Dichter Lynthia Julius was één van de centrale gasten tijdens de 56e editie van het Poetry International Festival dat plaatsvond in Rotterdam van 4 tot en met 7 juni 2026 onder de titel “Word on the street”.
Tijdens het festival trad Lynthia Julius tweemaal in dialoog met Jörgen Gario, een spoken word-artiest en multidisciplinair kunstenaar, die in het Nederlands, Engels en Papiaments schrijft. Tijdens het programmaonderdeel “Poets on Poets” stelden beide dichters elkaar vragen over hun werk en schrijfproces. Voor Voertaal de aanleiding om op een druilerige zaterdagnamiddag op een picnic-bank met uitzicht over de Rotterdamse voorhaven met Lynthia Julius van gedachten te wisselen over een aantal inzichten die ze de vorige avond met het publiek had gedeeld. Het gesprek was tegelijkertijd een vooruitblik op haar duo-performance met Jörgen Gario diezelfde avond.
Steven: Lynthia, hoe belangrijk zijn festivals als Poetry International voor een dichter als jou?
Lynthia: Dit is enorm belangrijk. Elke dichter droomt ervan om hier ooit geprogrammeerd te worden. Ik moet denken aan een vers in de bijbel: “De gift van een mens maakt ruimte voor hem, en leidt hem in de tegenwoordigheid van groten”1. (Spreuken, 18:16). Als dichter kan je hier op het festival rondlopen en je de bedenking maken: “Dit is te groot voor mij. Ik hoor hier niet thuis.” Maar als je hier dan bent en in dialoog treedt met mensen, dan besef je snel: dit is de manier om door middel van woorden zin te geven aan ons leven. Daarnaast mag je niet vergeten dat zo’n festivals ook duur zijn. De meeste mensen uit de Noord-Kaap kunnen zich geen ticket voor zo’n festival veroorloven. Ook niet voor festivals in Zuid-Afrika zelf. Reizen, ergens verblijven, het is gewoon peperduur voor onze mensen. Als je moet kiezen tussen een boek en een brood, dan kies je een brood.
Steven: Is zo’n festival ook belangrijk voor de verspreiding en promotie van je werk?
Lynthia: Er is een filosoof – ik herinner me zijn naam niet – die ooit heeft gezegd dat erkenning als een basisbehoefte zou moeten worden beschouwd. Het geeft een goed gevoel dat je werk in het buitenland erkenning krijgt. Kijk, in de Noord-Kaap spreekt niemand met mij over mijn werk. De kunsten staan niet centraal in het leven van de inwoners daar. Zij hebben andere zorgen dan gedichten schrijven en lezen.
Steven: Kan het een opdracht voor een dichter zijn om in een land als Zuid-Afrika artistieke kansen te creëren?
Lyntha: Ja, ik organiseer in oktober 2026 een workshop die zal plaatsvinden in Namakwaland, in de Noord-Kaap. Ik wil door middel van die workshop kansen bieden aan jonge schrijvers. Momenteel hebben we uitsluitend fondsen geworven voor de organisatie van de workshop zelf. Maar wanneer je als dichter zelf over een uitgever beschikt, dan doe je ook graag een beroep op je eigen netwerk om jong talent publicatiekansen te bieden. Dat zal de volgende stap zijn. En waarom ik dit doe? Wel omdat het ook een traditie is bij ons dat meer gevestigde schrijvers jonge schrijvers op weg helpen. Ik heb zelf ervaren hoeveel auteurs zoals Ronelda Kamfer en Nathan Trantraal geïnvesteerd hebben in de begeleiding van jonge kunstenaars. Het zijn rolmodellen voor mij omdat zij een podium voor nieuw talent bieden. Ik bewonder hen voor hun grote zorg voor jonge mensen. Kijk, iemand als Ronelda kan ik altijd bellen. Niet alleen naar aanleiding van poëzie, maar evengoed wanneer mijn kindje ziek is. En dan vergeet ik nog Antjie Krog. In 2015-2016 bezorgde ik mijn werk aan haar en zij hielp me. En nu ik vandaag worstel met het schrijven van een debuutroman, krijg ik hulp van Ingrid Winterbach.
Steven: Tijdens het gesprek met Jörgen Gario gisteren sprak je ook over je debuutroman. Eén van de uitdagingen voor jou is om er geen bunddellang gedicht van te maken?
Lynthia: Ja! Mijn vriend Nati las het manuscript en reageerde dat ik moest stoppen om de roman als een dichter te schrijven. Een roman werkt niet op basis van mooie beelden. Omdat hij een groot lezer is, hecht ik veel waarde aan zijn oordeel. Nati en mijn moeder hebben dezelfde leeftijd. En zoals ik al zei, in onze cultuur helpen oudere mensen jonge mensen om hun kunst te ontwikkelen.
Steven: Kan je definiëren wat voor jou het grote verschil is tussen een roman en poëzie?
Lynthia: Wat ik vooral van een romanschrijver als Francois Smith leerde, is dat niets in een roman per toeval gebeurt. Bij het schrijven van een roman voert de auteur een strakke regie over het schrijfproces. Het is een gecontroleerd proces, veel meer dan bij poëzie. Ingrid Winterbach vergelijkt het met muziek. Bij poëzie leer je een bepaalde beat aan: “Dada dada dada.” Als je een roman schrijft, creëer je meer als een componist. Je houdt van het muziekstuk dat je aan de hand van notenbalken creëerde. Een roman heeft een partituur, er is structuur. Ik heb de techniek geleerd om poëzie te schrijven. Nu moet ik mij de techniek van het roman schrijven eigen maken. Ik worstel momenteel nog met de structuur.
Steven: Tijdens haar openingsrede op het festival brak Nisrine Mbarki, dichter der Nederlanden, een lans voor wat zij “fugitivity poetics” noemde, verwijzend naar de cultuurtheoretische inzichten van Fred Moten en Saidiya Hartman. Voor haar komt het erop neer dat je een ruimte terug claimt en die ruimte is de poëzie. In die ruimte kan de dichter bewegen, weerstand bieden tegen of weigeren toe te geven aan bepaalde dominante narratieven of vormen die steeds eenduidigheid of transparantie vooropstellen. Zou het kunnen dat die ruimte voor jou ook veel natuurlijker aanvoelt dan de meer universele, rationele structuren die een roman schragen?
Lynthia: Ik besprak dit met Ingrid Winterbach. Zij adviseerde me om mijn werk niet te laten opsluiten in de doos van een formele Westerse roman en zijn structuur. Laat je voorouders tot je spreken. Je moet de romantechniek aanleren om die techniek te kunnen (ver-)breken. De regels aanleren om hen te kunnen overtreden, om ze tijdens het schrijfproces overboord te kunnen gooien. Na dit festival doe ik een schrijversresidentie aan het Spui in Amsterdam (waar eerder onder anderen Ronelda Kamfer en Nathan Trantraal te gast waren) om de roman af te werken.
Steven: Maar je bent dus vertrouwd met het concept van fugitivity waar Mbarki het tijdens dit festival meermaals over had.
Lynthia: Ja, ik ken het concept. Ik schreef een gedicht naar aanleiding van mijn tocht van Springbok naar Kimberley. Ik ervoer dat ik te “Nama” ben, te veel “Namakwa” voor Springbok en Kimberley. Ik ben “de Ander”. Het is één provincie, maar die provincie bestaat wel uit verschillende werelden. Als je van de ene stad afkomstig bent, ben je in de andere stad nog altijd de “andere”. Zo werkt het in Noord-Kaap. Je moet als dichter je zelf uit de positie van “de ander” weten te schrijven. Dat is belangrijk voor mij. Als je mij in een doos stopt, begin ik te vechten. Dan moet ik mij daaruit schrijven. Me bevrijden door middel van mijn poëzie. Dat is fugitivity voor mij.
Steven: Hoe staat een hedendaagse Zuid-Afrikaanse schrijver in een postkoloniaal tijdperk tegenover het begrip identiteit?
Lynthia: Ik voel me erg oncomfortabel bij dit begrip. Dichters uit mijn streek worden steeds “bruin dichters” of “coloured” dichters genoemd. Niemand noemt de blanke dichters witte dichters. Ze noemen hen dichters. Wat je ook schrijft als “coloured” dichter, het wordt altijd in verband gebracht met identiteit. Het begrip identiteit is een beetje zoals die doos waarover ik daarnet sprak. Ik zal niet beweren dat identiteit als thema niet voorkomt in mijn werk, maar mijn werk mag er niet systematisch vanuit een Westerse invalshoek mee geassocieerd worden. Dichter Danie Marais heeft het over “whiteness” en identiteit. En toch noemen ze hem nog altijd geen “witte dichter”. Terwijl ik altijd de gekleurde dichter ben die zich door identiteit laat inspireren.
Steven: Je kreeg gisteren meerdere vragen over spoken word. Je antwoordde dat je niet echt vertrouwd bent met deze vorm. En je voegde er ook aan toe dat spoken word meer tot de Engelstalige cultuur in Zuid-Afrika behoort.
Lynthia: Ja, dat klopt. Je hebt auteurs zoals Pieter Odendaal die wel spoken word creëren. Maar het is toch een kleine minderheid in het Afrikaans. Zelf worstel ik met deze vorm. Tijdens een optreden wil ik mijn gedichten voorlezen zoals ze voor me op papier staan. Ik houd niet van het woord performing. Het is alsof de dichter zich verschuilt achter een façade. Op een podium ben ik Lynthia. Het lyrisch subject spreekt tot het publiek.
Steven: Bestaan er verschillende nationale literaturen in Zuid-Afrika?
Lynthia: Absoluut. Sommige dichters schrijven in het Sotho, andere dan weer in het Zoeloe. Dat is de rijkdom van een land met elf officiële talen. Het is belangrijk om de literatuur in al die verschillende talen te omarmen. Een mooi initiatief is de AVBOB poetry competition. Gedichten kunnen worden ingezonden in elk van de elf officiële schrijftaalvarianten van Zuid-Afrika. Elk jaar wordt er een winnaar bekend gemaakt. De gedichten worden gepubliceerd. De bloemlezing waarin al die literaire talen elkaar ontmoeten, is belangrijk voor het literaire veld. Dat is voor mij de essentiële betekenis van onze Zuid-Afrikaanse literatuur. De verschillende talen, dialecten en beelden komen samen in één boek.
Steven: Is de literatuur in je land meertalig in de eigenlijke zin van het woord?
Lynthia: Absoluut. De meertaligheid beperkt zich niet tot het feit dat elke taal zijn literatuur heeft. Er zijn wel degelijk cross-overs tussen de talen. Ik had het dit weekend met Jörgen Gario over het interview tussen Chomsky en Foucault. Het was een debat. Ze startten het debat in het Engels. Toen Foucault reageerde dat hij het gesprek niet in het Engelse wilde voeren, schakelden ze over naar het Frans. Indien ik dat als Afrikaanse dichter zou doen, dan zou men mij dom en minderwaardig vinden. Omdat ik intellectueel niet in staat zou zijn om een gesprek in vloeiend Engels te spreken. Het is een uitdaging om onze taaleigenheid te kunnen behouden zonder dat er op ons neergekeken wordt.
Steven: Tijdens het programma op Poetry International stelde je dat poëzie om het verleden draait. Kan je dat verklaren?
Lynthia: Het komt erop neer dat je het verleden moet kennen. Hoe kan ik over Namakwaland in de Noord-Kaap schrijven, wanneer ik me niet ten volle realiseer dat daar de Nama’s als etnische groep leefden? Hoe kan je schrijven zonder je geschiedenis te kennen? Wil ik in het Gariepafrikaans over de geschiedenis van de Noord-Kaap schrijven, moet ik het verleden van mijn streek kennen. Kijk, je hoeft in een goed verhaal de feiten niet te noemen. Maar je moet ze wel kennen. In mijn debuutroman staat de geschiedenis van Klein Namakwaland centraal. Een schrijver moet zich bewust zijn van wat er in 1800 gebeurde. Hoe de Nama volken leefden, aten, welke talen ze spraken … Je moet je die geschiedenis ten minste eigen maken om erover te kunnen schrijven. Jezelf kennen is je geschiedenis kennen.
Steven: Taal is politiek in Zuid-Afrika. Kan poëzie een middel zijn om gemeenschappen samen te brengen ondanks een politiek verleden van minder- en meerderheden, van discriminatie … Kan literatuur verschillende taal-en cultuurgemeenschappen verenigen?
Lynthia: Literatuur in haar totaliteit is een medium om mensen samen te brengen. Of het nu om toneelstukken, romans of poëzie gaat. Luister. Taalgrenzen zijn politiek in Zuid-Afrika. Maar dat is slechts een deel van het verhaal. Eigenlijk is alles politiek in ons land.
Steven: ik kan men voorstellen dat er in dit land zoveel verschillende collectieve geheugens bestaan?
Lynthia: Ja dat is zo. En tegelijkertijd ook gelijklopende collectieve geheugens. Dat is wat kunst mooi maakt. Kunst kan mensen samenbrengen. Ik las een boek over de traditionele Xhosa-initiatierite ulwaluko. Dit is een van de belangrijkste overgangsrituelen van jongen naar man in veel Xhosa-gemeenschappen in Zuid-Afrika. Ik ben niet vertrouwd met de Xhosa-cultuur en dus vond ik het verhaal ver gezocht. Voor mij voelde het niet waarachtig genoeg aan. Zo was er sprake van één geit in het berglandschap, terwijl ik ervan uitging dat er minstens drie zouden moeten zijn. Dat is de essentie. Literatuur is een manier om culturen te leren kennen. Taal en literatuur zijn in staat om verschillen te overbruggen.
Steven: Literatuur om inzicht te verwerven in andermans cultuur en er op die manier ook meer begrip voor te krijgen?
Lyntia: Correct. Het gaat altijd om “leren” en “beter leren begrijpen”.
Steven: Kan het zo ver gaan dat poëzie en literatuur zelfs ertoe zouden kunnen bijdragen dat gekleurde mensen meer inzicht zouden kunnen verwerven in de wetmatigheden, de logica, de oorzaken van apartheid?
Lynthia: Je moet altijd iemands anders positie leren begrijpen. Als het over apartheid gaat, willen wij van elkaar niets leren. Wij willen andermans pijn niet erkennen. Het doet me denken aan het boek Waarom ik niet meer met witte mensen over racisme praat van Reni Eddo-Lodge. Hoe kan je racisme bewijzen? Dat kan je niet. In mijn eerste jaar aan de universiteit was ik de enige gekleurde student in de klas. Er was een professor die mijn essay afkeurde en die het op de bank van een blanke student gooide om het aan mij te geven. Hoe kan ik het racisme van zo’n handeling bewijzen? Ik wist dat hij geen gekleurde studenten in zijn klas wilde. Maar ik kon dat niet bewijzen.
Steven: Je bent de Winnaar van de South African Literary Award (2020) voor je bundel Uit die kroes. Wat betekent dit voor u?
Lynthia: Het is een prijs voor het beste debuut. Ik hoop dat zo’n prijs zo weinig mogelijk mijn werk beïnvloedt. Maar het speelt natuurlijk wel in je achterhoofd mee als je aan een nieuw literair project werkt. Verder zijn zo’n waarderingen ook relatief. Dat heeft met mijn afkomst te maken. Toen ik mijn moeder belde om haar te laten weten dat ik de prijs had gewonnen, vroeg ze me om de volgende dag terug te bellen. Ze was naar een soap op de televisie aan het kijken (lacht).
Steven: Je ontving ook een Rabie–Marjorie Wallace Writers’ Bursary (2024) om je werk in het Gariepafrikaans uit te diepen?
Lynthia: Ik heb die beurs gekregen om een tijdje van mijn werk te kunnen leven en me volop te kunnen focussen op het schrijven van een boek. Dat boek zal de eerste roman zijn in het Gariepafrikaans, tenminste in het Nama-Gariepafrikaans. Nama is een variant binnen het Gariepafrikaans. Mijn Afrikaans is sterk beïnvloed door Nama. Maar omdat ik de taal niet vloeiend kan spreken, moet ik hem aanleren.
Steven: Je schrijft in meer dan één variant van het Afrikaans. Kan je dat ook een vorm van meertaligheid noemen?
Lynthia: Ja absoluut. Onder de paraplu van Gariepafrikaans schuilen talen zoals het Griekwa-afrikaans en het Nama-afrikaans. Zo’n talen zijn zeer streekgebonden. En dus is het belangrijk om je bewust te zijn van de streek waarbinnen je schrijft. Ik kan Griekwa-afrikaans verstaan, maar ik kan het niet vloeiend schrijven.
Steven: Kan zo’n award of beurs ertoe bijdragen dat literatuur in het Gariepafrikaans op termijn erkend kan worden als een vorm van nationale literatuur, terwijl het nu misschien als literatuur in een regiolect wordt beschouwd?
Lynthia: Zo’n waarderingen kunnen ertoe bijdragen dat deze literatuur wordt beschouwd als een deel van de Afrikaanse canon. Net zoals Kaapsafrikaans zou het moeten beschouwd worden als een individuele, onderscheiden sectie binnen de Afrikaanse canon en niet als bijvoorbeeld regionale literatuur. Het is een belangrijk deel van de Zuid-Afrikaanse en de Afrikaanse literatuur. En het klopt dat zo’n beurs erg belangrijk is om dat boek te kunnen schrijven en op die manier ook bij te dragen tot de erkenning van de literatuur in die taal. Zonder die beurs zou dat financieel niet lukken.
Steven: Naast de vorming van een nationale literatuur knopen schrijvers ook transnationale relaties aan met het eigen of een ander taalgebied. Hoe sta jij daar tegenover?
Lynthia: Ik heb gisteren goed geluisterd naar de openingsrede van Nisrine Mbarki. Ik noemde haar deze morgen mijn zus. Continenten mogen nooit grenzen opwerpen. We zijn allemaal één. De boodschap van Mbarki was een pleidooi voor poëzie als een manier, een “plaats” om weerstand te bieden tegen discriminatie. En dat vond ik erg frappant. Nederland is niet de Noord-Kaap. Het is niet Namakwaland. Jullie leven in een ontwikkeld land. En toch worden jullie hier met dezelfde problemen geconfronteerd als in een derdewereldland. Tien uur vliegen verschil. Twee verschillende continenten en toch één strijd. Om die reden voel ik een heel sterke connectie. Dit gaat recht naar de essentie van ons bestaan. Naar de “grond” van de zaak. Het gaat over het humane. Ooit, als ze oud genoeg is om het te begrijpen, moet mijn dochter die boodschap horen.
Steven: Je kent de functie van ‘poet laureate’ in Zuid-Afrika (SALA). Hoe belangrijk is die functie voor de literatuur in Zuid-Afrika en voor de samenleving? En zou die functie niet jonger en meer vrouwelijk moeten worden ingevuld? Nu zou de indruk kunnen ontstaan dat de titel wordt toegekend als een eretitel voor literaire verdiensten, een soort life achievement award.
Lynthia: Ik denk niet dat de keuze bepaald moet worden door leeftijd, generatie of gender. Ik wil erkend worden als Lynthia Julius, niet als de vrouwelijke dichter. Los daarvan heb ik niet de indruk dat die functie echt leeft in Zuid-Afrika. Jij weet wie de nationale dichter van Nederland of België is. In Zuid-Afrika is dat geen evidentie. Ik ben niet vertrouwd met die functie. Ik weet ook niet of dit gebrek aan interesse te wijten is aan de beperkte promotie rond de functie. Ik denk dat het gewoon geen groot deel van ons literair landschap uitmaakt. Maar dat is natuurlijk mijn mening. SALA is een onafhankelijke organisatie. Niettemin is er wel een debat over literatuur en politiek in mijn land. In 2021 werd Ronelda Kamfer uitgeroepen tot regionale “Poet Laureate” van de Oost-Kaap in het kader van de Zuid-Afrikaanse Literaire Prijzen (SALA). Kamfer heeft zich toen uitdrukkelijk gedistantieerd van wat we de “politics” of dergelijke prijzen zouden kunnen noemen. Zelf durf ik niet echt stellen dat de SALA-awards politiek gedreven zijn en mochten ze dat wel zijn, zou ik dat beschamend vinden. Ik heb die award gekregen en ben daar ook dankbaar voor.
Steven: Gisteren vroeg men aan u wat je zou doen als je geen schrijver zou geworden zijn. En je antwoordde dat je dan moeder zou zijn. Ik vond het best een verrassend antwoord. Bekijk ik zo’n antwoord nog te veel vanuit een patriarchaal en dus Westers perspectief?
Lynthia: Mijn antwoord houdt inderdaad verband met een meer matriarchaal perspectief op de samenleving. Toen ik jonger was, wilde ik geen kinderen. Ik wilde mijn eigen leven kunnen leiden en daar hadden kinderen in eerste instantie geen plaats in. Maar toen ik zwanger werd, ben ik innerlijk helemaal veranderd. Ik heb het na mijn bevalling moeilijk gehad, maar ik heb eruit geleerd. Ik heb geleerd ook om moeder te zijn. Ik kom niet uit een cultuur waarin ouders zich verontschuldigen jegens hun kinderen. Nu heb ik geleerd om mij oprecht te verontschuldigen. Vanuit een zelfinzicht. Me leren verontschuldigen behoort tot het proces dat ik als moeder heb doorgemaakt. Vroeger vocht ik altijd. Nu ben ik zachter geworden. En dat in een land waar het elkaar bekampen haast tot het DNA behoort. Kijk, wanneer ik een nieuwe bundel schrijf, zal het moederschap daar een invloed op uitoefenen. Ik pas momenteel censuur toe op mijn eigen werk. Mocht ik nu over bepaalde dingen schrijven, zou het mijn kind kwetsen. Om mijn kind te respecteren en te beschermen, wil ik er pas over schrijven wanneer het oud genoeg is om het te begrijpen en ik er met haar kan over converseren. Nu zijn mijn gevoelens en mijn ervaringen nog te sterk en te hevig. De tijd zal voor een zekere afstand zorgen. En die afstand is opnieuw een manier om mijn kind in bescherming te nemen. Dat is helemaal anders wanneer het bijvoorbeeld om thema’s als seksualiteit gaat. Mijn zus vroeg me om die thematiek nog even uit te stellen omdat onze ouders er nog zijn en hun generatie daar terughoudender tegenover staat. Maar mijn ouders zijn volwassen mensen. Ik hoef die niet te beschermen zoals mijn kind.
Daarnaast zie ik het schrijven momenteel ook meer als een dagelijkse routine. Het is mijn job geworden. Een routine naast het moederschap.
Steven: Vanavond zal je op het festival ook poëzie voordragen. Hoe heb je je gedichten geselecteerd? Welk beeld van jouw werk en schrijversprofiel hoop je aan de hand van deze selectie te schetsen? Welke boodschap hoop je over te brengen op het publiek?
Lynthia: De eerste reeks gedichten gaat over vrouwelijke seksualiteit. Ik herinnerde me levendig een situatie uit mijn kindertijd in Kimberley (hoofdstad van de provincie Noord-Kaap). Het was een gesprek onder mannen en vrouwen. De mannen spraken over seks. Toen ik mij mengde in het gesprek, nam één van de mannen me apart en zei: het is vrouwen niet toegestaan om aan dat soort gesprekken deel te nemen. Ik dacht meteen: met welk recht kan jij dat tegen mij zeggen? Jij bent ter wereld gekomen door een geslachtsdaad tussen man en vrouw. Maar het is eigen aan onze streek. Seksueel verlangen bij vrouwen is een taboe. Terwijl ik er juist van overtuigd ben dat je seksualiteit moet vieren. Mijn eerste verzen gaan dus over vrouwelijke seksualiteit en genot. Een tweede reeks gedichten handelt over miskramen. Toen ik voor mijn bundel externe feedback kreeg, vertelde de redacteur mij dat het de eerste keer was in de Afrikaanse literatuur dat een auteur over miskramen schreef. In 2023-2024 maakten zeven van mijn vrienden en familieleden een miskraam mee. Daar mocht niet over gesproken worden. Mijn vrienden vonden het dan ook niet fijn dat ik erover schreef. Maar als ik erover schrijf, is het omdat ik mensen wil bewust maken van het probleem.
Mijn derde reeks heeft betrekking op fenomenen zoals Holocaust of nazisme. Toen mijn moeder verhuisde van Kimberley naar Springbok, werd het zonneklaar dat het leven van gekleurde mensen niets waard blijkt te zijn. Ik herinner me een anekdote. Toen we gingen vissen, kwamen we een landbouwer tegen. Toen hij ons opmerkte, was het alsof hij stront zag. Hij schreeuwde en bedreigde ons met een geweer. Toen diezelfde landbouwer zijn paarden door een poort naar de weg dreef, riep hij ons toe: weten jullie wel hoe kostbaar paarden zijn? Het eerste wat bij me opkwam, was de idee dat mijn gekleurde leven blijkbaar voor de man minder waard was dan zijn dure paarden. Maar dat was nog niet het ergste. Daarna zag ik gekleurde landarbeiders terugkwamen van hun werk op de boerderij. Het waren oude mannen. Ze waren ouder dan mijn grootvader. De landbouwer wilde voor hen de poort niet openen, terwijl die poort geen toegang gaf tot zijn private eigendom, maar tot publiek domein. Toen ik in actie wou komen, smeekten de mannen mij om dat niet te doen. Ik had er geen idee van wat hij hen zou aan doen wanneer ik de poort terug opende. Daar gaat mijn laatste gedicht over. Het gaat over apartheid en over het feit dat ik opgelucht was dat mijn broer niet in de buurt was. Hij zou zich niet rustig hebben gehouden. Hij zou niet hebben gezwegen. Het is niet ondenkbeeldig dat de landbouwer mijn broer zou hebben neergeschoten. Hij zou zijn mening hebben geuit. Het gedicht gaat over het gevoel dat die landbouwer me bezorgde. En je gevoel vergeet je nooit.
Kijk, in onze gemeenschap hebben we veel respect voor oudere mensen. Wanneer oudere mensen een smeekbede moeten richten tot kinderen, is dat echt de omgekeerde wereld in onze cultuur.
Bruinfuga
Lynthia Julius
Bruin melk van die voordag
ons drink jou saans
ons drink jou namiddag
en middeloggend
ons drink jou in die ounag
’n digter bly in die huis
sy speel met haarself en skryf
sy skryf in Eskom-blackout
aan Suid-Afrika
jou vaalbruin hare, Ryan
sy skryf en sit saans voor die voordeur
die sterre kraam en sy fluit vir eensaamheid
om weg te gaan
sy fluit vir hotnots om te kom
grawe ’n gat in ’n slaggat
sy sien die jolly good hotnots dans
bruin melk van tjailatyd ons drink jou saans
ons drink jou oggende en middae
ons drink jou vroegaand
ons drink en ons drink
’n digter bly in die huis
sy speel met haarself en skryf
sy skryf as BBBEE die tafel donker maak aan Suid-Afrika
jou pikswart hare, Nathaniel
ons grawe die groot gat in Kimberley
hou aan betaal die koning die imperialisme
wat hom toekom
die boer voor Grootdrink kloof ’n gat in jou syn
jy en jou suster
en jou broer vêr wat nie hoor nie en visvang
hy gryp na die yster in sy sy
en sê sy Afrikaner-r terwyl hy praat van
julle government
jy vries dankbaar dat jou broer weg is
jy weet hy sou hom skiet
bruin melk van namiddag ons drink jou vanaand
ons drink jou middag ons drink jou ounag
ons drink en ons drink
’n meid bly in die huis
jou vaalbruin hare, Ryan
jou pikswart hare, Nathaniel
sy speel met haarself
hy roep die dood om die hotnots te kom haal
dood is ’n baas in die demokrasie ná apartheid
hy roep sy voorouers wat die grond gevat het
hy rook sy pyp en sy plaaswerkers bly stil
en dis ook ’n graf
as grootmense stilbly vir ’n kind wat wil huil
bruin melk van tjailatyd
ons drink jou vroeg – en ounag
ons drink jou middag
ons drink en ons drink
dood is ’n nooi in die demokrasie ná apartheid
haar kinners het almal grond
haar man sou die hotnotkinners weggestuur het
met bullets in hulle kop
’n meid bly in die huis
jou vaalbruin hare, Ryan
hy vloek oor perde
sy dooies het grafte in ’n kerkhof op sy plaas
hy speel met sy plaaswerkers se pay
en droom
die NP is nog steeds aan bewind
jou vaalbruin hare in Tarkastad, Ryan
jou pikswart hare in Eldos, Nathaniel
*
Bruine Fuga
Vertaling: Alfred Schaffer
bruine melk van de dageraad
we drinken je ’s avonds
we drinken je laat in de middag
en laat in de ochtend
we drinken je na middernacht
een dichter woont in het huis
ze speelt met zichzelf en schrijft
ze schrijft tijdens een stroomuitval
aan Zuid-Afrika
je vaalbruine haar, Ryan
ze schrijft en zit ’s avonds voor de voordeur
de sterren kramen en zij fluit om de eenzaamheid
te verdrijven
ze fluit zodat de hottentotten komen
ze graaft een gat in een kuil
ze ziet de olijke vrolijke hottentotten dansen
bruine melk voor na werktijd we drinken je ’s avonds
we drinken je ochtenden en middagen
we drinken je vroeg in de avond
we drinken en drinken
een dichter woont in het huis
ze speelt met zichzelf en schrijft
ze schrijft als Black Economic Empowerment de tafel verduistert aan Zuid-Afrika
je pikzwarte haar, Nathaniel
we graven het grote gat in Kimberley
we blijven de koning het imperialisme
betalen wat hem toekomt
de boer die vlak bij Grootdrink woont hakt een gat in je wezen
van jou en je zus
en je broer die niets hoort en ver weg aan het vissen is
hij grijpt naar het stuk ijzer bij zijn heup
en rolt zijn vette Afrikaner ‘r’ terwijl hij praat van
jullie regering
je verstijft, dankbaar dat je broer hier niet is
je weet dat hij op hem had geschoten
bruine melk van de namiddag we drinken je vanavond
we drinken je ’s middags we drinken je na middernacht
we drinken en drinken
een dienstmeid woont in het huis
je vaalbruine haar, Ryan
je pikzwarte haar, Nathaniel
ze speelt met zichzelf
de boer roept de dood op om de hottentotten te komen halen
de dood is een baas in de democratie na apartheid
hij roept zijn voorouders die het land hebben gejat
hij rookt zijn pijp en zijn landarbeiders blijven stil
en een graf is ook
volwassenen die zwijgen tegen een kind dat wil huilen
bruine melk voor na werktijd
we drinken je vroeg – en na middernacht
we drinken je ’s middags
we drinken en drinken
de dood is een dame in de democratie na apartheid
al haar kinderen bezitten grond
haar man had die hottentotkinderen zeker weggestuurd
met een kogel door hun kop
een dienstmeid woont in het huis
je vaalbruine haar, Ryan
hij vloekt op de paarden
zijn doden liggen begraven op het kerkhof op zijn erf
hij wedt met het loon van zijn landarbeiders
en droomt
dat de apartheidsregering nog aan de macht is
je vaalbruine haar in Tarkastad, Ryan
je pikzwarte haar in Eldorado Park, Nathaniel
Steven: Bedankt voor dit interview Lynthia.
Eindnoot
1 https://herzienestatenvertaling.nl/teksten/spreuken/18#8
Interview: Steven Van de Putte
Lees ook:
Tweespraak met Lynthia Julius: "Daar’s ’n kokerboom in my hart wat wil groei"


