Raster en Terras hebben mijn hang naar internationalisme geïntensiveerd – Erik Lindner

  • 1

“De ernst van de situatie wordt niet onderschat en daar ben ik veel positiever over dan hoe er zeven jaar geleden hard bezuinigd werd op precaire zaken als onderwijs, zorg en cultuur om de kredietcrisis te boven te komen.”

Só sê die digter en skrywer Erik Lindner, stigter-redakteur van Terras, as hy die literêre klimaat in Nederland ten tyde van die pandemie vandag vergelyk met die beginjare van die literêre tydskrif. Hy het met Willem de Vries gesels oor sy werksaamhede by die tydskrif waar hy vroeër vanjaar uitgetree het, hy bespreek internasionalisering en vertaling, en vertel van verskeie komende publikasies en projekte.

U is ’n digter, romanskrywer en resensent, het al verskeie publikasiegeleenthede vir letterkunde aanlyn geskep en aan verskeie multimediaprojekte deelgeneem. U het al literêre ontmoetings gereël, skrywers en lesers oor grense heen aan mekaar bekend gestel, u gee klas en maak literêre programme vir uitsaaiers, hetsy vir radio of die internet. Hoe sien die omstandighede van literêre produksie in die Nederlande vandag daaruit, gegewe die inperkings waarvan die oorsprong die koronavirus en/of ekonomiese redes is wat daaraan voorafgegaan het? Hoe raak die situasie heeltydse skrywers?

Schrijvers reageren zeer verschillend op de huidige crisis. Voor de een lijkt de rust en de isolatie de concentratie juist ten goede te komen, de ander verliest opdrachten en mist de motivatie die van projecten uit kan gaan. In mijn geval zijn een paar voordrachten buiten Nederland niet doorgegaan; in maart een poëzieroute in het Belgische Ninove, in mei op de Marché de la Poésie in Parijs de presentatie van de Franse vertalingen van Hans Faverey, in augustus een poëziefestival in Noorwegen waar ik met Anneke Brassinga heen zou gaan. Over de vertaling van de verzamelde gedichten van Hans Faverey hebben Kim Andringa, Éric Suchère en ik achttien jaar gedaan. Het voelt een beetje vreemd zo’n groot werk niet feestelijk te kunnen bezegelen, maar er wordt in de Franse pers gelukkig heel positief op de vertaling gereageerd. Voor mij is de periode toen de crisis uitbrak vrij intens geweest. Ik had dagelijks vanaf 13:00 het toezicht over mijn kinderen die niet naar school konden, dus moest ik het schrijven en andere literaire werk tot de ochtenden beperken.

Er zijn vrij snel een aantal regelingen in het leven geroepen om zelfstandigen te ondersteunen en ook het Nederlands Letterenfonds bood een ontwikkelingsbeurs aan om door te kunnen werken. Er komt ook geld van de LIRA om schrijvers, vertalers en journalisten te ondersteunen. De ernst van de situatie wordt niet onderschat en daar ben ik veel positiever over dan hoe er zeven jaar geleden hard bezuinigd werd op precaire zaken als onderwijs, zorg en cultuur om de kredietcrisis te boven te komen. Ik was indertijd actief en stabiel genoeg om dat te kunnen doorstaan, mede doordat ik voor een deel buiten Nederland werk en publiceer, maar heb aan veel mensen nabij gezien hoe moeilijk het voor hen werd. Ik hoop niet dat die periode terugkeert; het heeft zeer veel kunstenaars en schrijvers gedemotiveerd.

Waaraan werk u tans?

Ik voltooide net de tweede versie van mijn tweede roman, waar ik tijdens de crisis vrij geconcentreerd aan heb kunnen doorwerken. Die ligt nu bij de redacteur bij uitgeverij Van Oorschot. Anders dan tijdens het werken aan mijn eerste roman schrijf ik nu wel tussendoor gedichten. In de tussenperiodes van de verschillende versies van het boek hoop ik ook aan essays en artikelen te werken, onder meer een essay over de Hongaarse dichter János Pilinszky en hoe die in verschillende talen werd vertaald.

Ik heb een opdracht voor een gedicht in antwoord op het werk van Paul Celan, die honderd jaar geleden is geboren en vijftig jaar geleden gestorven. Verder ben ik adviseur literatuur aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht, een post-doc instituut voor de kunst, waar ik verschillende schrijvers begeleid en ook met beeldend kunstenaars praat over het talige element in hun werk of ook wel over hun beelden. En ik begeleid een vierdejaars student poëzie voor de Schrijversvakschool.

U het as stigterredakteur ’n bepalende rol gespeel in die tot stand bring en vormgewing van die tydskrif Terras wat in die gees van die tydskrif Raster ’n internasionale bewussyn in die Nederlandse letterkunde uitbou, met aandag aan skrywers en skryfkuns uit verskeie lande en taalgebiede. Die rol en plek van papier- en digitale uitgawes betref soorte kontinuïteit, hetsy tematies of deur ander, direkte gesprekke met voorgangers. Wat hieraan het u opgeval in u betrokkenheid en werksaamhede by Terras?

Toen Raster ophield, dreigde niet alleen het tijdschrift maar ook een experimentele ruimte verloren te gaan, een vrijplaats waar men naar eigen inzicht aandacht kon besteden aan literatuur uit alle windstreken. Nederlanders definiëren zich doorgaans als internationaal georiënteerd, maar er zijn maar weinig plekken waar men werkelijk het leeuwendeel van de pagina’s inruimt voor een ander perspectief, voor hedendaagse literatuur van elders.

.............

“De coronacrisis heeft daar op het moment opvallend genoeg een heel gunstige inbreuk op gemaakt. Er zijn een paar idealistische initiatieven die het tij nu proberen te kenteren maar ik weet niet of die op de lange termijn stand houden.” 

.............

Daarbij was Raster een beetje een dwarse bouwsteen in het fundament van uitgeverij De Bezige Bij, waar de auteurs die het tijdschrift maakten het voor het zeggen hadden. Ik wist dat we Raster niet door konden zetten, maar wilde die ruimte wel een vervolg geven. Dat hebben we gedaan door eerst handmatig bijdragen uit Raster te digitaliseren en ze dagelijks online per artikel aan te bieden, ook via alle mogelijke sociale media, en er zo deels een ander publiek voor te vinden. Vervolgens zijn we een eigen blad begonnen. Ik was gastredacteur van Raster in de laatste periode, ook even eindredacteur en heb zo samengewerkt met Jacq Vogelaar. Dat was ontzettend stimulerend.

De vraag digitaal of papier heeft altijd rond Terras gespeeld en ik heb steevast gezegd: we doen beiden. Niet alles wat online staat, komt in de papieren editie en niet alles uit de papieren nummers komt online. Ik schat in dat veel digitale lezers die ons trouw volgden na verloop van tijd toch papieren edities gingen bestellen of een abonnement namen. Raster en binnenkort ook Terras zijn ook te vinden bij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL). Door losse stukken dag na dag te brengen konden wij ze een nieuwe actualiteit geven, ook door ze samen te vatten voor lezers van nu. Het is een soort keukengeheim wat wel en niet een thema kan zijn voor Raster, en dat geldt ook voor Terras: thema’s die wijd zijn, verdiepen, en nooit beknellen. En we konden met veel goede vertalers werken die al voor Raster vertaalden, dat is zeer cruciaal, kwalitatief hoogstaande vertalingen in een tijdschrift als Terras.

Interne vernuwing, die rol van formate en die politiek van aanbieding bly dinamiese fasette van die digkuns. Waaruit spruit u belangstelling daarin om poësie in ’n verkennende gespek met ’n ander medium te plaas? U het tevore byvoorbeeld gesê die redaksie van Terras “wil voorbij het hokje van de literatuur kijken naar kunstuitingen met een literaire waarde en plaatst op de website tijdschriftterras.nl ook films. De twee papieren nummers die wij per jaar willen maken, die komen er.” Watter ander media leen hulself tot u poësie en hoekom?

De woorden die u citeert waren uit de prille begintijd. Een belangrijk onderscheid met voorganger Raster is de beeldende kunst. Medeoprichter Miek Zwamborn van Terras is schrijver én kunstenaar, zij was zeer bepalend voor hoe Terras er uit kwam te zien en haar werk is zeer onderscheidend. Ik merkte het ook aan haar geest, aan haar werkwijze, een zekere onverschrokkenheid die heel effectief is.

Daarnaast heb ik wat poëzie aangaat geleerd, door vanaf een vrij jonge leeftijd op reis te gaan met gedichten, dat het discours over poëzie, de plek die het in de cultuur ter plekke inneemt, sterk varieert. Dat is mij gaan fascineren; soms lijkt het wel alsof mensen in andere landen het over iets anders hebben als ze het over hedendaagse poëzie hebben. Ik denk dat het helpt als men het vermogen heeft tot op zekere hoogte het eigen perspectief op te kunnen geven, de eigen traditie of de eigen maatstaven; als men met open blik over de grens kijkt en niet te snel vergelijkingen trekt. Wat de andere media betreft, voor welhaast iedere dichter is de voordracht belangrijk, die vorm van presentatie, ook hardnekkig in de eigen taal te blijven voorlezen en de uitnodigende partij in het andere land uit te dagen na te denken hoe een vertaling te presenteren.

Dus kunnen improviseren, niet verrast te zijn als men daar onorthodoxe oplossingen voor verzint. Ik heb in Taipei gezien hoe een groep Indonesische mensen die daar woonde 35 mensen nodig had, een aantal Wajangpoppen incluis, om maar een gedicht voor te lezen. Vertalen kun je dus heel ruim nemen, het kan ook betekenen de elementen van een tekst anders in te zetten. Recenter heb ik samengewerkt met filmmakers en ben ik jurylid geweest van het internationale filmfestival Zebra (Münster en Berlijn, 2018). Lang niet alle poëziefilms zijn goed, ze maken ook niet altijd zoals gedacht een gedicht bekend bij een ander publiek, hoogstens een nieuwe maar nog kleinere niche. Maar er zijn kleine juweeltjes tussen.

Watter rol het Raster, en later Terras, in u eie skryfwerk en/of benadering van die letterkunde gespeel? U redakteurskap van Terras het ten dele oorvleuel met u redakteurskap van die literêre tydskrif De Revisor. Vertel asseblief van u betrokkenheid by laasgenoemde en wat u ervaring daarvan was.

Raster en Terras hebben mijn eigen hang naar internationalisme geïntensiveerd, misschien zelfs wel even geïnstitutionaliseerd. Bij Terras had ik uiteindelijk een sterk organiserende rol, als oprichter en als redacteur die tijdens geruime periodes het meeste werk verrichtte. Die had ik niet bij Revisor waar mij primair gevraagd werd reeksen gedichten van Nederlandse dichters voor het tijdschrift te selecteren. Toch las ik ook het proza en heeft het contact met de mederedacteuren me gestimuleerd. Bij Revisor heerste indertijd een zeer sterke en prettige kameraadschap.

.............

“Ik voltooide net de tweede versie van mijn tweede roman, waar ik tijdens de crisis vrij geconcentreerd aan heb kunnen doorwerken.” 

.............

Ik heb gedacht: Terras doe ik om een internationale ruimte open te houden, Revisor voor mijn eigen schrijven. Maar uiteindelijk werkte het zo niet en paste juist alleen Terras bij mij, sloten de internationale verkenningen ook aan bij mijn zoektocht als schrijver, ook al zijn die nooit identiek daaraan. Ik kan ook niemand aanraden in de redactie van twee tijdschriften te zetelen, het is te veel om op twee sporen tegelijk te werken.

Vertel asseblief van die literêre projekte waarby u tans betrokke is.

Het vertrek uit de redactie van Terras per 1 januari 2020 heeft mij veel meer ruimte gegeven, vooral geestelijke ruimte die ik goed kan aanwenden voor mijn schrijven. Maar er blijven altijd een paar zijprojecten doorlopen. Terras heeft een reeks hedendaagse klassieke dichtbundels in vertaling, waarin de Duitse Monika Rinck, de Canadees Ken Babstock en de Franse Anne Kawala in uitkwamen. Ik zou me er graag voor inspannen dat de Indonesiër Afrizal Malna een dergelijke uitgave krijgt. Jan Wagner en Federico Italiano brachten vorig jaar Grand Tour uit, een bloemlezing met Europese dichters van (tijdens de samenstelling) onder de vijftig. Samen met Anna Eble ben ik al langer bezig met een wereldvariant daarvan, zonder restrictie van leeftijd of continent, met veel nog onbekende dichters uit andere continenten.

Een bloemlezing ook waarin de notie dichters per land te rubriceren moet fluctueren, omdat veel dichters nu niet meer op de plek wonen waar ze geboren zijn of waar hun ouders geboren zijn. Verder staat er een eerste eigen Engelse publicatie in het vooruitzicht bij een Canadese uitgeverij met vertalingen door Francis Jones die onder meer Faverey en Esther Jansma in het Engels vertaalde, maar ook Vasko Popa en Ivan V. Lalić. Bij de Jan van Eyck Academie zijn we bezig het schrijversprogramma uit te breiden door ook dat te internationaliseren en denken we aan een literatuurfestival in 2021.

Terras het ontstaan in ’n tydperk toe onder meer letterkundetydskrifte aan die toemaak was. Bied die huidige tydperk wel moontlikhede vir ondernemende en nuwe publikasies? Wat sal u graag wil sien gebeur? As u vandag ’n nuwe letterkundetydskrif sou begin wat sou u uself daarmee ten doel stel?

Men maakt een tijdschrift omdat men een eigen opvatting heeft over literatuur. Zonder kan het niet. Natuurlijk moet men overleggen met subsidiegevers, uitgeverijen, richtlijnen bekijken, maar dat eigen idee moet voorop staan en nooit ondergesneeuwd raken. Toen Terras begon, hielden niet alleen een aantal tijdschriften op te bestaan, bij decreet van staatsecretaris Halbe Zijlstra mocht er zelfs geen enkele cent meer naar cultuurbladen, de reflectie moest helemaal ophouden. Men moet nooit vergeten dat dit gebeurde ten tijde van het gedoogkabinet, dus indirect werd afgedwongen door Geert Wilders die het kabinet aan een meerderheid hielp. Het sterke toch, we gaan het wel doen, is bepalend geweest voor ons begin.

Nederland heeft een wat rare verhouding met de eigen cultuur, dat leerde ik vooral tijdens de periodes dat ik in Frankrijk en Duitsland verbleef. Een land dat zijn eigen cultuur niet weet te ondersteunen, heeft geen bestaansrecht, zelfs niet als economische eenheid. En daarmee bedoel ik alle cultuur die nu gemaakt wordt, niet het rare poppenkastspel van populisten rond archetypische iconen. Toch was het verzet tegen de cultuurbezuinigingen vrij zwak, bijna apologetisch, als uiting van excuus dat men subsidie kreeg.

De subsidies voor literaire tijdschriften gaan naar de honoraria, in het geval van Terras hoofdzakelijk die van vertalers, die ook betaald moeten worden. De redacteuren werken evengoed als vrijwilligers, ook als het blad subsidie ontvangt. Men moet dus wel een drijfveer hebben, een idee, anders is het niet vol te houden. Ik hoop dat verzet in het geval dat het weer nodig wordt veel krachtiger wordt, anders redden we het niet.

U poësie is in Frans, Duits en Italiaans ook te lees en u het internasionaal reeds op verskeie feeste opgetree. U was tevore inwonende skrywer in Taipei, Montreal, Marseille en Berlyn. Nederlandse poësie word verryk deur internasionale verwantskappe en dialekte. Hoe ervaar u die teenwoordigheid van Afrikaanse skrywers en boeke in die Nederlandse letterkunde? Wie of watter skrywers en digters beskou u as belangrik in die kulturele tussengebied tussen Suid-Afrika en die Nederlande, en waaraan skryf u dit toe?

In Nederland maakt men vaak de vergissing dat in het buitenland opereren een gevolg zou zijn van netwerken, alsof men in Nederland wel kwaliteitsmaatstaven hanteert en buiten Nederland het alleen om mensen kennen zou gaan. Een rare dubbelzinnige en uiteindelijk nationalistische houding. Selectieprocedures buiten Nederland, zoals bij het prachtige Berliner Künstlerprogramm van de DAAD in Berlijn, zijn juist vele malen strenger dan die in Nederland. Alleen zijn de kwaliteitscriteria er andere dan die bij ons.

Dichters die veel buiten Nederland voorlezen, zoals voor mij Arjen Duinker en nu na mij Frank Keizer, zijn juist eerder opvallend verlegen; geen van ons drieën is bijzonder sociaal bij gelegenheden als festivals. Toch komt men daar een ander soort verwantschappen tegen, na veel geduld en goed zoeken, en dat zijn bijzondere, juist omdat de competitie tussen schrijvers binnen hetzelfde taalgebied wegvalt.

Wat het Afrikaans aangaat, bij Raster valt Breyten Breytenbach vanaf het prille begin niet weg te denken en het is ook via dat writer-in-residence programma van de DAAD, dat ik met hem en zijn werk in aanraking kwam. Net als met Charl-Pierre Naudé, een eigenzinnige en intelligente schrijver. Natuurlijk is er het werk van Antjie Krog en ook in Raster en Terras, Marlene van Niekerk. Recentere ontdekkingen voor mij zijn Ronelda S. Kamfer en Koleka Putuma. Mocht dichter en vertaler Alfred Schaffer in Zuid-Afrika blijven wonen en vertalen, dan verwacht ik alleen maar een toename van dat belangrijke tussengebied. Bij het samenstellen van Terras #15 “Afrika” was het zelfs beleid om niet te veel Zuid-Afrikaanse auteurs te brengen, om nu eens de aandacht te vestigen op auteurs uit andere Afrikaanse landen.

Tyd en herinnering verander ’n mens se persepsie van ’n stad en ’n mens kry die indruk van verskeie beelde of idees oor ’n stad wat oor mekaar skuif. Sodoende is die stad ’n plek, maar ook ’n ander stad, asook vele stede op één plek, het u by geleentheid laat blyk. ’n Palimpses ontstaan deur die oneweredige verspreiding van dinamieke, ou probleme en nuwe moontlikhede. Dit gee ’n eie karakter aan hierdie veelkantige ruimtes. Wat staan vir u vandag voorop van “die stad wat die stad inneem” as u as digter praat oor die Amsterdam waar u woon en werk? U het tevore aandag aan Berlyn in hierdie verband geskenk. Hoe vergelyk u ervaring van die twee stede en hul veelkantige ruimtes met mekaar?

Een stad is zowel kleedkamer als toneel, keuken als restaurant, machinekamer als pronkzaal. De stad waar je woont is vooral je toilet, je kast, je berging. Remigreren is uiteindelijk het zwaarst als de stad die men kent niet meer hetzelfde is als die was en tegelijk de verworven ervaringen elders er moeilijk in passen. Uiteindelijk wil ik niet te lang en niet te ver weg zijn van mijn kinderen en dat heeft mijn leven veranderd en mijn reizen voorlopig sterk ingeperkt.

Over Amsterdam werd ik helaas steeds negatiever; het massatoerisme op dorpsniveau perkte de ruimte in en gaf wrijving en irritatie, zelfs agressie. De coronacrisis heeft daar op het moment opvallend genoeg een heel gunstige inbreuk op gemaakt. Er zijn een paar idealistische initiatieven die het tij nu proberen te kenteren maar ik weet niet of die op de lange termijn stand houden. Berlijn is tegengesteld, nog steeds ruim ondanks de flinke toeloop, een andere gesteldheid waarin veel meer naast elkaar beweegt.

Aantrekkelijk, ook omdat sommige niet bepaald esthetische stadsgebieden en loze ruimtes blijven bestaan, niet blinkend gemaakt lijken te kunnen worden, wat op zich al iets Duits heeft. Ik hou daar wel van. De geciteerde regel is trouwens van Peter Gizzi en gaat over Marseille (“If, in Provence”) en indirect over die rare driemaandelijkse quarantaine van ergens als schrijver overgeleverd zijn aan de plek die je wilt beschrijven en die tegelijk je leven tijdens die maanden bepaalt.

Sien u in die formele en informele vergrendeling in Nederland op voetsoolvlak groter mededeelsaamheid en onderlinge belangstelling in mekaar posvat? Ontstaan nuwe soorte vergrendeling of kom ’n kombinasie van hierdie dinge na vore? Hoe raak die huidige situasie die literêre gesprek en temas?

Een combinatie, voorlopig. Om een heel praktisch voorbeeld te geven: op de Jan van Eyck Academie verblijven 35 internationale kunstenaars. Die zijn afgelopen maanden voor een groot deel niet gekomen. Maar we hebben de academie niet gesloten, hun jaar begint gewoon in India of in Mexico en in plaats van op afgesproken uren hun studio binnen te lopen, spreek ik met ze via een videoverbinding. Dat zijn grotendeels heel intensieve gesprekken. Kunstenaars die in deze periode projecten zouden realiseren, buiten filmen of een installatie op locatie bouwen, bleven thuis en zijn veelal gaan schrijven; schetsmatig of in de vorm van een scenario, soms ook literair.

Het rijmt met de wens van de nieuwe directeur van de academie, Hicham Khalidi, om de beeldende kunst in het teken te zien van het klimaat. Letterlijk ook minder vlieguren. Het idee niet te kunnen reizen beangstigt me, ik beweeg me graag vrij rond, maar als ik spreek met een Mexicaanse kunstenaar die een picturaal schrift wil verzinnen voor de taal die haar moeder spreekt en die nooit is opgeschreven, of een Turkse videomaker die dieren die in een vallei leefden totdat die vallei is drooggelegd een eigen dierentaal wil geven, dan raak ik wel begeesterd. Reizend is het heel aangenaam op de oppervlakte te blijven, indrukken op te snuiven, veel te wandelen.

In dialoog via Skype moet ik wel in gesprek, me met hen engageren, iets terugzeggen. Ik denk dat het voor iedere schrijver verschillend werkt. Door de vergrendeling moet men zich heroriënteren. Dat is best wel goed. Ik zou willen dat men er wat langer bij stil blijft staan maar ben bang dat men alleen al om de economie te redden weer heel snel begint te rennen.

Buro: MvH
  • 1

Kommentaar

  • Pingback: Interview met Erik Lindner |

  • Comments are closed.

    Top