Op reis langs de talen van Europa

  • 0

Lingua. Dwars door Europa in 69 talen
Gaston Dorren

Uitgeverij Athenaeum, Amsterdam, 2017
ISBN: 9789025307899
360 p., € 19,99

Schijnbaar moeiteloos laat Gaston Dorren ons kennismaken met een kleine zeventig Europese talen. Als lezer kom je niet alleen onder de indruk van hoeveel het er zijn, maar ook van het gemak waarmee de auteur ze introduceert, analyseert en in hun sociaalhistorische en geografische context plaatst. Als het predicaat “talenknobbel” op iemand van toepassing is, dan is het wel op Gaston Dorren.

In 2012 publiceerde de Nederlandse taaljournalist Gaston Dorren (1965) het boek Taaltoerisme. Feiten en verhalen over 53 Europese talen. In Nederland werd het boek aardig ontvangen. Maar het grote succes kwam pas echt nadat Dorren het boek op eigen kosten in het Engels had laten vertalen, en er daarna ook een Zweedse, Russische, Duitse, Spaanse en Noorse vertaling verschenen. Alleen al van Lingo, de Engelse uitgave die als basis voor de latere vertalingen heeft gediend, werden meer dan vijftigduizend exemplaren verkocht. Een taalkundeboek als internationale bestseller!

Bij de achtereenvolgende vertalingen veranderde er echter elke keer wel wat: hier werd een hoofdstuk of een anekdote toegevoegd, daar een onnauwkeurigheid verbeterd of een stukje geschrapt. Nu is het boek in het Nederlands teruggekeerd onder een nieuwe titel: Lingua. Dwars door Europa in 69 talen. Deze editie is bijna twee keer zo dik als het oorspronkelijke Taaltoerisme uit 2012, en kan, zoals de auteur in zijn voorwoord opmerkt, worden gezien als “Het beste van Lingo”.

Taaltoerisme

Lingua bestaat uit negen afdelingen: “Familieaangelegenheden (Talen & hun verwanten)”, “Onvoltooibaar verleden tijd (Talen & hun geschiedenis)”, “Oorlog en vrede (Talen & politiek)”, “Inkt en adem (Schrijf- & spreektaal)”, “De blokken in de bouwdoos (Talen & hun woordenschat)”, “Spreken volgens het boekje (Talen & hun grammatica)”, “Op de intensive care (Kantje boord & erger)”, “Vaders der moedertaal (Spraakmakers & hun nalatenschap)” en “Naar het leven getekend (Portretten van prominenten & anonymi)”. De zeventig korte hoofdstukjes vormen een schatkamer van fascinerende weetjes, die met een bewonderenswaardige kennis en soepelheid en een grote dosis humor zijn opgetekend. Dorren schrijft met even veel plezier over grote talen als het Engels, Frans of Spaans als over kleine, obscure of uitgestorven talen, zoals het Faerøers, Gagaoezisch of Dalmatisch. Natuurlijk ontbreken ook het Esperanto en de verschillende vormen van gebarentaal niet. En een enkele keer verstout Dorren zich zelfs om dat gedoe met al die talen in Europa wat overzichtelijker te maken: het Slowaaks en het Bulgaars worden door hem in elkaar in elkaar geschoven tot – et voilà – het Slogaars.

Ook in deze nieuwe editie is Dorren nog steeds een “taaltoerist”. Bij zijn taalkundige verkenningen zoekt hij alle hoeken van Europa op: van het Iers, Cornish en Manx in het westen tot het Ossetisch, Albanees en Azerbeidzjaans in het oosten, en van het IJslands en Samisch in het noorden tot het Maltees in het zuiden. En dan zijn er nog de verhalen van rondreizende talen (Romani), talen in ballingschap (Jiddisch, Karaïms, Ladino) en talen “van de zelfkant” (waaronder het Bargoens).

Dorren kan ook een “taaltoerist” genoemd worden omdat hij nergens lang blijft. Des te verwonderlijker is het dat hij zich telkens weer razendsnel de grondbeginselen van een taal weet eigen te maken en doelgericht kan doordringen in de sociale en politieke geschiedenis ervan. Inspirerend is bijvoorbeeld de spoedcursus cyrillisch schrift die hij ons geeft, waarmee we voortaan de straatnaambordjes in Rusland kunnen lezen.

Of het allemaal klopt, valt door een leek niet te beoordelen. Maar dankzij de levendige correspondentie die Dorren door de jaren heen met lezers uit binnen- en buitenland heeft opgebouwd, is een deel van de fouten er sinds de eerste editie van het boek uit 2012 wel uit gezeefd. Ook Dorrens weblog dient als proeftuin. Het Baskisch bleek de enige taal die zó ingewikkeld was dat die de schrijver, naar eigen zeggen, “met een nederlaag naar huis heeft gestuurd”.

Dorren is ook een toerist omdat hij zich onthoudt van zwaarwichtige taalkundige of taalpolitieke uitspraken. Wat vooral beklijft, is het beeld van Europa als een duizelingwekkend rijk continent: rijk aan talen, culturen, geschiedenis. Dat beeld, met al zijn schakeringen, daagt uit en inspireert.

En er blijft voor de lezer nog genoeg stof tot nadenken. Over talen en dialecten, meertaligheid, taalcontact en -isolatie, taalverandering, taalpolitiek (taal blijkt niet alleen als vehikel voor nationalisme te kunnen dienen, maar ook voor pacifisme, verzet of onderdrukking), standaardisering en verbastering, het opkomen, uitsterven en herleven van talen… Hoe moet het verder als de laatste spreker van een taal geen tand meer in zijn mond heeft en alleen nog maar onverstaanbaar kan mummelen? Of als de laatste twee sprekers van een taal ruzie krijgen en niet meer met elkaar willen praten?

Humor

Voor taalliefhebbers – dát is wel een voorwaarde – vormt het boek een grabbelton van fascinerende weetjes. En soms moet je gewoon hardop lachen om Dorrens ironische formuleringen. Zoals hier, aan het begin van het hoofdstuk over het Esperanto:

“De meeste talen zijn voor buitenstaanders moeilijk om te leren, maar doorgaans is er geen sprake van opzet. De sprekers hebben gewoon generaties lang onnadenkend de ene uitzondering op de andere complicatie gestapeld. Met als resultaat, telkens weer, een taal die geen zinnig mens ooit zou verzinnen. De onregelmatige Russische naamvallen, de onregelmatige Duitse meervouden, de onregelmatige Franse werkwoorden: ze zijn geen kwaadaardigheid, het zijn ongelukjes van de geschiedenis. Waar gepraat wordt, krijg je chaos.”

Ook de inzet van het hoofdstuk over het Faerøers willen we u niet onthouden:

“Weinig officiële Europese talen worden door zo weinig buitenlanders geleerd als het Faerøers. Alleen wie zin heeft in een hondsmoeilijke uitdaging die vooral niet zinnig mag zijn, stort zich op het ‘Schapeneilands’ of ‘Verre-Eilands’ (de oorspronkelijke betekenis van de naam is enigszins onzeker). Faerøers leren is typisch een klus voor taalkundige extreemsporters.

Uiteraard is het leren ervan moeilijk noch nutteloos als je als Faerøerder ter wereld bent gekomen. Breng je je hele leven door op een paar kille, winderige en natte rotsen, met als verre buren de al net zo barre oorden IJsland en Noord-Schotland, dan wil je maar één ding: communiceren met je land- en lotgenoten. Ook al zijn dat er nog geen 50 000. En ook al reikt de belangstelling van een groot aantal onder hen niet veel verder dan vis.

Voor ieder ander, echter, is het een zinloze onderneming. De kans dat je ooit op een Faerø verzeild raakt, is minimaal – je verzeilen is inderdaad nog de meest waarschijnlijke oorzaak. Wil je per se met de eilanders praten, leer dan Deens. Alle Faerøerders spreken het, en nog veel duidelijker dan de Denen ook.”

Elk hoofdstuk eindigt met een aantal vaste rubriekjes, waarin Dorren onder meer voorbeelden geeft van Nederlandse woorden die via-via in de taal die in dat hoofdstuk centraal staat, terechtgekomen zijn, en andersom ook van woorden uit die taal die in het Nederlands zijn beland. In het Ests blijkt dankzij het Nederduits bijvoorbeeld (“Schrik. Twijfel. Vreugde!”) een verstommend aantal Nederlandse woorden voor te komen. Onduidelijk is dan weer waarom in het Pools holenderka (Hollandse) en holender (Hollander) voor respectievelijk een kippen- en een duivensoort staan.

Het leukst is de derde rubriek, over woorden uit andere talen waarvan je hoopt dat die ooit nog eens in het Nederlands worden overgenomen. Zoals het Noorse utepils (buitenpils), voor het eerste glas bier dat na de winter in de open lucht gedronken wordt en dat een goed alternatief voor het toch wel een beetje seksistische “rokjesdag” zou kunnen vormen. Ook het Luxemburgse fappeln (voortdurend van het onderwerp afdwalen) en het Duitse fachsimpeln (praten als een vakidioot) moeten onmiddellijk in het Nederlands worden ingevoerd.

Buro: IG
  • 0
Top