’n Gesprek met die gesprekvoerder #3: Yves T’Sjoen oor sy belangstelling in Breyten Breytenbach

  • 0

Yves T’Sjoen, Mia Pistorius, Yolande en Breyten Breytenbah (20 januari 2024, Seepunt)

...
Wat mij in het bijzonder boeit, zijn de transnationale bewegingen van het oeuvre en de figuur, met name hoe recensenten, onderzoekers, vertalers en dus lezers beelden hebben geconstrueerd.
...
Deel 3 (slot)

Lees deel 1 hier. | Lees deel 2 hier.

ID: Is hedendaagse studente in België geïnteresseerd in Suid-Afrika?

YT: De publieke belangstelling voor Zuid-Afrika is sinds eind jaren negentig, na de regeerperiode van Mandela, beduidend afgenomen. Ik heb het dan meer specifiek over media-aandacht voor politiek en maatschappij in Zuid-Afrika. De geruchtmakende staatscorruptie onder president Jacob Zuma en bijvoorbeeld recent de sterk gemediatiseerde emigratie van Afrikaners naar de Verenigde Staten halen alleen sporadisch het radio- en televisiejournaal in België.

Wat meer specifiek de studie van en het academisch onderwijs over het Afrikaans betreft, zie ik in de Lage Landen daarentegen een blijvende interesse. Aan de Universiteit Gent wordt al sinds meer dan vijfentwintig jaar een introductiecursus aangeboden over Afrikaanse taal- en letterkunde. De studentenaantallen taal- en letterkunde zijn in die periode aanzienlijk gedaald. Desondanks kan het vak op de belangstelling rekenen van studenten Nederlands en in mindere mate ook Afrikaanse talen en culturen. Vorig semester hadden we voor het bachelorvak én het mastervak Talen en Literaturen van Zuid-Afrika samen veertig studenten. De Gentse leerstoel Zuid-Afrika: talen, literaturen, cultuur en maatschappij is verleden jaar gestart met een tweede termijn van vijf jaar en wordt gefinancierd dankzij de steun van organisaties in Zuid-Afrika en de Lage Landen, ook met structurele subsidie van de Vlaamse regering. De interesse blijft door de institutionele realisaties, met naast de leerstoel het interdisciplinaire onderzoekscentrum GAZ (Gents Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika, www.afrikaans.ugent.be). In het Belgische universiteitslandschap zijn de Universiteit Antwerpen en mijn Gentse alma mater de enige instellingen waar je een vak Afrikaans kunt volgen, waarin aandacht wordt besteed aan taalgeschiedenis, taalverwerving, letterkunde en de maatschappelijke, culturele en politieke context van Zuid-Afrika. Net als de Antwerpse collega’s – een institutionele samenwerking met NWU – hebben we in Gent geregeld academici en schrijvers uit Zuid-Afrika op bezoek. Er zijn aan de UGent acht partnerships met zusterinstellingen in Zuid-Afrika en Namibië. Vorig jaar bekleedden Stephanus Muller (Africa Open Institute for Music, Research and Innovation, Universiteit Stellenbosch) en Jolyn Phillips (voorheen UWK en UJ, thans Brown University, Rhode Islands) de leerstoel. Dit draagt er allemaal toe bij dat er voor Zuid-Afrika-initiatieven aandacht is, mede ondersteund door onze berichtgeving hierover in Zuid-Afrika, op digitale fora zoals Voertaal, en ook bij onze studenten. We werken in Gent trouwens structureel samen met de leerstoel in Amsterdam en Margriet van der Waal; we delen onze expertise met de collega’s in Leiden, waar ieder jaar een Zuid-Afrikaans onderzoeker wordt aangesteld. Leden van het GAZ zijn voor gastcolleges en lezingen geregeld te gast in Zuid-Afrika. Dit zorgt voor een actief intercontinentaal wisselverkeer, wat de aandacht in beide taalrichtingen ten goede komt.

Ik moet in Nederland vooral de ondernemingszin en de daadkracht noemen van Ingrid Glorie, die de voorbije decennia veel heeft betekend voor de aanwezigheid van Zuid-Afrikaanse schrijvers en musici in de Lage Landen. Ook het Zuid-Afrikahuis aan de Keizergracht is een belangrijk instituut dat blijvende interesse genereert voor Zuid-Afrika in Nederland. Laten we hopen dat het instituut de door Ingrid ingeslagen weg voortzet en bijvoorbeeld de Week van de Afrikaanse roman en het Festival voor het Afrikaans in de toekomst organiseert. Ingrid heeft over die plannen gesproken op het online discussieplatform Samespraak (https://www.samespraak.com/afgelope-seminare-2025, 24 februari 2026) en eerder al op uitnodiging van de Veldsoirée Etienne van Heerden in Cradock (2025): https://www.litnet.co.za/memoires-van-een-hoofmeisie/ (14 augustus 2025). De vorig jaar aangestelde nieuwe directeur van het Zuid-Afrikahuis, Susan Coetzee-Van Rooy, gaf al te kennen hiervoor open te staan. In Vlaanderen is er onder meer de Vlaams-Zuid-Afrikaanse Vereniging die velerlei initiatieven financieel steunt, inclusief de leerstoel Zuid-Afrika en het Jongerenproject (afwisselend in de Lage Landen en in Zuid-Afrika). Aan verenigingen en organisaties, zoals ook Vectis (met Joris Cornelissen en Marc le Clercq), is er geen gebrek.

ID: Jy vra ander hoe hulle Breyten sal aanbeveel vir ’n moderne leser. Jou werk vereis van jou om daardie vraag self te beantwoord. Jaar op jaar. Hoe doen jy dit?

YT: Door mijn online publicaties van kronieken op Voertaal, occasioneel ook op Versindaba en Neerlandistiek, en de daaruit resulterende boekuitgaven genereer ik aandacht voor Breyten Breytenbach, meer specifiek vanuit inter- of translinguïstisch en transnationaal perspectief. De veelzijdigheid van het publieke leven van Breytenbach zorgt ervoor dat een onderzoeker vanuit literair, artistiek, cultureel en filosofisch opzicht, natuurlijk ook politiek en linguïstisch, dus vanuit heel diverse en complementaire invalshoeken, het werk kan belichten. Wat mij in het bijzonder boeit, zijn de transnationale bewegingen van het oeuvre en de figuur, met name hoe recensenten, onderzoekers, vertalers en dus lezers beelden hebben geconstrueerd. Ik onderneem die studie vanuit vergelijkend standpunt, bijvoorbeeld de beeldvorming in het Afrikaans en het Nederlands. Een soortgelijk onderzoek kan worden ondernomen naar de receptie van Breytenbach in het Frans of het Engels. Die transnationale en linguïstische lens op leven en werk laat uiteenlopende postures zien van Breytenbach in diverse taal- en cultuurgebieden. De internationale postuur is een wezenstrek van de nomadische figuur die Breytenbach was, aanwezig met zijn gedichten en essays in verschillende taalgebieden en culturele regio’s. 

Wanneer ik college geef over Breytenbach, ieder academiejaar in de cursussen aan de UGent (overwegend voor studenten Nederlands), ga ik dieper in op de politieke achtergrond van apartheid en post-apartheid, het debuut in Nederland met Skryt, Om ’n sinkende skip blou te verf (1972), de betrokkenheid in de jaren 1969-1972 bij het periodiek Raster onder de redactie van H.C. Ten Berge, connecties met schrijvers die zijn bekend geworden als de Nederlandse Vijftigers, de impact van de Franse surrealistische poëzie (onder anderen Blaise Cendrars, Paul Éluard en Henri Michaux), de artistieke liaison met Hugo Claus, Lucebert en Bert Schierbeek, de veelzijdigheid van het literaire werk, Gorée Instituut en pan-Afrikaanse initiatieven, vertaald werk in de Lage Landen, enzovoort. Voor de master- en master-na-master-studenten bied ik colleges aan over de literaire representaties van Breytenbach in de Lage Landen, met bijzondere aandacht voor Skryt en de verzamelbundels Het huis van de dove (Meulenhoff, 1976), Met andere woorden. Gedichten 1970-1975 (Meulenhoff, 1977), De windvanger. Gedichten 1964-2006 (Podium, 2007) en De zingende hand. Gedichten 2007-2016 (Podium, 2017).

Het is door die modernistische context van Sestig en de politieke geschiedenis mee te nemen in de lezingen dat onze studenten en andere belangstellenden buiten de academie – geregeld bied ik lezingen aan, zoals voor afdelingen van Orde van den Prince, sociaal-culturele organisaties verenigd in Amarant/Avansa en middelbare scholen, gefascineerd geraken door de publieke intellectueel en de internationaal gewaardeerde schrijver en beeldend kunstenaar.

ID: Breyten het gesê dat sy werk en dokumente na die Universiteit Gent moet gaan na sy dood. Hoe vorder dit?

Interview bij SASNEV, 19 maart 2022

YT: Op 19 maart 2022, toen wij terugreden van SASNEV in Pinelands naar het verblijfadres van Breyten en Yolande in Seepunt, sprak Breytenbach inderdaad de wens uit. In het publieke onderhoud had hij zich kort tevoren al expliciet uitgelaten over de bestemming van het literaire archief. Er sprak bezorgdheid uit zijn tussenkomst.

De transcriptie van het laatste publieke interview met Breytenbach verschijnt komende maand (mei 2026) in mijn boek Twee overzijden. Gesprekken op de literaire brug tussen Afrikaans en Nederlands. Een digitale versie is eerder gepubliceerd in mijn rubriek ‘Breyten schrijven’ op Voertaal. Na afloop, in de auto op weg naar Kaapstad, is hij verder ingegaan op die verzuchting, of laten we het een wens noemen. Ik liet hem verstaan dat de Universiteit Gent de archiefdocumenten graag zal ontvangen voor inventarisering en digitalisering, zodat de archivalia beschikbaar zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Vervolgens kan het archief terug naar Zuid-Afrika, waar het ook thuishoort, net zoals is gebeurd met het archief van Ingrid Jonker. Het Jonker-archief heeft natuurlijk een heel andere geschiedenis, zoals onder meer beschreven in het tijdschrift De Parelduiker (Komrij-nummer, 2017). In het geval van Breytenbach gaat het over een persoonlijk statement, een uitgesproken wilsbeschikking van de auteur zelf. En er is een getuigenis van bewaard. Ik kon in dat persoonlijk gesprek garanderen dat mijn alma mater over de mogelijkheden beschikt om het archief wetenschappelijk verantwoord te ontsluiten. Uiteindelijk zijn het de erven Breytenbach die hierover beslissen in overleg met het Fonds onder beheer van Kerneels Breytenbach, oud-uitgever van Human en Rousseau en door de familie aangesteld als exécuteur testamentaire. Ik kan hier alleen herhalen hoe Breytenbach er twee jaar voor zijn overlijden zelf over dacht en sprak. Na dat uitdrukkelijk verzoek heb ik Breytenbach-navorsers in Zuid-Afrika geconsulteerd en om advies gevraagd. Gesteund door die reacties heb ik de vraag van Breytenbach aangekaart bij collega’s van de Gentse Universiteitsbibliotheek. Ook met Marsha Keja en Bertram Mourits, conservator van het Literatuurmuseum in Den Haag, is hierover gesproken in juli 2025, dus na het overlijden van Breytenbach. Ik mocht toen in het Literatuurmuseum het archief Jonker inkijken, net voor het is verscheept naar Stellenbosch.

Finaal ligt dat besluit niet in mijn handen en dat hoeft ook helemaal niet. Het is voor mij als wetenschappelijk onderzoeker van het grootste belang dat het documentaire materiaal meer dan degelijk wordt geconserveerd en vooral beschikbaar gesteld voor navorsing. Waar het vervolgens wordt bewaard – er was eerst sprake van het Breytenbachsentrum in Wellington – zullen anderen beslissen. JS Gericke Archief is natuurlijk de voor de hand liggende plek, maar gezien Breytenbachs principiële problemen met de Universiteit Stellenbosch was dit voor hem in ieder geval onbespreekbaar. Mij gaat het over de wetenschappelijke inventarisatie en de toegankelijkheid (op voorwaarde van toelating door de erfgenamen) van een van de rijkste literaire archieven in het Afrikaans.

ID: Watter opwindende goed kan ons binnekort oor Breyten se nagedagtenis verwag?

YT: Eind november 2026 heeft aan de UGent een derde congres plaats dat wordt gewijd aan de literaire en artistieke nalatenschap van Breytenbach in interdisciplinair opzicht (“Inter-Breyten. Breytenbach in context”). Eerder hadden we al in 2014, ter gelegenheid van het institutioneel eredoctoraat, en in 2019, naar aanleiding van Breytens tachtige verjaardag, wetenschappelijke symposia. Bij beide congressen was Breytenbach fysiek aanwezig en een bijzonder aanwezige gespreksgenoot en respondent voor de lezingen. Op het congres, waarvoor de organisatie de weduwe en de dochter uitnodigt, wordt de huldigingsbundel Postumiteiten voor Breyten. Door het oog van dichters en vorsers gepresenteerd (https://versindaba.co.za/2026/04/07/pas-verskyn-postumiteiten-voor-breyten-door-het-oog-van-dichters-en-vorsers-red-y-tsjoen/).

Bij wijze van primeur mag ik hier aankondigen dat uitgeverij Koppernik (Amsterdam) een ruime bloemlezing plant uit de poëzie van Breytenbach. Er wordt de komende maanden gewerkt aan een tweetalige anthologiebundel, een selectie uit de vertaalde poëzie, aan te vullen met een paar nieuwe vertalingen. Een bekend auteur zal het geheel van een woord vooraf voorzien. Koppernik is na Van Gennep, Meulenhoff en Podium de uitgeverij van Breytenbach in het Nederlandse taalgebied. In 2015, een jaar na de oprichting van Koppernik door voormalig Meulenhoff-redacteur Bart Kraamer, is In de loop van de woorden gepubliceerd (zonder de Afrikaanse bronteksten). Breytenbach stelde de kopij ter beschikking, ontleend aan de openingsafdeling ‘in die loop van woorde’ in Oorblyfsel (Island Position / Pirogue Kollektief & Hond, Groenkloof / Brooklyn / Kaapstad / Gorée / Parijs, 2014) en vertaald door Laurens van Krevelen (oud-directeur van Meulenhoff en vele jaren nauw bevriend met Breyten). De bundel verscheen in een Koppernik-poëziereeks samen met Hohner van Wiel Kusters, Theorie van de grondworm van Jan Lauwereyns en Waarom van Armando. Voor de samenstelling van de tekstselectie krijg ik van de redactie carte blanche. Het thema wordt wellicht de nomade, een centraal motief in het poëtische oeuvre, het prozawerk en de beeldende kunst. Ik laat mij hiervoor onder meer leiden door het zesde hoofdstuk in The I of the Beholder (2001) van Marilet Sienaert: ‘Africa and the nomad identity as creative principle’ (p. 78-86). De bloemlezing verschijnt twee jaar na Breytens overlijden en twintig jaar na een vorig omvangrijk volume (De windvanger. Gedichten 1964-2007, Podium, Amsterdam, 2006, 323 p.). Indien alles volgens plan verloopt (subsidies), wordt het boek boven de doopvont gehouden op het congres in Gent.

Later plannen Alwyn Roux en ik, zoals eerder vermeld, een monografie over Breytenbach en Afrika, over de verbeelding van Afrika. Wat ook op stapel staat, is een volgende (vierde) aflevering van Imagine Africa (Island Position/Pirogue Collective) na de publicaties in 2011, 2014 en 2017. Na het overlijden is hierover gepraat met Georges Lory, destijds al actief betrokken bij de drie nummers van Imagine Africa, en Daphnée Breytenbach. Ook Breytenbach zelf smeedde op het einde van zijn leven plannen voor een nieuwe anthologiebundel. Hij heeft mij destijds gevraagd naar een bijdrage.

Velen, net zoals ik, kijken uit naar een biografie over Breytenbach. Ik ben benieuwd wie de handschoen opraapt, want het lijkt me een bijzondere uitdaging. Het gaat in het geval van Breytenbach over parallelle prismatische levens die interageren. Hoe meer een onderzoeker zich verdiept in het oeuvre en de bredere context, hoe meer mogelijkheden zich aandienen. Ik ben dus nieuwsgierig wat die nabije toekomst brengt voor het Breytenbach-onderzoek. Op mijn manier, van op afstand, tracht ik een bescheiden bijdrage te leveren die er mogelijk toe doet en een complementaire waarde heeft voor het in Zuid-Afrika ruime studiegebied. Wat ik vooral poog is onderzoeksvragen te formuleren, in gesprek te treden, mij open te stellen voor diverse zienswijzen. Daarom betrek ik bij mijn vergelijkende letterkundige studie gesprekspartners, vandaar de vele tweespraken en gesprekken in mijn boekpublicaties. Uit het spectrum van de onderzoeksvragen mag mijn verwondering en nieuwsgierigheid blijken, maar ook dat onderzoek natuurlijk nooit klaar is. Er zullen nog vele publicaties volgen van anderen, wie weet misschien ook van mijzelf. Mocht ik voor dat voortgezet onderzoek een aanzet hebben kunnen leveren, zoals Marlies Taljard formuleerde in haar recensie op Versindaba van De ontdekking van het eiland. breytenbachina, zal mij dat bijzonder verheugen.

Dezer dagen lees ik weer de vijf bijdragen in Woorde teen die wolke. Vir Breyten (red. A.J. Coetzee, Taurus, Emmarentia, 1980), door Nicol Stassen vorige week meegebracht uit Pretoria. Ik bezit nu in mijn uitbreidende Breyten-collectie, dankzij het speuren van Nicol, ook de moeilijk te vinden speciale uitgave Oorblyfsels. Uit die pelgrim se verse na ’n tydelike (1970). Breytenbach nam al in Kouevuur een afdeling op met de titel ‘Ek skuus oorblyfsels’, later verschenen nog Oorblyfsel/Voice Over (op reis in gesprek met Magmoed Darwiesj)/(the nomadic conversation with Mahmoud Darwish) (2009) – voor mij een van de hoogtepunten in het oeuvre –, onder de schuilnaam Blackface Oorblyfsel (2014) en het slotafdeling ‘Ysterkoeisweet/oorblyfsel’ in Katalekte (artefakte vir die stadige gebruike van doodgaan) (2012, p. 197-212).

Boekprojecten die de komende jaren op stapel staan, zijn in coauteurschap met Alwyn Roux: Repliek. Transnationale trajecten van Zuid-Afrikaanse schrijvers in het Nederlands, (Academia Press, 2027) en Repliek. Transnationale trajecten van Nederlandstalige schrijvers in het Afrikaans (Academia Press, 2028). We hebben voorpublicaties van brieven, geschreven ter gelegenheid van het gastdocentschap van Alwyn aan de Universiteit Leiden (februari-mei 2025), geplaatst op Voertaal. We werken momenteel aan een revisie van de kopij. Ook de eerder vermelde bundel met vergelijkende gevalstudies staat op het verlanglijstje, een verzameling met deelstudies die zullen bijdragen aan een panoramisch overzicht van convergenties en divergenties tussen de Nederlandstalige en Afrikaanse letteren. En voor het emeritaat wil ik graag mijn verspreid gepubliceerde kronieken en artikels over Antjie Krog bundelen en in een boekcahier uitgeven, te vergelijken met Breyvier en De ontdekking van het eiland.

Tot besluit van dit gesprek.

In Kouevuur (1969), door Danie Marais in een van de interviews naar aanleiding van de Breyten Breytenbach Poëzieprijs – waarvan hij met Ek en jy bestaan nie in 2025 de eerste laureaat was – zíjn favoriete bundel van Breytenbach genoemd, is het gedicht ‘Oggendlied (vir Uys Krige en Paul van Ostayen) opgenomen. Dat ochtendlied refereert nadrukkelijk aan het canonieke gedicht ‘Marc groet ’s morgens de dingen’. In de verzamelde gedichten – drie verzamelbundels en na uitgave van Die singende hand nog een paar afzonderlijke publicaties – bevatten wel meer naamsvermeldingen van Nederlandstalige auteurs. Ezulwini, de plaatsnaam vermeld tussen haken op het einde van het gedicht, is een verwijzing naar een vallei in het noordwesten van Eswatini.

Môre donkerbreek-dagbreek, ligfetus
Met handjies en hare platgelek
jou klopkaatsende hart van silwer!
           môre sien

Môre algroot en stewige land
jy wat boom en dier dra op die mou
en jy wat die lug ’n staanplek gee!
           môre vorm

Môre kafferpruimboom wat met die hart ook
broodjies bloed gee, bougainvillea o moenie rou,
doringboom lek jou penne skoon!
            môre kleur

Môre kraanvoël blou keelskoonmaker,
heuningsnawel kwêvoël, bosduif ou boomkoelte,
swaeltjie en hotnotsgod, makou wat waar skater!
            môre verbeelding

Môre mier jou jeukerige moesie van die nag,
môre dam met damvisse, môre bok, sê môre os,
môre palmboom en groen gebeentes in die lug!
           môre besef

Môre son en wolke ver agter sneuwees
agter visioene van silwer bloed –
hoe gaan dit anderkant die wêreld?
            jy ook al op, pitpyn?

Môresê mens, jy wat dit alles skep as jy sién
en ervaar in kleur, lang skredes oor die vaste aarde gee
om klapbeen te vlieg
           : en vernietig tuimel as dié wete uit jou vaar.

(Ezulwini)

(Kouevuur, p. 14–15)

Lees ook:

’n Gesprek met die gesprekvoerder #1: Yves T’Sjoen oor sy belangstelling in Breyten Breytenbach

’n Gesprek met die gesprekvoerder #2: Yves T’Sjoen oor sy belangstelling in Breyten Breytenbach

Memoires van een hoofmeisie

Breyten schrijven #6: Het laatste interview. "Dit sal nie vir my wees sodanig dat dit Gent is nie, of selfs in België nie. Maar vir my is dit ’n huistoekom, na ’n buitepos van die Middelwêreld."

  • 0
Verified by MonsterInsights
Top