Gesprekken tussen vluchtelingen
Bertolt Brecht
Roman
Oorspronkelijke titel: Flüchtlingsgespräche (1956)
Vertaald door Elbert Besaris.
Amsterdam: Uitgeverij Jurgen Maas
2025
168 blz.
Roman, bijna voltooid in 1941, met veel zeer aansprekende passages: lichtvoetig en scherp. Gesprekken in Helsinki tussen twee vluchtelingen, een intellectueel en een arbeider, aangevuld met enkele fragmenten. (138–166)
- Bewogen tijdsbeeld van de opkomst van Hitler, veelal aangeduid als Hoeheetienou.
- Vertaling wat wisselend. Bijvoorbeeld: “de witbedeurde toilethokjes”. (99)
- Sterfjaar van Brecht wordt onjuist weergegeven:1958 i.p.v. 1956.
Opmerkelijke passages
- “Het nobelste deel van een mens is zijn paspoort. Een paspoort ontstaat ook niet zomaar, niet zo kinderlijk eenvoudig als een mens. Een mens kan overal ontstaan, totaal onbezonnen en zonder logische reden, een paspoort niet. Daar krijgt hij, als het een goeie is, ook erkenning voor, terwijl een mens nog zo goed kan zijn maar toch niet wordt erkend.” (7)
- Over religie (18–19)
- Over onderwijs (27–30): “De leerling leert alles wat nodig is om vooruit te komen in het leven. Dat is hetzelfde wat nodig is om op school vooruit te komen. We hebben het over valsspelen, kennis voorwenden, de kunst van de straffeloze wraak, je gemeenplaatsen vlot eigen maken, bereidheid om je gelijken te verlinken aan een hogergeplaatste und so weiter und so fort. (…) Maar het belangrijkste is mensenkennis. Die wordt verworven in de vorm van lerarenkennis. De leerling moet de zwakten van zijn docent leren herkennen en uitbuiten, anders zal hij zich er nooit tegen kunnen verweren een kluwen van compleet waardeloze bildung door de strot geduwd te krijgen.” (27)
- “Niet geremd door enige inhoudelijke interesse kon hij zich erop toeleggen om de zieltjes van die jonge mensen te ontwikkelen en ze alle vormen van bedrog bij te brengen. Zo stoomde hij ze klaar voor hun eerste stappen in een wereld waarin ze zijns gelijke zouden tegenkomen: mismaakte, beschadigde, gewiekste mensen.” (29)
- “De regering van de republiek was niet goed en niet slecht, al met al eerder goed dus, want de ministers bemoeiden zich alleen met hun eigen zaken – elkaar baantjes toeschuiven en dergelijke – en de mensen met wie ze alleen zijdelings te maken hadden, het volk dus, lieten ze min of meer met rust.” (45)
- “'Over het algemeen wordt er van de Sterke Mannen tegenwoordig te veel verwacht. Geen wonder dat ze niet kunnen voldoen aan de absurde eisen.” (49)
- “Alle grote ideeën lopen stuk op mensen.” (52)
- “Een bezorgde militair expert schreef in de krant dat de burgerbevolking een groot probleem is geworden voor het leger.” (53)
- “Noem het een zwakte, maar ik ben niet zo humaan dat ik bij de aanblik van zoveel onmenselijkheid nog mens kan blijven.” (57)
- Over Zwitserland (71–73): “een land dat beroemd is om de vrijheid die je er kunt genieten. Maar dan alleen als toerist.” (71)
- “Het is me opgevallen dat je ‘we leven in een vrij land’ altijd hoort uit de mond van iemand die klaagt over het gebrek aan vrijheid.” (72)
- Over Duitsers (73–76): “Er moeten oefeningen komen voor aanstaande moeders om de foetus klaar te stomen, het ministerie van Propaganda moet de foetus kunnen bereiken, al die kostbare tijd mag niet verloren gaan.” (74–75)
- Over Amerikanen (76–77) en over Fransen: “Ik ben blij dat ik geen Fransman ben. Daar moet je naar mijn smaak veel te patriottisch voor zijn. (...) Het is een land waar patriottisme moet worden bedreven als een slechte gewoonte, niet alleen als deugd. Ze zijn niet getrouwd met hun land, het is hun maîtresse. En ook nog eens een jaloerse! (...) Hun liefde voor het vaderland schijnt daar zo groot te wezen dat die meteen na hun liefde voor eten komt.” (79)
- “Ik heb het altijd al vreemd gevonden dat je wordt geacht te houden van het land waar je belasting betaalt. Het fundament van vaderlandsliefde is soberheid – een zeer praktische eigenschap als je niets hebt. (...) vaderlandsliefde (...) is nu hetzelfde als dat je liefde moet voelen voor het raam waar je ooit uit bent gevallen.” (80–81)
- Over Denemarken (84–87), Zweden (93–94) en Lapland (102–106).
- “Emigratie is de beste leerschool voor dialectiek. De scherpste dialectici zijn vluchtelingen.” (91)
- “In een democratie heb je ook vrijheid van meningsuiting, een vrijheid die netjes wordt gecompenseerd door het verbod op misbruik daarvan door je mond open te doen.” (103)
- “Democratie met z’n tweeën is knap lastig. We zouden moeten stemmen per kilo, dan krijg ik een meerderheid.” (107)
- Over gelegenheid: “Zonder gelegenheid ben je nergens. Aan een strak figuur, een indrukwekkend redenaarstalent en briljante techniek heb je geen moer als je de gelegenheid niet hebt. De grootste generaals zijn geen grote generaal geworden omdat er een luie vrede was tijdens hun leven.” (149)
- Over liefde op het eerste gezicht. (156–161)
Lees ook:
Leesimpressie: De vlucht wordt duur betaald door Loes Gompes

