
Grand tour Europa
Olivier Guez (Red.)
Voorwoord door Caroline de Gruyter
Vertaald door Katelijne De Vuyst
Amsterdam: Meulenhoff
2023446 blz.
Zevenentwintig auteurs uit de lidstaten van de Europese Unie beschrijven hun verbondenheid met Europa in zeer gevarieerde verhalen, herinneringen, essays. Aansprekende teksten van o.a. Jan Brokken, Norman Manea, Eva Menasse, Agata Tuszynska.
- Olivier Guez: “Het is absurd, suïcidaal haast. Sinds de jaren 1950 bouwen we aan een monumentale constructie, maar we vergeten de fundamenten ervan te verstevigen. We bouwen om beurten, zonder de bewoners met elkaar in contact te brengen; we zien het cement over het hoofd, de verstandhouding die ervoor moet zorgen dat we samen kunnen leven en dromen: de cultuur." (9)
- “Dit boek is een steentje dat aan het bewuste bouwwerk wordt toegevoegd. Het is een bizarre, humanistische, apolitieke bijdrage. (...) zevenentwintig auteurs, evenveel mannen als vrouwen, diverse generaties en achtergronden (...) Ik heb hun gevraagd iets te vertellen over een plek waar de band van hun land met de Europese cultuur en geschiedenis aan het licht komt. (...) In de nieuwe verhalen (...) kruisen de herinneringen, blikken en diverse milieus van een Europa van vlees en bloed elkaar voortdurend. In de traditie van de boeken van W.G. Sebald vormen ze een kosmopolitische bloemlezing tegen de vergetelheid en de verdwijning, tegen de verkrampte, bekrompen tijdgeest, tegen het Amerikaanse en islamitische puritanisme en tegen (nationaal-) populisten van allerlei strekking.” (12–13)
- Opsomming behandelde thema's: (I) littekens, (II) omzwervingen, (III) geesten, (IV) vlees, (V) vakantieoorden, (VI) wonden, (VII) nostalgie. (14–15)
- Goede inleiding van Caroline de Gruyter. (17–25)
- Verwijzing naar visie op de Europese integratie van Jean Monnet: “Als we het over konden doen, dan begon ik met cultuur.” (17)
- Verwijzing naar Milan Kundera: Midden-Europa beschouwt zichzelf als volledig westers; West-Europeanen zien het vooral als deel van het “Oosterse Sovjetblok.” (18)
- “De raison d'être van de Europese integratie is en blijft ‘Nooit meer oorlog’.” (20)
- Tamelijk veel auteurs verwijzen naar verblijf in Parijs. (o.a. 82; 102–104; 124–127; 187)
- Ook veel verwijzingen naar Joodse aspecten van de Europese geschiedenis. (o.a. 139–167; 193–208; 268–281; 427–432)
Vertaling soms stroef.
- Compatibel (49)
- “in overdrive vertrekken” (93)
- “ik ben bang van ze” (150)
- “ik zeg van nee” (212)
- “de eutrofiëring van het water” (232)
- “gebetonneerde warmwaterbron” (248)
- “zij stellen samen tentoon” (260)
- “gescleroseerde administratie” (275)
- “gemetamorfoseerde of geparamorfoseerde versie” (285)
Opmerkelijke passages
- I. Daniel Kehlmann, Hohenschönhausen: de gevangenis die niet bestond. (Duitsland) (29–36)
- II. Björn Larsson, Europa is ook een balkon in Sedriano. (Zweden) (97–109)
- Verwijzingen naar Mathijs Deen, Over oude wegen en Geert Mak, In Europa. (101)
- III. Agata Tuszynska, Adres. (Polen) (139–167)
- “Een schrijver hoort een adres te hebben – zei Isaac Bashevis Singer.” (139; 155)
- “Als ballingen woonden ze in het boek. Ze leerden op de wegen te leven, op zoek naar het beloofde land.” (143)
- Over het getto van Warschau. (143–147)
- In de lente van 1941 toen het getto het dichtstbevolkt was, woonden er ongeveer vierhonderdvijftigduizend mensen (“acht á tien personen per vertrek”). Vanaf de herfst van 1941 werd iedereen die het waagde de muur over te steken met de doodstaf bedreigd. Dat gold ook voor wie de inwoners hielp om dat te doen of om zich aan de andere kant te verbergen. Op 22 juli 1942 begon de uitroeiing. De treinen reden van het station bij de Umschlagplatz naar Treblinka. De muur staat nog steeds in mijn binnenste overeind. Als een wond en een litteken. Hij scheidt me van Polen en verbindt me ermee.” (145–146)
- “Warschau had bijna 85 procent van zijn vooroorlogse gebouwen verloren. (...) Het leven was sterker dan de wanhoop.” (153)
- “Vroeger woonden hier, in het tweede stadscentrum van Warschau, haast een half miljoen mensen. Een derde van de stadsbewoners was Joods. In 1946 bleven er nog ongeveer twintigduizend over.” (154)
- ColmTóibín, Voor de zon uit. (Ierland) (168–177)
- “Soms denk ik helemaal niet aan James Joyce.” (168)
- Norman Manea, Beukenland (Roemenië) (178–192)
- Paul Celan. ”Ik kom uit een streek waar mensen en boeken woonden.” (178; 187; 190–192)
- “’Ik ben opgegroeid met haat tegen de Turken, de Joden en de Hongaren ... en die haat moet tot het uiterste worden gedreven,’ verklaarde generaal Antonescu, het toenmalige staatshoofd in april 1941.” (184)
- Pleidooi voor Monumenten van de Schaamte, een pleidooi om nederlagen en lafheden te erkennen en aanvaarden. Als waarschuwing. (185)
- “Voor mij persoonlijk vormt het thema van de balling een wezenlijk onderdeel van het leven. Mijn eerste exil beleefde ik op mijn vijfde, toen ik met mijn familie en met de volledig Joodse bevolking van de Boekovina werd gedeporteerd naar de uitroeiingskampen in Transnistrië. Vier jaar later keerde ik met een deel van mijn familie terug naar Roemenië (...) Inmiddels woon ik al dertig jaar in Amerika, het land van de ballingen, van alle rassen en van alle tegenstellingen.” (185–186)
- Michal Hvorecký, Zonnebloemen in het souterrain Bratislava. (Slowakije) (193–208)
- 1942: “Het Slowaakse regime dat onder leiding stond van priester Jozef Tiso betaalde aan Duitsland vijfhonderd rijksmark voor elke gedeporteerde Jood.” (195; 202)
- Tuvia Rübner: “Pressburg was een drietalige stad. Haar vierde taal was de stilte.” (…) Heeft het kwaad ooit grenzen gekend? (196)
- “Tot op de dag van vandaag heeft mijn land de schuld uit het verleden niet echt ingelost.” (202)
- IV. Immauel Mifsud, De dorpsbewoners van Skorba, of Wat ik Olivier Guez moest toesturen. (Malta) (221–235)
- Over vluchtelingen die de Middellandse Zee niet overleven. (233–234)
- V. Jens Christian Grondahl, Tussen twee zeeën (Denemarken) (253–267)
- “Niet toevallig moet ik aan cafés denken als ik droom van Europa.” (265)
- Eva Menasse, Verboden voor vliegende drones. (Oostenrijk) (268–281)
- Over keizer Frans Jozef en zijn jachttrofeeën. “50.000 trofeeën aan de muur in zijn paleis.” (277–278)
- Jan Brokken, Mademoiselle Wilhelmina est délicieuse. (29–313)
- Over Hotel Spaander in Volendam. O.a. over Signac, Renoir, Proust, Bart van der Leck.
- VI. Jean Portante, Het verhaal van het lege graf. (317–329)
- Over migratie. (319–329)
- Lídya Jorge, Bij het voorgebergte. (Portugal) (346-360) Over slavernij.
- VII. László Krasznahorkai, Stomme versus dove. (Hongarije) (381–393)
- Over nevelridders. “ ... een dichter is hij die bereid is om op welk moment ook zijn leven op te geven voor een prachtige strofe, voor een prachtige actrice, of gewoon voor zijn vaderland.” (389)
- Lize Spit, Ding flop bips (België) (394–403)
- Opgroeien in Vlaanderen, “deel van Europa, het derde grootste continent ter wereld.” (394)
- “Ik was dus wel een dorpeling, een Kempenaar, een Belg, een bewoner van de aarde, maar een Europeaan, nee. Het was niet iets wat ik kende, wat ik voelde.” (395)
- Over de invoering van de euro.
- Tiit Aleksejew, Wisselend licht in de Laboratoriumstraat. (Estland) (404–433)
- Over de geschiedenis van Tallinn en Oekraïne. “De natuur geeft ons hoop.” (417)
- “Europa is synoniem met vrijheid en christendom.” (419)
Lees ook:
Leesimpressie: Nederland voor de Nederlanders door Mounir Samuel

