Het grote avontuur van een Friese boerenknecht in Zuid-Afrika

  • 0

Een Friese melkknecht aan het werk / Bron: website Friese weiden en Zuid-Afrikaanse beesboerderijen

Op de zolder van haar Friese grootmoeder bladerde Froukje Santing als kind vaak door een boek over de Boerenoorlog. Had haar grootvader soms tegen de Britten gevochten? Een halve eeuw later ontdekt ze dat de werkelijkheid minder heroïsch is, maar zeker niet minder intrigerend. Wat bezielde een arme melkknecht uit Baarderadeel om begin twintigste eeuw naar de Kaap te vertrekken? In het spoor van haar “pake” onderzoekt Santing de export van Friese runderen naar Zuid-Afrika.

Froukje Santing

Half januari is journalist, schrijver en onderzoeker Froukje Santing bezig met de laatste voorbereidingen voor haar reis. Op 6 februari vertrekt ze naar Zuid-Afrika voor een tocht die haar via onder meer Kaapstad, Port Elizabeth, Bloemfontein, Ermelo en Potchefstroom naar Pretoria zal brengen. Behalve archieven wil ze ook boerderijen bezoeken – hoe afgelegener, hoe beter. “Het zal hard werken worden”, voorspelt ze. “Maar ik wil ook de tijd nemen. Mijmeren, in de verte staren en me indenken hoe mijn pake zich gevoeld moet hebben.”

Hulpzendingen

Het gekke is dat niemand in haar familie wist dat haar opa, Gerben Heslinga (1883-1942), tussen 1911 en 1913 in Zuid-Afrika is geweest. Tijdens een bezoek aan de tentoonstelling “Ferhaal van Fryslân” in het Fries Museum, waar ook brieven werden geëxposeerd van Friezen die naar de Verenigde Staten en Canada waren geëmigreerd, moest Santing opeens weer aan het boek op oma’s zolder denken. Ze begon te vermoeden dat er een verband moest zijn tussen Gerbens belangstelling voor Zuid-Afrika en de export van Friese runderen naar dat land.

Deze export was in de jaren tachtig van de negentiende eeuw op gang gekomen. Tijdens de Zuid-Afrikaanse Oorlog was de invoer stil komen te liggen. Maar ná de oorlog stuurde het Nederlandse Comité van Landbouw, gedreven door “Boerenliefde”, een aantal zendingen zogenaamd “jongvee” om de door de oorlog zwaar getroffen boeren er weer bovenop te helpen.

Elke zending bestond uit zo’n tachtig dieren: een paar stieren, en daarnaast koeien die nog geen melk gaven. “Zo’n zending was een enorme operatie”, vertelt Santing. “Een boot van rederij Union Castle voer vanuit Southampton naar Vlissingen, daar werd het ruim van het schip omgebouwd tot een stal en vervolgens werd het vee ingeladen en voer men verder naar Zuid-Afrika. De overtocht duurde ongeveer een maand. Het wordt wel heel ingewikkeld als je aan boord twee keer per etmaal moet melken! Vandaar de keuze voor jonge koeien.”

Het Comité van Landbouw had nog meer hulpzendingen willen uitvoeren, maar het uitbreken van mond-en-klauwzeer bracht de transporten opnieuw tot een halt. In 1905 vond de derde en laatste zending plaats.

Emigratiekoorts

Santing heeft advertenties gevonden waarin mensen werden gezocht om voor enkele jaren op boerderijen in Zuid-Afrika te komen werken. Ze vermoedt dat haar grootvader – toen 26 jaar oud – hierop heeft gesolliciteerd en dat de overtocht voor hem betaald werd, want als eenvoudige boerenknecht had hij de reis zelf nooit kunnen opbrengen. “Friezen hebben de reputatie dat ze gesloten zijn”, zegt ze. “Maar het is een ondernemend volk. Er heerste in die tijd in delen van de provincie zware armoede. Daarom was de blik naar buiten gericht. Je kunt wel spreken van emigratiekoorts. Zondags werden er vanaf de kansel brieven voorgelezen van emigranten die het in Amerika en Canada helemaal gemaakt hadden. Maar dat soort succesverhalen hoorde je niet over Zuid-Afrika. Sterker nog: wie het daar geprobeerd had, kwam vaak teleurgesteld weer terug.” 

Ook Gerben bleef niet in Zuid-Afrika hangen. Santing kon aan de hand van passagierslijsten vaststellen dat hij in april 1913 vanuit Mozambique naar Europa was teruggekeerd. Toch meldde hij zich pas in de zomer van 1914 weer in Friesland. Santing: “Uit de gemeentelijke administratie blijkt dat hij op dat moment uit Duitsland kwam. Dus ik neem aan dat hij zijn terugreis zelf moest betalen en dat hij schulden had gemaakt. Veel Friezen gingen destijds in Duitsland werken omdat de lonen daar hoger lagen dan in Nederland.”

“De enige die is weggegaan”

Hoewel ze inmiddels – met tussenpozen – drie jaar met dit project bezig is, heeft Santing niet kunnen vaststellen wat haar “pake” in Zuid-Afrika heeft gedaan. Ze weet zelfs niet waar hij is geweest. Het feit dat hij in 1913 vanuit Mozambique is vertrokken, is voor haar een indicatie dat hij vanuit Kaapstad uiteindelijk in Transvaal is beland; er liep immers een spoorlijn tussen de Witwatersrand en Lourenço Marques (het huidige Maputo).

“Waar het mij om gaat is dat ik een levendig portret wil schetsen van een vergeten stukje Friese, Nederlandse en Zuid-Afrikaanse geschiedenis aan de hand van een heel eenvoudige man die eigenlijk nooit in de geschiedenisboeken wordt vermeld. Ik situeer hem tegen de achtergrond van dat grotere verhaal van de hulpzendingen en de ontwikkeling van het Friese stamboekvee in Zuid-Afrika.”

Santing kan zich haar grootvaders Wanderlust goed voorstellen. “De omstandigheden zijn nu natuurlijk anders. Maar van mijn generatie ben ik ook de enige in de familie die is weggegaan.”

Santing (1956) studeerde Wereldreligies in Leiden en Islam in de Moderne Wereld aan de Universiteit van Amsterdam. Ze maakte snel carrière en werd al op jonge leeftijd journalist bij NRC Handelsblad. “Een prestigieuze positie, en voor veel mensen is dat dan ook een eindstation.” Toen ze op haar vijfentwintigste een man uit Turkije tegenkwam, volgde ze haar hart. “Als journalist kan je overal je brood verdienen, redeneerde ik. Als je jong bent, zie je veel obstakels niet, en dat is maar goed ook.” Ze zou zeventien jaar in Turkije blijven wonen. Migratie werd een terugkerend thema in haar werk.

Dagboek van een jonge veehandelaar

Zelf heeft ze haar grootvader, die in 1942 is gestorven, niet meer gekend. Ze heeft twee foto’s van hem, maar daarop is weinig te zien. Toch kan ze een klein beetje invullen wat Gerben heeft ervaren, onder meer doordat ze beschikt over het dagboek van Reinder Schaap. Hij was in 1905 deel van de derde en laatste hulpzending.

Naast de ongeveer 80 stuks vee die bestemd waren voor de getroffen boeren in Transvaal en de Oranje-Vrijstaat, gingen er in Port Elizabeth nog eens zo’n 45 beesten aan land die bestemd waren voor de verkoop. Santing: “De Nederlandse vee-exporteurs wilden de markt testen. Reinder had als opdracht die 45 exemplaren in Zuid-Afrika te slijten. Maar het land was zo verarmd dat dat niet meeviel. Er was weinig geld en de dieren waren relatief duur. Een andere factor was de enorme Engelse invloed, niet alleen op politiek en taalkundig vlak, maar ook wat betreft import en export. Uiteindelijk moest Reinder zijn kudde met verlies van de hand doen.”

Rond 1910 werd vanuit Zuid-Afrika driftig geprobeerd jonge boeren die een beetje geld hadden naar Zuid-Afrika te lokken om daar een eigen bedrijf te beginnen. Met name in Groningen en Friesland werden tal van bijeenkomsten belegd om jonge boeren te werven. Maar het animo voor emigratie naar Zuid-Afrika was, zoals we al gezien hebben, niet groot. “Vervolgens bracht de Eerste Wereldoorlog alles tot stilstand”, aldus Santing. “Daarna is de trek naar Zuid-Afrika pas veel later weer op gang gekomen.”

Oproep: het menselijke aspect

Santing wil tijdens haar bezoek aan Zuid-Afrika ongeveer dezelfde reis maken als die Reinder Schaap in 1905 heeft gemaakt. Ze vindt het “best wel ingewikkeld” dat ze vrijwel niets over haar grootvaders verblijf in Zuid-Afrika weet. “Ik moet dus mijn verbeelding laten spreken en het meest waarschijnlijke verhaal reconstrueren op basis van alles wat ik heb gevonden.”

Ze wil graag een oproep plaatsen: “Ik ben op zoek naar Zuid-Afrikanen die zich dit onderwerp vanuit hun eigen familie herinneren. Misschien hadden zij wel een opa die tussen 1905 en 1915 naar Zuid-Afrika is gekomen om te gaan boeren. Het zou fantastisch zijn als ik tijdens mijn reis, als ik in de buurt ben, bij ze mag langskomen. Geschreven bronnen, zoals dagboeken, brieven en kaartjes, kunnen ook helpen. In dit stadium heb ik wel genoeg feitelijke informatie verzameld; ik heb nu vooral behoefte aan het menselijke aspect.”

  • Klik hier om naar de website van het project “Friese weiden en Zuid-Afrikaanse beesboerderijen” te gaan. Kunt u Froukje Santing helpen met haar onderzoek naar de export van Friese runderen naar Zuid-Afrika in de periode 1905–1915? U kunt haar mailen: froukjesanting@planet.nl. Of bel (via Whatsapp): +31 (0)6- 27077030. Uw reactie wordt zeer op prijs gesteld.
  • 0
Top