PC Hooftprijs voor Elisabeth Eybers was tegen de regels, maar iedereen was het ermee eens

  • 0

Als jurist kan HU Jessurun d’Oliveira het niet laten om de rechtmatigheid van de toekenning van de PC Hooftprijs aan Elisabeth Eybers in 1991 nog eens onder een vergrootglas te leggen. Volgens het reglement mócht het niet. Maar jury en bestuur deden het toch.

Op het omslag van dit nummer van De Parelduiker staat een portret van Elisabeth Eybers door Marlene Dumas uit 2007. Dumas (1953) is, net als Eybers was, een geboren Zuid-Afrikaanse die al jaren in Nederland woont.

Het is wel eens “het sympathiekste tijdschrift van Nederland” genoemd. De Parelduiker doet, volgens het eigen redactiestatement, “op een toegankelijke, niet-academische manier verslag van speurtochten naar de verborgen schatten van de literatuurgeschiedenis”. De medewerkers laten zich leiden door een idee van Multatuli: “Een parelduiker vreest de modder niet”. Dus: De Parelduiker belicht niet alleen “de verborgen zijde van bekende auteurs”, maar haalt ook “vergeten schrijvers boven water”.

In het jongste nummer van De Parelduiker (2021/2) staat een artikel met een prikkelende titel: “Elisabeth Eybers schreef in het Afrikaans. Kreeg zij ten onrechte de PC Hooftprijs?”. Wat nu? Is “het sympathiekste tijdschrift van Nederland” bij nader inzien toch niet zo sympathiek?

Dit zijn de regels

Gelukkig blijkt dat niet het geval. De auteur van het stuk is H.U. Jessurun d’Oliveira (1933), emeritus-hoogleraar in de rechten en oud-redacteur van meerdere literaire tijdschriften die vooral in de jaren zestig en zeventig zeer invloedrijk waren.

Voor Jessurun d’Oliveira bestaat er geen twijfel over dat de Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eybers (1915-2007), die in 1961 in Nederland was komen wonen, de PC Hooftprijs, de belangrijkste literaire prijs van Nederlandi, dubbel en dwars verdiende.

Uitgever Geert van Oorschot had Eybers in 1957 in Nederland gelanceerd met een bloemlezing die de misleidende titel Versamelde gedigte droeg, gevolgd door een bundel nieuwe gedichten, Neerslag (1958). Eenmaal gesetteld in Nederland stapte Eybers over naar uitgeverij Querido, die de vele nieuwe bundels die nog zouden volgen publiceerde, vaak in samenwerking met Eybers’ Zuid-Afrikaanse uitgeverij. Jessurun d’Oliveira beroept zich op het proefschrift van Ena Jansen, Afstand en verbintenis (1998), om te betogen dat Eybers als dichteres in Nederland helemaal ingeburgerd was. Het meest overtuigende bewijs, laat Jessurun d’Oliveira Jansen zeggen, is het feit dat Eybers in 1991 de PC Hooftprijs heeft gekregen voor haar hele oeuvre, waaronder ook de bundels die vóór haar verhuizing in 1961 alleen in Zuid-Afrika waren verschenen.

Die PC Hooftprijs is volgens Jessurun d’Oliveira nu juist het probleem. Hij gúnt Eybers deze eervolle onderscheiding van harte, maar als jurist kan hij zich niet over het feit heen zetten dat er waarschijnlijk een paar regels gebogen moesten worden om de toekenning mogelijk te maken.

Wat zijn (en waren anno 1991) die regels? Om voor de PC Hooftprijs in aanmerking te komen, moet een schrijver volgens het reglement aan drie voorwaarden voldoen. Jessurun d’Oliveira citeert: “Met ‘Nederlandse auteur’ wordt bedoeld een auteur van de Nederlandse nationaliteit, Nederlands ingezetene of een auteur die de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten, wiens of wier werk hoofdzakelijk geschreven is in de Nederlandse en/of Friese taal.”

Aan de eerste twee voorwaarden voldeed Eybers: ze was al sinds 1961 “ingezetene” van het land en ze was – zo heeft Jessurun d’Oliveira door navraag bij het INDii vastgesteld – op 20 december 1985 bij Koninklijk Besluit genaturaliseerd, dus ruim op tijd voor de PC Hooftprijs in 1991.

Wat nog wél een probleem was, was de taal waarin Eybers schreef: niet het Nederlands “en/of” het Fries, maar het Afrikaans. Hoewel het Nederlands en het Afrikaans historisch verwant zijn, is het Afrikaans een zelfstandige taal.

Waar een wil is, is een weg

Dichter en cultuurpaus Pierre H. Dubois, nota bene een goede vriend van Eybers, erkent in zijn laudatio tijdens de uitreiking van de prijs dat hij als Nederlander bij het lezen van haar gedichten wel degelijk een “taalbarrière” ervaart. “De taal klinkt herkenbaar maar is ons in veel opzichten vreemd”, zegt hij bijvoorbeeld.

Jessurun d’Oliveira: “Als men een taalkundige omschrijving van een taal hanteert, die de wederzijdse verstaanbaarheid zonder dat men ervoor geleerd heeft als uitgangspunt neemt, is het bestaan van barrières een indicatie voor de zelfstandigheid van een taal. Daarmee is ze dus gediskwalificeerd voor een prijs van de Nederlandse letteren.”

Vervolgens onderzoekt Jessurun d’Oliveira hoe de jury (onder voorzitterschap van Rutger Kopland) in haar juryrapport de breuk met het reglement verdedigt. Dat rapport begint volgens Jessurun d’Oliveira met een “fanfare”: “De jury beklemtoont de uitzonderlijke kwaliteit van Eybers’ poëzie binnen de Nederlandse literatuur. Dit is in overeenstemming met het algemeen gevoelen bij poëziekenners dat het oeuvre van Elisabeth Eybers tot de Nederlandse poëzieschat behoort en van zodanige omvang en kwaliteit is, dat de dichteres bekroning verdient met de hoogste literaire onderscheiding.”

In de waardering voor Eybers’ poëzie kan Jessurun d’Oliveira zich helemaal vinden. Maar hij zou het “een ongepaste toe-eigening” vinden als gedaan zou worden alsof Eybers in het Nederlands, en niet in het Afrikaans, zou schrijven. Dat beweert de jury dan ook niet. Wel kiest zij voor een tussenoplossing. “De taal waarin Elisabeth Eybers schrijft speelt hier een belangrijke rol. Het bondige dat het Afrikaans tegenover het Nederlands kenmerkt, past bij de kernachtige wijze waarop Elisabeth Eybers over haar leven dicht. [...] Zij heeft de taal van haar jeugd verrijkt met het Nederlands van de tweede eeuwhelft en laten groeien in haar eigen dichterschap. Haar taal is een persoonlijke variant geworden, ‘een tussentaal’, misschien mogen we spreken van Eybersiaans.”

Het gebruik van de term “tussentaal” doet vermoeden dat de jury sterk steunt op de visie van Ena Jansen, die volgens Jessurun d’Oliveira “al vaker had betoogd, dat [Eybers’ poëzie] tot de Nederlandse literatuur gerekend mocht worden, al sprak ook zij over ‘die vreemde eend’.” Jansens opvattingen blijken inderdaad een rol te hebben gespeeld. De voorzitter van Stichting PC Hooftprijs, Ludo Pieters, verwees in zijn toespraak bij de uitreiking naar haar toen hij stelde dat het “geen enkel probleem” was om de prijs aan Eybers toe te kennen. Bestuurslid Rudolf Geel gaf toe dat het om een uitzondering ging. “Maar het argument van de tussentaal leek ons juist. De jury heeft ons overtuigd. In dit geval, dit bijzondere en speciale geval, kan het.”

Eybers speelt het spel niet mee

In de kranten werd de ongerijmdheid destijds wel opgemerkt, maar niemand deed er moeilijk over; daarvoor bestond er te veel respect en waardering voor Eybers’ werk. De enige die niet meegaat in het zorgvuldig geconstrueerde frame van de “tussentaal”, was de altijd nuchtere Eybers zelf. Zij identificeert zichzelf al in de aanhef van haar dankwoord als een “Afrikaanstalige” en verklapt dat ze van de secretaris van de Stichting PC Hooftprijs toestemming heeft gekregen om haar dankwoord niet in het Nederlands te houden, maar “in die taal van my verse”.

Eybers weigert dus om zich te laten inlijven bij de Nederlandse literatuur als dat zou betekenen dat zij haar taal moest verloochenen. “Duidelijker kan het niet”, jubelt Jessurun d’Oliveira, die hier laat zien dat hij de kunst van de close-reading sinds zijn betrokkenheid bij het tijdschrift Merlyn in de jaren zestig nog niet verleerd is. “Wat er zij van invloeden heen en weer, wat er zij van hier en daar een enkel Nederlands woord in haar gedichten, wat er zij van haar afzijdige inbedding in het Nederlandse literaire en culturele leven, wat er zij van Nederlandse thematiek, de taal van haar gedichten is naar haar eigen overtuiging Afrikaans, en daarmee formeel gediskwalificeerd voor de PC Hooftprijs. Zij was en bleef een balling, een ontheemde; een essentiële bron van haar dichterschap was de vervreemding, de distantie, het nergens helemaal bij (willen) horen. Zij heeft wat mij betreft het laatste, Afrikaanstalige, woord.”

De gunfactor

Onmiddellijk ná hij Eybers zogenaamd het laatste woord gegeven heeft, komt Jessurun d’Oliveira nog een keer terug met nieuwe informatie. De secretaris die Eybers in 1991 toestemming had gegeven om haar dankwoord in het Afrikaans uit te spreken, was Aad Meinderts. Meinderts is nu directeur van het Literatuurmuseum, en nog steeds secretaris van de Stichting PC Hooftprijs. In die laatste hoedanigheid schreef Meinders eind 2020 aan Jessurun d’Oliveira dat bestuur en jury zich in 1990 wel degelijk bewust waren geweest dat de bekroning van Eybers “op gespannen voet” stond met het reglement. “Sterker: strikt genomen was de bekroning onmogelijk, omdat het Afrikaans een zelfstandige taal is en geen ‘soort Nederlands’.” Meinderts schrijft dat hij zich de discussies, “met de statuten en reglementen in handen”, nog levendig herinnert. Nadat hij de argumenten die destijds gebruikt werden nog eens puntsgewijs uiteengezet heeft (waarbij hij op twee verschillende punten naar Ena Jansen verwijst), laat hij weten dat het huidige bestuur geen reden ziet om op basis van deze cause célèbre de regels aan te passen: “Het geval Eybers wordt volstrekt uniek geacht.” Volgens Meinderts staat het huidige bestuur ook nog altijd achter het besluit van toen: “[Het bestuur] kan slechts enthousiasme opbrengen voor de toenmalige bekroning van Eybers, zelfs als die naar de letter genomen in strijd is met de toen en nu nog steeds geldende regels.”

Voor de jurist Jessurun d’Oliveira zal de hele argumentatie misschien nog steeds iets onbevredigends houden. Maar als literator en jongere tijdgenoot van Eybers kan hij het er alleen maar mee eens zijn. En daarmee wordt de reputatie van De Parelduiker als “sympathiekste tijdschrift van Nederland” eens te meer bevestigd.

  • Op donderdag 26 augustus, 16.00 uur, gaat Ena Jansen tijdens Boeken uit het Huis, het online literatuurprogramma van het Zuid-Afrikahuis i.s.m. de Taalunie, met Martina Vitackova in gesprek over Immigrant, de nieuwe bloemlezing uit de poëzie van Elisabeth Eybers die onlangs bij Human & Rousseau is verschenen. De jonge Zuid-Afrikaanse dichteres Veronique Jephtas zal ingaan op de vraag wat de poëzie van Elisabeth Eybers nog te zeggen heeft voor een jongere generatie. 


 

i Jessurun d’Oliveira wijst erop dat de PC Hooftprijs ten spijte van de onderlinge verstaanbaarheid nog nooit is uitgereikt aan een Vlaamse schrijver. Vlaamse, Nederlandse én Surinaamse schrijvers komen wel in aanmerking voor de Prijs der Nederlandse Letteren, die onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse Taalunie valt. Het gaat hier volgens hem een stukje “politiek/staatkundige” prijzenverkaveling”: “De Vlaamse schrijvers vinden onderdak in de Prijs der Nederlandse Letteren, de Afrikanen staan met lege handen.”

ii IND = Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Buro: IG
  • 0
Top