Kijken maakt gelukkig: Gawie Keysers intens persoonlijke visie op film

  • 0

In Kijken maakt gelukkig combineert Gawie Keyser, filmcriticus van De Groene Amsterdammer, beschouwingen over film met verhalen uit zijn eigen leven. Zijn passie voor het medium begon in zijn jeugd met een kleine filmprojector in een kast in Durban, Zuid-Afrika. Later, in Nederland, zullen films hem en zijn gezin helpen om een traumatische gebeurtenis te verwerken.

Gawie Keyser is filmcriticus van De Groene Amsterdammer. Daarnaast geeft hij colleges over film en leven aan The School of Life in Amsterdam. Eerder verschenen van hem Encyclopedie van de populaire cultuur (2006) en de roman De donkere kant van de straat (2009). In 2012 ontving hij voor zijn essays over film en cultuur de Louis Hartlooper Prijs; volgens de jury slaagde Keyser erin “film op een hoger plan […] te tillen door er met liefde, passie én verhelderende inzichten te schrijven”.

Dezelfde kwaliteiten vinden we terug in Keysers recente essaybundel Kijken maakt gelukkig. Hoe film ons leert om beter te leven. Het boek bestaat uit negen afgeronde, thematisch verbonden essays die samen één groter essay vormen, en vanaf de eerste bladzijde valt op hoe de auteur zijn ideeën over de effecten die film op een mens kan hebben, illustreert met voorbeelden uit zijn eigen leven.

Film als proeftuin voor het leven

Op die eerste bladzijde vertelt Keyser namelijk al dat hij gescheiden is, na een huwelijk van meer dan twintig jaar. Wat er precies is gebeurd, komen we niet te weten. Maar uit alles blijkt dat Keyser nog steeds van zijn ex-vrouw houdt en dat hij verscheurd wordt door verdriet. “Met de jongen, zijn zusje van twaalf en zijn broertje van tien ging ik in een appartement wonen”, schrijft hij. “Via co-ouderschap probeerden we de impact van deze traumatische gebeurtenis voor ons allemaal, maar vooral voor de kinderen, zoveel mogelijk te verzachten.”

Samen met zijn drie kinderen, Oscar, Julia en Vic, ontdekt Keyser een manier om “de horror van verdriet en verlies te beteugelen”: popcorn en “verrassingsfilms”. De films helpen hen om hun emoties te kanaliseren. Van Tarzan-films blijkt onder deze omstandigheden bijvoorbeeld een merkwaardige troost uit te gaan. Wie goed kijkt, schrijft Keyser, ziet dat Tarzan, Jane en hun kind Boy in hun “bizarre, geavanceerde boomhut” samen eigenlijk het ideale gezin uit een nieuwbouwwijk uit de jaren vijftig vormden. De films verlopen telkens volgens hetzelfde patroon. De paradijselijke staat van het begin van de film wordt door een crisis tijdelijk verstoord, maar aan het eind weer keurig hersteld. Er was geen therapeut voor nodig, merkt Keyser op, om te begrijpen waarom deze films hem en zijn al even geschokte kinderen zo goed deden.

“Film biedt ons de kans om [lijden én genot] te ervaren zonder dat we er kapot aan gaan”, constateert Keyser. “Film biedt ons toegang tot kennis. Film is een filosofie, een proeftuin waarin het leven zich manifesteert als een serie voorbeelden, als scenario’s met problemen en oplossingen waar we iets mee kunnen, niet in de laatste plaats om onszelf ten einde te leren kennen.”

Hoe word ik een beter mens?

Natuurlijk ziet Keyser film niet slechts als “comfortfood”. In Kijken maakt gelukkig gaat hij op zoek naar de “beste, meest aangrijpende werken waarin thema’s naar voren komen die ons, eenmaal geanalyseerd en begrepen, helpen om beter te leven. En om via de ‘stukjes van onszelf’ die we op het scherm zien beter en echter te voelen wat diep in ons speelt”.

De films die Keyser voor ons, lezers, heeft uitgezocht – net zoals hij voor zijn kinderen op een druilerige zondagmiddag “verrassingsfilms” uit de kast toverde – bestrijken, in min of meer chronologische volgorde, de hele filmgeschiedenis, van Carl Theodor Dreyers La Passion de Jeanne d'Arc, een stomme film uit 1928, tot Clair Denis’ High Life, een sciencefictionfilm uit 2018. Tussen die twee uitersten bespreekt Keyser onder meer het werk van cineasten van de zogenaamde “transcendentale stijl” (naast Dreyer ook Budd Boeticher, Yasujiro Ozu, Robert Bresson en Paul Schrader), films van grootmeesters Orson Welles en Alfred Hitchcock, en de opkomst van de nouvelle vague in Frankrijk (Alain Resnais, Agnès Varda en Jacques Demy).

Keyser onderzoekt wat deze films ons kunnen leren over thema’s als twijfel, spiritualiteit, je ware aard, tijd en herinnering, angst, en de strijd tussen lichaam en geest. Vanuit zijn grote kennis van het medium plaatst hij de opeenvolgende stromingen in hun historische context, goochelt hij met oude en eigentijdse schrijvers en filosofen (van Aristoteles tot Deleuze), maakt hij inzichtelijk met welke technische middelen de regisseurs bepaalde effecten teweegbrengen en laat hij zien hoe de films spelen met hun eigen traditie; hoe de ene film de andere citeert en voorbijstreeft. Keyser neemt de lezer mee, hij legt uit met dezelfde generositeit en mildheid waarmee hij zijn eigen kinderen iets zou leren.

Zuid-Afrika, land in een “psychose van geweld”

Keysers belangstelling voor films stamt al uit zijn kindertijd in Zuid-Afrika. Keyser had een (voor een wit kind) typische Zuid-Afrikaanse jeugd, met rugby, uitgerekte “Sunday lunches” en decembervakanties aan zee. Tijdens een van die vakanties aan het strand van Durban kreeg hij, als jongetje van 10 of 11, voor zijn verjaardag zijn eigen filmprojector. Omdat het felle zonlicht tot in elke hoek van het vakantieappartement doordrong, kroop hij weg in een donkere kast om films te kunnen kijken. Dit moment onthult volgens Keyser zijn ware aard; het is even bepalend voor wie híj is als het beroemde “Rosebud”-motief in Orson Welles’ Citizen Kane.

Keyser ontmoette de jonge vrouw die later zijn vrouw en de moeder van zijn kinderen zou worden toen ze allebei in Amerika studeerden. Zíj kwam uit Nederland, híj uit Zuid-Afrika. Er komen in het boek meerdere treffende passages over zijn geboorteland voor. Johannesburg, schrijft Keyser bijvoorbeeld, “was een stad waar ik mij koning voelde. Ik kende het chaotische netwerk van doorgangswegen en secundaire wegen en zijweggetjes als de palm van mijn hand. Ik wist waar de beste bars en discotheken waren. Ik wist waar je om drie uur ’s ochtends naar een tweedehands boekenwinkel kon gaan en daarna een gegrilde kip kon nuttigen, wat ik als student vaak deed. Ik wist waar je illegaal geïmporteerde sigaretten kon kopen. We zaten namelijk toen midden in de internationale sancties tegen het land vanwege de apartheidsideologie. De stad had vele geheimen, maar het was alsof ik de encryptiesleutel in mijn hoofd had. Ik kon door de codes van de tastbare werkelijkheid heen zien, zodat wat er echt onder de oppervlakte lag zichtbaar werd. Dit was mijn stad, dit was mijn zekerheid, mijn betekenis, mijn waarheid. Dit kwam op losse schroeven te staan – vanwege de liefde.”   

Psycho, de beroemde horrorfilm van Alfred Hitchcock, zag Keyser voor het eerst als eerstejaars film- en literatuurstudent in Johannesburg. Volgens Keyser doorbrak Hitchcock met Psycho de ongeschreven regel dat filmkijken “leuk” moest zijn, een aangename ervaring begeleid door de geur van popcorn. Hitchcock was niet geïnteresseerd in verhaal of moraal; hij gebruikte nieuwe technieken om een effect bij de lezer teweeg te brengen: angst. De emotie die de film bij de release in 1960 opwekte, resoneerde met de tijdgeest. Dat gold zeker voor Zuid-Afrika, want 1960 was het jaar van het Bloedbad van Sharpeville. En het gold ook nog voor de jaren tachtig, toen Keyser student was. “Het was niet zozeer een ‘cultuur’ van geweld die circa midden jaren tachtig in Johannesburg heerste, meer een psychose van geweld”, schrijft hij. De onuitsprekelijke geweldsdelicten die er iedere dag plaatsvonden, waren zoals in een koortsdroom. […] De stad was op dat moment, toen ik bij het meer hand in hand liep met Jenny, in de greep van angst. Collectieve angst. Persoonlijke angst. Hoe kon het dat Psycho dit zo akelig accuraat vangt?”  

Ingevroren moedermelk

Zoals gezegd gebruikt Keyser zijn eigen ervaringen om te laten zien hoe films ons kunnen helpen om “beter te leven”. Die ervaringen draaien óf om zijn jeugd in Zuid-Afrika óf om zijn stukgelopen huwelijk en de band met zijn kinderen. Daarbij is Keyser, die ergens te kennen geeft dat hij niet van ironie houdt, opmerkelijk intiem. Hij vertelt over de geboorte van zijn oudste zoon en over hoe hij blokjes afgekolfde en ingevroren moedermelk ontdooide om zijn kinderen de fles te geven. Ook zien we hem met zichzelf worstelen als hij tegen beter weten in tóch in brabbeltaal vervalt: “Ik neem me voor om straks wat sonnetten [van Shakespeare] aan [de baby] voor te lezen.”

Keysers persoonlijke herinneringen zijn niet alleen functioneel als toetssteen voor zijn ideeën over de werking van films. Ze vormen ook een extra verhaallijn die parallel loopt aan de filmgeschiedenis (“van vertrouwd tot vervreemdend”) én doordat de herinneringen a-chronologisch worden aangeboden, dienen ze tevens als demonstratie van filmische technieken die we met name kennen uit het werk van de door Keyser bewonderde Hitchcock.

Dit alles maakt Kijken maakt gelukkig een sympathiek boek dat getuigt van liefde voor films, eruditie, een levensbeschouwelijke inslag en een warme, diepe menselijkheid. Daarnaast betoont Keyser zich een vaardige, eloquente en boeiende verteller.

Buro: IG
  • 0
Top