Mattentaarten

  • 0

Niet-Vlamingen zullen bij dat woord even hun wenkbrauwen fronsen. Maar wees gerust,  met dat rechthoekig stukje vloerbedekking aan de voordeur, dat voor schone schoenzolen moet zorgen, hebben die taartjes uiteraard geen uitstaans. 

Mattentaarten zijn ronde bladerdeeggebakjes, gevuld met “matten”, een samenstelling van gestremde volle- en karnemelk, eierdooiers, suiker en amandelaromaten. Laat één zaak duidelijk zijn: “alleen mattentaarten smaken naar mattentaarten”. Willen we het toch met iets vergelijken, laat het ons dan bij een kruising tussen frangipane- en een kaastaart houden. 

Erkend streekproduct

Het is een specialiteit uit het Oost-Vlaamse Geraardsbergen en omstreken en werd als eerste Vlaams streekproduct bedacht met het Europese label: “Beschermde Oorsprongbenaming” (BGA).

Met omstreken bedoelen we een twintigtal gemeenten met welluidende namen zoals Goeferdinge, Hemelveerdegem en Smeerebbe-Vloerzegem, allen in de buurt of in de Vlaamse Ardennen. De stad Geraardsbergen, die net als Brussel het authentieke Manneken Pis opeist en wereldberoemd is in wielrennermiddens omwille van zijn Muur, mag zichzelf “mattentaartstad” noemen. Het nabije, iets bescheidenere Lierde, moet met “mattentaartgemeente” tevreden zijn. 

Oorsprong

Reeds in de 13de eeuw is er in troubadourliedjes sprake van “mattes” en “mattons”. Volgens historici, ontstonden matten door de bewaringmogelijkheden die toen (niet) voorhanden waren. Koelkelders trof men uitsluitend aan in kloostergemeenschappen, kastelen en bij de rijke burgerij. De landbouwers, die die mogelijkheid niet hadden, lieten rauwe melk stremmen in matten en wei. Door aan gekookte melk karnemelk toe te voegen, bekwam men een stremsel, wat men vervolgens liet uitlekken in neteldoeken. Het overblijvend vocht, de wei, diende als voedsel voor de dieren.

De vaste materie, de wrongel, werd vervolgens geperst, gemalen en gemengd met suiker en eierdooiers, wat dan weer voor de boer en zijn gezin bestemd was. Het oudste recept van de mattentaart vinden we terug in “Een notabel boecxken van cokeryen” (1510) van ene Thomas Vander Noot. Het is wel niet duidelijk of Thomas Vander Noot de drukker of de auteur/samensteller er van was. We weten wel dat de man diepgelovig was, het boek is namelijk opgedeeld in twee soorten gerechten: die voor in en die voor buiten de vasten. Maar goed, terug naar onze mattentaarten.

Al op 12 december 1665 stelden de bakkers uit de streek een huishoudelijk reglement op waarbij de kwaliteitsregels werden vastgelegd. Deze werden op 18 januari 1752 bij keizerlijk decreet door Maria Theresia bekrachtigd. Om de historiek en de kwaliteit van de mattentaarten veilig te stellen richtte de bakkersbond in 1978 de “Broederschap van de Geraardsbergse Mattentaart” op. Deze organiseert sinds 1980 elk jaar een “Dag van de Geraardsbergse Mattentaart”.

De populariteit van taarten, voornamelijk kaastaarten, in de 16de eeuw was al te zien in het beroemde schilderij, De Boerenbruiloft van Pieter Brueghel de Oude. Vanaf de 18de eeuw was de mattentaart, in zijn huidige vorm, zeer gegeerd op kermissen in Brabant, Henegouwen en de Denderstreek. In de meeste streken had de mattentaart toen al zijn karakteristieke vorm. Uitzondering was Brabant waar “mattengozetten” (mattenflappen) op tafel kwamen.

Zoals reeds aangehaald is de Geraardsbergse mattentaart een Europees beschermd product. Deze erkenning bepaalt ook dat de taartjes op het grondgebied van deze gemeenten gemaakt moeten worden. Industriële bakkerijen die mattentaarten exporteren en zich niet in deze gemeenten bevinden, bestaan natuurlijk ook. Zij verkopen hun product dan als “Mattentaarten uit de Vlaamse Ardennen” of “Vlaamse mattentaarten” tout court. Maar voor puristen zijn dat geen mattentaarten.

Buro: MV
  • 0
Top