Slavernij in Azië op de kaart

  • 0

In zijn monografie Kleurrijke tragiek schetst Matthias van Rossum een beeld van de slavernij in Azië onder de VOC. En anders dan zekere collega-deskundigen vergeet hij Zuid-Afrika daarbij niet.

Kleurrijke tragiek. De geschiedenis van slavernij in Azië onder de VOC
door Matthias van Rossum
Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2015
ISBN 9789087045173
91 p., geïll., 15,-

Rond de herdenking van de afschaffing van de slavernij in Suriname en op de Antilliaanse eilanden – op 1 juli 2018 precies 155 jaar geleden – kwam het in 2015 verschenen boekje Kleurrijke tragiek weer even onder de aandacht. In deze monografie schetst historicus Matthias van Rossum van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam een beeld van de slavernij in Azië onder de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC).

Volgens Van Rossum is er over het Aziatische slavernijverleden – de slavernij in gebieden waar de VOC het voor het zeggen had – veel minder geschreven dan over de trans-Atlantische slavenhandel – het verkeer tussen Afrika en de Nederlandse koloniën in Zuid-Amerika. Ten onrechte, vindt de auteur, want als je naar de getallen kijkt, raakte de slavernij in Azië meer mensen dan de trans-Atlantische slavernij. Een voor de hand liggende verklaring voor het verschil in aantallen is dat de slavernij in Azië eerder op gang kwam en een groter gebied bestreek. Hoewel slavernij binnen de Nederlandse context vooral met Suriname en de Antilliaanse eilanden geassocieerd wordt, lijkt het er volgens Van Rossum op “dat de ervaring met slavernij en de ontwikkeling van de praktijk van slavernij zich eerder bewogen heeft van Azië naar het Atlantisch gebied dan andersom”.

Er zijn twee misvattingen waar Van Rossum in zijn boek graag mee wil afrekenen. De eerste is het idee dat de slavernij in Azië “milder” zou zijn geweest dan in het Caribische gebied. Van Rossum laat aan de hand van historisch bronnenmateriaal zien dat de omstandigheden waaronder slaven in Azië moesten leven en werken, beslist niet makkelijker waren dan op de plantages in Zuid-Amerika. Wat de ervaringen van slaven in Azië, Zuid-Amerika en elders in de wereld vergelijkbaar maakt – vroeger én nu – is volgens Van Rossum de rol van de markt. Het feit dat een mens verhandeld kan worden, berooft hem van zijn menselijke waardigheid en reduceert hem tot een stuk eigendom.

De tweede misvatting is het idee dat alles de schuld was van de VOC. Volgens Van Rossum was het aandeel van de VOC in de slavernij en de slavenhandel in Azië relatief klein. Uit de voorbeelden die hij geeft, blijkt dat het, naast Nederlandse kooplieden en rijke Aziaten, weliswaar vaak VOC-ambtenaren waren die slaven hielden en slavenhandel bedreven, maar dat ze dit op persoonlijke titel deden. “De rol van VOC-werknemers in de slavenhandel was aanzienlijk”, schrijft Van Rossum. “Een recente eerste schatting suggereert dat de toegestane particuliere slavenhandel door hogere bemanningsleden werkzaam op VOC-schepen in de intra-Aziatische vaart mogelijk een derde tot de helft van het Nederlandse aandeel in de Aziatische slavenhandel uitmaakte.”

Tegen de bagatellisering

Met Kleurrijke tragiek doet Van Rossum een poging om het door hem geconstateerde gebrek aan aandacht voor het Nederlandse slavernijverleden in Azië te corrigeren. In zijn boek kijkt hij vooral naar de verschijningsvormen en de economische betekenis van de Aziatische slavernij. Daarbij laat hij de slaven, slavenhouders en andere betrokkenen ook zelf aan het woord. Voorbeelden en citaten zijn ontleend aan historisch bronnenmateriaal uit het Nationaal Archief in Den Haag, de Sri Lanka National Archives in Colombo, bronnenpublicaties en gedigitaliseerde delen van de archieven in de Tamil Nadu Archives in Chennai en het Arsip Nasional in Jakarta. Ogenschijnlijk saaie bronnen zoals gerechtsstukken, verkoopakten, dagregisters en plakkaten vormen voor dit soort onderzoek een rijke bron.

Met zijn boek positioneert Van Rossum zich in het soms verhitte debat dat in Nederland over het slavernijverleden wordt gevoerd, al heeft dat dus over het algemeen betrekking op de trans-Atlantische slavenhandel. Hij is vooral kritisch jegens de Leidse historicus Piet Emmer, die beweert dat het slavernijsysteem niet winstgevend was en “economisch gezien” eigenlijk “niet voor de hand lag”. Volgens Van Rossum is de afgelopen jaren bewezen dat slavernij en slavenhandel de Republiek economisch wel degelijk vooruit hebben geholpen en ook een belangrijke factor zijn geweest bij het ontstaan van de economische voorsprong van Europa op de rest van de wereld.

Van Rossum vindt de “bagatelliserende houding” van Emmer en zijn medestanders om meerdere redenen zorgwekkend. Ten eerste plaatst de voorstelling van het slavernijverleden “als een doodlopend zijspoor in een grotere, op vrijheid en rede gebaseerde Westerse ontwikkeling naar moderniteit” slavernij buiten de Europese geschiedenis, schrijft hij. “Het reduceren van slavernij en slavenhandel tot een irrationeel en onlogisch verschijnsel verwijdert dit verleden van de toeschouwer. Het wordt daarmee weliswaar een ‘donkere’ bladzijde, maar ook een bladzijde die schijnbaar ver achter ons ligt. […] Daarmee wordt het een hoofdstuk van ons verleden dat we ons moeten herinneren, maar niet hoeven te begrijpen, omdat ‘wij’ onszelf met de afschaffing van de slavernij reeds bevrijd zouden hebben van het verleden van slaven en slavenhouders.”

Ten tweede leidt bagatellisering van het slavernijverleden ertoe dat we uit het oog verliezen welke impact deze praktijk op Azië heeft gehad. “De uitwerking van de wijdverspreide slavernij en slavenhandel kan niet anders dan negatief zijn geweest”, stelt Van Rossum. Mensenroof, oorlog, onvrijheid… Dat alles moet grote gevolgen hebben gehad voor zowel de interculturele verhoudingen tussen Azië en Europa als de vorming van een koloniale cultuur onder de Europese elite in de koloniën en in Europa zelf.

En ten derde vertroebelt het bagatelliseren van het slavernijverleden volgens Van Rossum ook het zicht op “vormen van mensenhandel, slavernij, schuldverhoudingen, onvrijheid, dwang en ander onmenselijk leed” in onze huidige tijd.

Voortschrijdend inzicht

Volgens Van Rossum is er over de slavernij in Azië tijdens het VOC-bewind nog weinig gepubliceerd. De informatie die hij heeft verzameld over het wie, wat, waar en hoe van slavernij en slavenhandel in Azië is zo elementair, dat je je afvraagt hoe het mogelijk is dat dit nog niet eerder uitgezocht is. (Van Rossum geeft wel rekenschap van Reggie Baays Daar werd wat gruwelijks verricht. Slavernij in Nederlands-Indië, dat eveneens in 2015 verscheen, kort voor zijn eigen boek ter perse ging.)

Wanneer er over het Nederlandse slavernijverleden wordt geschreven, komt Zuid-Afrika er gewoonlijk nog bekaaider af dan Azië. Wanneer het gaat over “het Nederlandse slavernijverleden” lijkt men zich er vaak niet van bewust dat er ook aan de Kaap in de VOC-tijd slaven werden gehouden. Gelukkig weet Van Rossum deze valkuil te vermijden. Zijn insteek is immers “de slavernij in Azië onder de VOC”. Het gebied waar de VOC het voor het zeggen had, sloot ook Kaap de Goede Hoop in, en daarnaast kwamen veel van de zogenaamde “Maleise slaven” die aan de Kaap te werk gesteld werden, uit het uitgestrekte gebied waar de VOC aan bewind was. Hoewel de Kaap strikt genomen buiten zijn onderzoeksterrein valt, weet Van Rossum op goedgekozen momenten een verband te leggen met de slavernij aan de Kaap. Hiervoor maakt hij onder meer gebruik van het werk van de Zuid-Afrikaanse historicus Nigel Worden en van het – ook in het Nederlands verschenen – boek van Dan Sleigh en Piet Westra over de opstand op het slavenschip Meermin (2013).

Op de tentoonstelling over de trans-Atlantische slavernij die momenteel in het Tropenmuseum te zien is, wordt nadrukkelijk ook aandacht geschonken aan elementen als verzet, veerkracht, hoop en creativiteit.  Tot slaaf gemaakten waren niet alleen slachtoffers, lijken de tentoonstellingsmakers te willen zeggen; het waren ook mensen met trots en waardigheid. Dat is een belangrijke gedachte, vooral voor wie de geschiedenis wil doortrekken van de eigen voorouders tot nu.

In zijn boek over de slavernij in Azië gaat Van Rossum kort in op verschillende vormen van “ontsnapping”, zoals vrijkopen, weglopen en de vlucht in drugs, waanzin of zelfmoord. Maar vanuit zijn vraagstelling of de slavernij in Azië “milder” was dan elders in de wereld, lag specifieke aandacht voor de kracht van de tot slaaf gemaakten waarschijnlijk niet erg voor de hand. Er valt over de slavernij in Azië nog veel te zeggen. In het kader van voortschrijdend inzicht zou het mooi zijn als meer constructieve aspecten, die recht doen aan de menselijke waardigheid van de tot slaaf gemaakten in Azië, in dit vervolgonderzoek ook een plaats krijgen.

Lees ook:

Op toekomstige expositie verdient ook Zuid-Afrikaans slavernijverleden een plaats

Buro: IG
  • 0
Top