memory of Birds in Times of Revolution (1996, vertaald als Denkend vuur). Een spraakmakende bloemlezing van Breytenbachs werk die Ampie Coetzee in 1995 samenstelde, is getiteld Die hand vol vere (1995). Op wel méér boekomslagen prijken reproducties van schilderijen met bizarre antropomorfe vogelfiguren. In Kouevuur (1969), bijvoorbeeld, wordt het vliegtuig dat het ik over Afrika naar het Zuiderkruis brengt als “die metaalvoël” aangeduid. Een paar regels verder is sprake van “die voëls van my taal”. Vogels worden onder meer geassocieerd met het zwerversbestaan, de persona van de outsider en de vagebond. Altijd onderweg, nergens ergens. Ze dragen in zich méér connotaties, zoals beklemming, dood en verval.

De dood is trouwens een centraal thema in Breytenbachs artistiek werk. Treffend is de titel van een Franse anthologie uit de gevangenispoëzie: Métamortphase (1987, vertaling Georges Lory). Al vanaf het poëziedebuut Die ysterkoei moet sweet (1964), Breytenbach was toen vierentwintig, bezint de verteller zich over ziekte en dood. Daarnaast komen méér motieven voor in het omvangrijke oeuvre, in de bewoording van Breytenbach zelf: “het ochtendlicht, beweging, sociale kritiek, memorie, verbeelding, bewustzijn en geweten”. En natuurlijk is er de liefde, getuige de verzamelbundel Lady One met ‘99 liefdesgedigte’ (2000). Veelal wordt de tekst met de beroemde beginregel ‘Allerliefste, ek stuur vir jou ’n rooiborsduif’ (in Lotus) het mooiste liefdesgedicht genoemd in het Afrikaans.

Filosofie van (on)burgerschap

Boven alles heeft Breytenbach zich toegelegd op de constructie van een “nomade-kondisie” (Ampie Coetzee). Hij voert nomadische personae op en voelde zichzelf een onbestemd reiziger, een passant van de tussen-in ruimte, ruim zestig jaar Zuid-Afrikaans balling in Parijs. Met name in Kouevuur, maar ook in andere bundels (Coetzee spreekt in Die hand vol vere over een “poësie vol reise”), wordt die gestalte neergezet. Zoals in deze strofe (‘asiel’ 2):

Die reis in die land van die eensames
Is ’n reis sonder herberge deur ’n land sonder grense
Al langs ’n see sonder kuste
Net met die liefde as bakens.

Opmerkelijk zijn de liminale referenties in woord en beeld. Schrijver en schilder hebben zich een leven lang verzet tegen conventies en een verstikkende burgerlijke middelmaat. In de imaginaire Middenwereld wordt gestreefd naar ongebondenheid, een vrijheid van denken, spreken en handelen. Belangrijk in dat opzicht is The Middle World Quartet, vier teksthybride bundels met intellectueel prikkelende essays, lyriek en beeldmateriaal, bijzonder beeldrijk geschreven, waarin de schrijver politiek en filosofisch, in beschouwingen bezaaid met persoonlijke notities, zijn eigen Middenwereld creëert. In essays, zoals verzameld in Parool/Parole. Versamelde Toesprake/Collected Speeches (2015), heeft hij meermaals uitgeweid over een non-conformistische tussen-in wereld, in zijn voorstelling de Middenwereld van “onburgers”, of ook: het Land van MOR. De Middenwereld is Breytenbachs filosofie van burgerschap (de aanduiding van Louise Viljoen).

Dansen

Het wordt zwaar
deze aarde op te geven
(maar wie of wat gaat weg?)
de verschrikkelijke ruimten van onteigening
altijd voor jou alleen

die donkere heuvel daar
als een kom schemerlicht
met bomen die nog sporen van wind dragen
in knoop en wond en ademwonder
en hier een modderstroom
hellingen en vlakten
en zware begroeiing

elk lijden is afstand –
hoe kun je weten van mensen in de modder?
wat wordt doorleefd? wat wordt gezien, gehoord
of enkel gefantaseerd
en wat doet ertoe?

als muren verbrokkelen
en de ongebreidelde kreet
zich in je ontvouwt
een weergalmende, schemerige bezwering
van dansende ruimten –
een stilte van wind

Breyten Breytenbach, Berichten uit de Middenwereld (vertaling Krijn Peter Hesselink, Podium, Amsterdam, 2010, p. 11)

Het gedicht is de openingstekst van de opstellenbundel Notes from the Middle-World,  het derde deel van de tetralogie The Middle World Quartet. In de slotregels zit een artistiek-existentieel programma van Breytenbach vervat: “muren verbrokkelen” en worden uiteindelijk “dansende ruimten”. Alleen met een eigenzinnige taal kunnen muren van onverschilligheid en starheid worden geslecht. Het woord dat niet zozeer beredeneerd is maar vooral zintuiglijk doorleefd – “de ongebreidelde kreet” in het gedicht – heeft de inspirerende kracht van “een weergalmende […] bezwering”.

De dichter Breytenbach is niet alleen een reiziger in woord en gedachten. Hij is bovenal een danser en een “windvanger” – dat is ook de titel van een bloemlezing die hij, puttend uit zijn imposante poëzieproductie, samenstelde: Die windvanger / The Windcatcher (2007). Vermeldenswaard is in het Nederlands dat andere boek, De zingende hand (2017) met vertalingen door Laurens van Krevelen. Het zintuiglijke, zingende woord vermag veel op voorwaarde dat de spreker er geloof aan hecht, dat hij erin gelooft, indien de taal “doorleefd” is. Alleen dan kunnen muren verbrokkelen. “[A]ls muren verbrokkelen” gaan volgens het lyrisch subject de ruimten vanzelf aan het dansen. We hoeven dat streven niet uitsluitend esthetisch in te vullen. Het heeft in het geval van Breytenbach ook een politiek-ideologische, zelfs een ethische en morele implicatie.

Mensen in de modder

De tragische biografisch-anekdotische achtergrond is bekend. Breytenbach is internationaal gewaardeerd als antiapartheidsactivist in Zuid-Afrika. In overlijdensberichten is zijn strijd tegen het totalitaire apartheidsregime steevast gememoreerd. Het militantisme tegen de racistische apartheidspolitiek leidde onder meer tot de oprichting van de Franse verzetsgroep Okhela, de zogenaamde ‘witte tak’ van het verboden ANC. Het manifest is opgenomen in The True Confessions of an Albino Terrorist (1984). In de Alexandre Moumbaris Papers in Historical Papers Research Initiative  van de Universiteit van die Witwatersrand verrichtte ik dit jaar weer onderzoek naar beide hofzaken tegen Breytenbach (1975 en 1977) en documenten met betrekking tot Okhela en de Communistische Partij in Zuid-Afrika.

Breytenbachs inzet voor “mensen in de modder” in zijn vaderland heeft hem vanaf eind jaren vijftig genoopt tot een jarenlange ballingschap in Europa. In 1961 heeft hij zich gevestigd in Parijs. Daar is hij betrokken geraakt bij het verzet tegen de politiestaat in zijn vaderland. Op het einde van een clandestiene opdracht in Zuid-Afrika, zonder visum, vermomd en met de schuilnaam Christian Galaska, is hij in Johannesburg gearresteerd en veroordeeld tot negen jaar gevangenschap. Van 1975 tot 1982, dus zeven jaar effectief, is Breytenbach door de regering in Pretoria opgesloten op beschuldiging van terroristische activiteiten en de schending van een van de vroegste apartheidswetten, de wet op het Verbod van Gemengde Huwelijken (1949). Lange tijd was hij opgesloten in een isolatiecel van Pretoria Sentraal.

Seepunt, 20 januari 2024 (Yves T’Sjoen, Juliana Pistorius, Yolande en Breyten Breytenbach)

In 1962 is hij gehuwd met Ngo Thi Hoang Lien (Yolande), Française van Vietnamese afkomst, en door apartheid geclassificeerd als “coloured”. In zijn werk wordt zij aangeduid als ‘Gouden Lotus’. In 1970 verscheen een bundel met de titel Lotus.

In 1982 kwam hij, bijgenaamd “tronkvoël” (of gekooide vogel) in Lotus, onder Franse diplomatieke druk vrij. De autobiografische neerslag van de periode vóór, tijdens en na de jaren als gedetineerde kan worden gelezen in de in het Nederlands vertaalde prozatrilogie Een seizoen in het paradijs (1980), De ware bekentenissen van een witte terrorist (1984) en Terug naar het paradijs (1993). Breytenbach is een opusschrijver: alle opera haken in elkaar, teksten liggen bezaaid met inter- en intratekstuele verwijzingen. De auteur componeerde een wereld van sleutelmotieven en beeldherhalingen.

Publiek intellectueel en GORIN

Een begenadigd publiek spreker

Breytenbach is niet alleen internationaal geroemd als verzetsstrijder tegen het op racisme en segregatie gebaseerde apartheidssysteem. Daarenboven genoot hij bekendheid als dichter, romancier, essayist, taalactivist en ook als beeldend kunstenaar. “Die maer man met die groen trui”, zoals vermeld in ‘bedreiging van die siekes’ (Die ysterkoei moet sweet), was daarenboven een begenadigd publiek spreker, een denker of Afrika. Zowel het literaire als het schilder- en tekenwerk krijgen in Zuid-Afrika en ver daarbuiten weerklank. De poëzie en het proza zijn in vele talen vertaald.

Als mede-grondlegger van het Gorée Institute (GORIN) op het eiland voor de kust van Dakar en in zijn functie van oprichter van het pan-Afrikaans periodiek Imagine Africa (Island Position, imprint van Pirogue Collective) bracht Breytenbach kunstenaars van het Afrikaanse continent en elders in de wereld samen. Hij was een bruggenbouwer die culturen met elkaar in contact bracht en kunstenaars en intellectuelen heeft uitgenodigd tot reflectie, discussie en uitwisseling van gedachten over Afrika. Voor mij is Breytenbach het heteroniem voor hybriditeit, metamorfose, transformatie-denken, voor wat hijzelf in geschriften en gesprekken “betekening” noemde. 

Zenboeddhisme

Het artistieke project van Breytenbach hield geen rekening met voorgeschreven regels. Geïnspireerd door het surrealisme, in een bizarre beeldentaal ook nog eens doorspekt met Zen-Boeddhistische beeldformaties en bezinning, ontwierp Breytenbach in tekst en beeld een eigenzinnig grotesk-symbolisch geladen universum. De voorlaatste bundel Op weg na kû (2019) is een zoektocht naar de leegte. De symbolentaal verwijst trouwens niet alleen naar de gewelddadige (koloniale en postkoloniale) geschiedenis van Zuid-Afrika en de orale tradities van Afrika, rituelen en magie van het Afrikaanse continent, meditatie en Zenboeddhisme, maar ook naar het werk van geestverwanten, naast vele anderen Celan, Cioran, Goya, Lucebert, Tu Fu. In de woorden van Breytenbach zijn ze net als Césaire, Glissant en Senghor tijdgenoten in kunst en filosofie.

‘Dink aan ’n wind’

Foto: Breyten Breytenbach

Breytenbach heeft artistieke disciplines waarin hij bedreven was – autobiografisch proza, toneelteksten, poëzie, essays en toespraken en grafisch werk – ooit omschreven als expressievormen die tot mislukken zijn gedoemd. Precies in de creatieve mislukking schuilt het onvoorwaardelijk engagement, de krachtige esthetiek en het vastberaden geloof van dichter en beeldend kunstenaar. In een brief aan de schrijver André Brink, opgenomen in de bundel Met ander woorde / Vrugte van die droom van stilte (1973), vat Breytenbach dat streven als volgt samen: “[D]ink aan ’n wind; dit wat ons wil vaslê, die essensiële, is die wind, maar al wat ons kan sien en beskryf is die boom – hóé die boom lyk as gevolg van die wind. En so gryp ons die wind. En so probeer ek die stilte te sê”. Zowel het brieffragment als ‘Dansen’ kunnen mijns inziens als programmatisch-metaforische uitdrukkingen van Breytenbachs artistiek project worden beschouwd. De kunstenaar probeerde de laatste jaren in almaar méér woorden en gedichten de stilte te zeggen en dus de wind te vangen. De wind is zoals de stilte wendbaar en ongrijpbaar, onzegbaar. Maar dat hij er is, spreekt uit alles wat ons omgeeft, waar wij om geven, waarvan wij leven. De stilte wordt zichtbaar dankzij de taal, de wind is er omdat we de bomen zien. Het leven is “’n asem”.

Postume initiatieven

Binnenkort reis ik terug naar de begraafplaats Père Lachaise, waar familie en vrienden vorig jaar op 2 december in Salle de la Coupole, een mistige en koude middag, afscheid hebben genomen. Ik breng er Breytenbach een saluut. Intussen lees ik in zijn gebundelde lyriek, laat mij inspireren door toespraken en essays, verricht archiefonderzoek. Over zijn omvangrijke en prismatische oeuvre mag ik in Zuid-Afrika en de Lage Landen lezingen en colleges aanbieden en de aandacht levend houden voor een iconische en invloedrijke stem in de Afrikaanse literatuur, gerespecteerd op het Afrikaanse continent. Binnenkort verschijnt een uitgebreid onderhoud dat de filosoof Johan Braeckman vorige week met mij voerde in de reeks ‘De Gedachtestreep’ van het Humanistisch Verbond.

Naast de Afrikaanse poëzieprijs die is genoemd naar de dichter, waarvan Danie Marais met Ek en jy bestaan nie de eerste laureaat is, zijn er de hommages die dit jaar zijn georganiseerd. Zoals in het Breytenbach Sentrum in Wellington op 23 februari en op 12–13 september tijdens de veertiende editie van Tuin van Digters, of bijvoorbeeld op 24 september in het Gorée Institute in Senegal. In januari, zo liet de dochter Daphnée Breytenbach weten, zal een hommage plaats hebben in Parijs. Het afgelopen jaar is naast zijn laatste toneeltekst, het requiem Verwelkingslied (regie Mari Borstlap) dat hij schreef op uitnodiging van het Suidoosterfees en opdroeg aan Antoinette Kellermann en Marthinus Basson (https://klyntji.com/joernaal/2025/5/26/breytenbach-verwelkingslied, https://www.netwerk24.com/kunste/feeste/suidoosterfees/om-te-breyten-regisseur-gesels-oor-digter-en-dramaturg-se-verwelkingslied-20250422) ook Boklied (1998) weer opgevoerd in een regie van Marthinus Basson (https://www.netwerk24.com/kunste/teater/boklied-op-woordfees-prikkel-steeds-die-verbeelding-20251013-0512).

In 2026 verschijnen bloemlezingen uit Breytenbachs poëzie in Frans en Engels (met een voorwoord van JM Coetzee). Met uitgeverij Koppernik (Amsterdam) bespreek ik momenteel of ook een anthologie in het Nederlands kan verschijnen. Dergelijke postume initiatieven memoreren de bijzondere renommee van Breytenbach in verschillende taalgebieden, op diverse wijzen en in persoonlijke getuigenissen.

In 2025 voltooide ik het drieluik met Kwintet. Literaire dialogen tussen Afrikaans en Nederlands (2023), Breyvier. Over taal, burgerschap en Breytenbach (2023) en De ontdekking van het eiland. breytenbachiana met verzamelde aantekeningen over leven en werk van Breyten Breytenbach.

Deze tekst is een gewijzigde en geactualiseerde versie van het in memoriam: ‘“die dood is om nooit weer dors te word nie”. In Memoriam Breyten Breytenbach (1939-2024)’, Poëziekrant 49 (2025) 1 (januari-februari), p. 17-19. https://www.humanistischverbond.be/blog/1644/vandag-is-ek-belg-more-is-ek-n-engel-in-die-hemel/

Bloemlezing

J’écris ma mort
encore & encore

ek skryf my dood
woord vir woord
neer

skryf dit op
skryf dit af

en maak
van die weer en weer
’n gaatjie met klank uitgevoer
om dié-hier
in dit
weg te bêre
vir die dag wanneer sterre sterwe

Breyten Breytenbach, Hokhokaai. Fragmente (Hond, Pretoria, 2021, p. 9)

 

liefling, taal

liefling, ek skryf vir jou in hierdie taal
want ek kan my nie daarvan loswoord nie.
dis ’n grusame ervaring
om in die grafte van voorouers te krap.
ek skaam my

hierdie taal, liefling
verdwyn in die mond as die laaste smaak
van die klippie wat ons gesuig het teen die dors,
verdwyn omdat dit in die mond
van besoedelde witmense was
al het dit ook iets van ’n heelal getong

met skamel woorde
wil ek nog ’n laaste keer ons liefde besing
van mond tot wond tot genadelose grond.
ek skaam my dat ek my nou daarvoor moet skaam

die mond is te geheim om pyn nie te voel nie.
ek sal die graf oopkrap
en die klippie tussen jou dye begrawe
en die laaste spoegie speeksel sluk.

die dood is om nooit weer dors te word nie,
my liefling taal

Breyten Breytenbach, die beginsel van stof (Human & Rousseau, Kaapstad/Pretoria, 2011, p. 18)

 

It is called grieving for the present

‘Longing for ancient times and grieving for the present,
my heart is exhausted’
‒ Ryokan, ‘Reading the “Record of Eihei Dōgen”’

nou weet jy wat dit is
om dood te gaan:
dat alles en almal en dit en dié
hier vir wie jy lief was
sonder om daarvan bewus te wees
moes sterwe terwyl jy nog leef

en nou terugkom in musiek
die effense blaarbeweging
tussen kyk en sien
die randjie van ’n gliplag
oor die malligheid van lewe

nou weet jy hoe dit is
om te lewe:
dat alles en almal en dit en dié
daardie daar vir wie jy lief is
nie daarvan weet nie maar wéét
hulle sal lewe terwyl jy nog sterf

Breyten Breytenbach, op weg na kû (Human & Rousseau, Kaapstad/Pretoria, 2019, p. 77)

 

Lees ook:

Breyten schrijven #3: Het laatste interview. “Ek het ’n aantal adresse gehad van mense wat ek moet opsoek”

Breyten schrijven #4: Het laatste interview. "Opleidingskursusse in ondergrondse tegnieke."

Breyten schrijven #5: Het laatste interview. "Hugo Claus was veel meer van ’n wêreldfiguur."

Breyten schrijven #6: Het laatste interview. "Dit sal nie vir my wees sodanig dat dit Gent is nie, of selfs in België nie. Maar vir my is dit ’n huistoekom, na ’n buitepos van die Middelwêreld."

  • 0
Verified by MonsterInsights
Top