Tweespraak met Marc Tritsmans: "Zonder twijfel is het voor een dichter een prachtig cadeau als de vertaler wordt gedreven door een gevoel van verwantschap en affiniteit"

  • 0

Zes jaar na de Zuid-Afrikaanse uitgave van Die singende wêreld (Naledi, 2019), de Afrikaanse vertaling van Het zingen van de wereld (2017), verschijnt van de Belgische dichter Marc Tritsmans komend najaar The singing of the world (Poetry Salzburg, 2025). Voor beide vertalingen, respectievelijk door Daniel Hugo en John Irons, mocht ik telkens een beschouwing schrijven over het literaire oeuvre. De Engelse vertaling door de gerenommeerde John Irons en mijn voorwoord “In search of a glimpse. On the poetry of Marc Tritsmans” zijn de aanleiding om terug te keren naar Die singende wêreld en in gesprek met de schrijver de vertalingen in Afrikaans en Engels tegen het licht te houden.

Over de Afrikaanse vertaling liet Daniel Hugo in een vraaggesprek met Stefaan Goossens op de website van het Poëziecentrum (Gent, 2019) het volgende optekenen:

Ek het eers ’n bloemlesing uit Tritsmans se hele oeuvre oorweeg, maar besluit om sy laaste bundel integraal te vertaal – die eerste keer dat ek so iets doen – omdat die gedigte so naatloos by mekaar aansluit en so ’n suiwer vergestalting is van sy wereldbeskouiing. Die bundel vorm ’n hegte eenheid, en om ’n enkele gedig weg te laat sou ’n skade en skande wees. Dit is vir my verbasend en onverklaarbaar dat Tritsmans so weinig aandag kry in die Lae Lande. Sy ekologiese belangstelling maak hom juis ’n aktuele digter. Hy gee in sy gedigte stem aan die aarde met al sy bedreigde spesies. Hy doen dit in melancholies-liriese gedigte, waarvan die vaste versvorm as teenvoeter moet dien vir ’n wêreld wat besig is om vernietig te word deur die inhalige, luidrugtige, besoedelende, gewetenlose mensdom.

Die singende wêreld kreeg in Zuid-Afrika een relatief beperkte maar gunstige kritische ontvangst. Ook in het Engelse taalgebied functioneert Tritsmans’ poëzie. Op het einde van mijn voorwoord in The singing of the world noteer ik:

That Tritsmans’ poetry finds a voice, sometimes harrowing and not all that melodious, for the “inevitable/necessary song” is sufficient reason for me to ask for more attention to be paid to this always more or less underrated poetry in the Dutch language area. The singing of the world, a translation by John Irons of the collection Het zingen van de wereld, is appearing approximately twenty years after James Brockway provided an anthology of translated poems (from Tritsmans’ first four collections) in From now on. The excellent translations by John Irons open wider a door to Tritsmans’ poetry for the English language area (vertaling John Irons).

In het vermelde onderhoud met Goossens (Poëziecentrum) stelde Hugo naar aanleiding van een vraag over de rol van vertaalwerk voor de ontwikkeling van het eigen schrijverschap:

Die digter wat my die meeste beïnvloed het, is waarskynlik Herman de Coninck. Ek voel veral aangetrokke tot sy vernuftige woordspel en soepel hantering van ’n vaste versvorm soos die sonnet. Sy vermoë om intieme ervarings ’n objektiewe taalgestalte te gee is indrukwekkend. Met Marc Tritsmans voel ek ’n geesgenootskap, hoewel hy diepsinniger as ek is. Ek dink nie my eie aard as digter is deur hierdie digters verander nie, wel het hulle my groter selfvertroue gegee op die pad wat ek lankal reeds ingeslaan het.

Yves: Is het voor een vertaler van belang, zoals Daniel Hugo hierboven met betrekking tot jouw gedichten beweert, een zekere mate van poëticale verwantschap te ervaren met het werk van een buitenlands auteur? De vraag is maar of een esthetische voorkeur effectief ook meer voldragen vertalingen oplevert. Vertaling dus als een overwegend empathische lezing of een creatieve receptieproductie van anderstalige literatuur. Hoe heb jij jouw poëzie in het Afrikaans ervaren? Onder anderen Heilna du Plooy (Versindaba) en Joan Hambidge (persoonlijke blog) schreven met waardering over Die singende wêreld. Hoe leest de dichter zelf het eigen werk in een andere taal (Afrikaans en Engels)?

Marc: Bij het lezen van je eigen gedichten in een andere taal is de kennis van deze taal natuurlijk van doorslaggevend belang. En hoewel het Afrikaans veel dichter – dan het Engels – aanleunt bij het Nederlands, is mijn aanvoelen van het Afrikaanse idioom onvoldoende om daarover een goed oordeel te kunnen vellen. Maar zonder twijfel is het voor een dichter een prachtig cadeau als de vertaler wordt gedreven door een gevoel van verwantschap en affiniteit. Vooral als de vertaler dan ook nog  een volledige bundel wil vertalen omdat hij zelf ook voelt dat die een ondeelbaar geheel vormt waaruit niets kan worden weggelaten. Alleszins tonen de recensies van Heilna du Plooy en Joan Hambidge aan dat de vertaalde gedichten ook in het Afrikaans wel degelijk als poëzie functioneren.

...
“Hoe vertaalde gedichten door het lezerspubliek (en door recensenten) in het buitenland worden gelezen en gepercipieerd, hangt natuurlijk in niet onbelangrijke mate af van de thematiek die wordt behandeld.” (Marc Tritsmans)
...

Yves: Vertaald werk circuleert, functioneert en wordt gerecipieerd in een literatuursysteem buiten het brontaalgebied. Vertaalde literatuur maakt deel uit van het gesprek over literatuur in een ander cultuurgebied. Ze verhoudt zich tot of gaat voor lokale lezers in gesprek met de literatuurproductie van die verschillende brontaal- of cultuurcontext. Marc Tritsmans’ poëzie wordt in het Afrikaans en het Engels anders gelezen dan in het Nederlands. Niet alleen heeft het lezerspubliek in het buitenland bepaalde (uiteenlopende) verwachtingen die cultureel en literair divergent zijn ten opzichte van de taalregio waar het werk is tot stand gekomen. De vertaler heeft een bemiddelende rol en maakt keuzes in het vertaalproces die behalve bepaald door esthetische of poëticale factoren worden gestuurd door literaire traditie, gesprekken over literaire esthetica, maatschappelijke context en het cultureel referentiekader van de omgeving waarin het werk wordt gelezen. Behalve een letterlijke woord-voor-woord vertaling, in zoverre überhaupt mogelijk (talen hebben meer dan alleen lexicale verschillen), is er zoiets als een idiosyncratische of een culturele vertaling waarbij tekstuele referenties voor een anderstalig doelpubliek (moeten) worden verduidelijkt. In hoeverre komen jouw vertalers tegemoet aan het lezerspubliek dat ze voor ogen hebben. Behalve vertaalstrategieën en specifieke woordkeuze – bepaald door de vertalerspoëtica – worden in de vertaalslag van bronteksten beslissingen genomen die de poëzie in een taal- en cultuurgebied een verschillende strekking of weerklank geven dan de oorspronkelijke broncultuurteksten.

Marc: Hoe vertaalde gedichten door het lezerspubliek (en door recensenten) in het buitenland worden gelezen en gepercipieerd, hangt natuurlijk in niet onbelangrijke mate af van de thematiek die wordt behandeld. In het geval van Het zingen van de wereld is deze thematiek erg universeel.

Wat de Afrikaanse vertalingen van Daniel Hugo betreft: precies omdat Daniel de ‘bedoeling’, de strekking en de samenhang van mijn gedichten in deze specifieke bundel zo goed blijkt aan te voelen, ben ik er ook van overtuigd dat hij deze poëzie ‘juister’ en meer doorvoeld in zijn eigen moedertaal heeft kunnen omzetten. Dat zou totaal anders zijn geweest als het hier om een vertaalopdracht zou zijn gegaan.

Bij de vertalingen van John Irons (in het Engels) liggen de zaken toch enigszins anders. Hoewel mijn kennis van het Engelse idioom verre van perfect is, is in de loop van de jaren dat ik met John samenwerk wel gebleken dat mijn opmerkingen in het merendeel van de gevallen kunnen helpen om de vertalingen te ‘verfijnen’. Soms gaan mijn opmerkingen en suggesties over de sfeer of de klank(kleur) van een woord in de vertaling, of een ritme dat niet helemaal loopt zoals het volgens mij zou moeten lopen. Soms dienen in het Engels ook hele woordvolgorden zodanig te worden omgekeerd en aangepast dat de tekst uiteindelijk een vergelijkbare opbouw en impact krijgt als in het Nederlands.

Yves: In hoeverre ben je als schrijver betrokken bij de vertaling? Ben jij het schrijverstype dat zich mengt in het vertaalproces en dus sturend optreedt? Of laat je de vertaler zijn werk doen?

Marc: In eerste instantie meng ik mij absoluut niet met het vertaalproces. Bij een onvoldoende kennis van de taal heeft het daarenboven weinig zin om in de keuken van de vertaler te komen. De vertalingen van Daniel Hugo zijn dan ook helemaal zonder mijn inbreng tot stand gekomen. Maar precies door het organische vertaalproces en de duidelijke keuze van de vertaler voor (en affiniteit met) deze dichtbundel, was ik helemaal overtuigd van deze werkwijze.

Met John Irons loopt het dus totaal anders. Toen ik in de loop van 2023 een eerste  vertaling (in het Deens) van het titelgedicht uit Het zingen van de wereld van hem ontving, kon ik niet vermoeden dat enkele maanden later de volledige bundel in het Engels zou vertaald zijn. John vertaalt in golven en kiest – zonder mijn inbreng – welke gedichten hij wil vertalen. Hij staat er echter op dat ik steeds mijn opmerkingen doorgeef. In het begin deed ik dat zeer aarzelend, maar naarmate ik merkte dat mijn opmerkingen door hem zeer werden geapprecieerd én in het merendeel van de gevallen ook in de tekst werden doorgevoerd, werd het duidelijk dat net deze manier van samenwerken tot de best mogelijke vertalingen zou leiden. In The singing of the world staat op het voorblad dan ook ‘Translated by John Irons in collaboration with the author’. John stond er ook op dat dit zo werd geformuleerd.

...
“Door de grotere verwantschap tussen het Nederlands en het Afrikaans heb ik zeker de indruk dat de overeenkomsten in ritme en woordvolgorde groter zijn in het Afrikaans dan in het Engels.” (Marc Tritsmans)
...

Yves: Niet alleen de lezer en de vertaler, ook de uitgeverij speelt een beslissende rol in de beeldvorming van literatuur in het buitenland. Het gaat dan over de keuze voor een vertaler, de opmaak van achterplatteksten en de aanmaak van promotiemateriaal, coverontwerpen, teksten van voor- of nawoorden. Ben je bij dat productieproces actief betrokken?

Marc: Mijn uitgever (Nieuw Amsterdam) heeft zich absoluut niet met deze vertalingen beziggehouden. Ze zijn dus – ondanks mijn verzoek – op geen enkel moment betrokken partij geweest, noch bij de Afrikaanse, noch bij de Engelse vertalingen. Ik heb nog steeds niet kunnen achterhalen wat de oorzaak of de reden is van deze totale desinteresse. Het lijkt wel een selffulfilling prophecy: aangezien de vertaling van poëzie volgens hen bijna een onmogelijke zaak is (zeker economisch gezien!), steken zij daar als uitgever geen energie in. Als auteur vind ik dat wel een spijtige zaak.

Yves: Die singende wêreld en The singing of the world leveren voor vertaalwetenschappelijk onderzoek een interessante casus: het gaat dan met name over de wijze waarop twee geroutineerde vertalers, respectievelijk in het Afrikaans en het Engels, jouw gedichten hebben gelezen en bewerkt. Zijn de vertalingen van John Irons creatiever of inventiever dan wat Daniel Hugo vanuit een zelfverklaard “geesgenootskap” heeft tot stand gebracht? Ervaar je zelf dat jouw poëzie in beide talen ritmisch, stilistisch en lexicaal anders resoneert dan in het Nederlands?

Marc: Door de grotere verwantschap tussen het Nederlands en het Afrikaans heb ik zeker de indruk dat de overeenkomsten in ritme en woordvolgorde groter zijn in het Afrikaans dan in het Engels. John Irons had heel wat problemen met de lange zinsconstructies die ik vaak in mijn gedichten gebruik en waarbij in het Nederlands heel andere woordvolgorden kunnen worden toegepast dan in het Engels. De soms bijna niet te onderscheiden wijze waarop een welbepaalde woordvolgorde en de precieze woordkeuze in de ene taal bv. een zachte ironie kan uitdrukken, terwijl daar in de andere taal geen spoor van te bekennen valt: dat zijn nu eenmaal dingen die in vertalingen vaak verloren gaan. En dan moeten er uiteraard keuzes worden gemaakt...

Hier moet ik echter aan toevoegen dat beide vertalers blijkbaar een grote affiniteit voelden met deze specifieke bundel aangezien ze hem beiden hebben uitgekozen om integraal te vertalen.

Als ik de twee vertalingen opnieuw aandachtig lees, voel ik trouwens hoe beide vertalers er op wonderlijke manier in geslaagd zijn om deze dichtbundel als een homogeen geheel in hun eigen taal om te zetten.

Yves: Ben je vertrouwd met de oudere of actuele Afrikaanse poëzie? Zuid-Afrikaanse dichters zijn vertaald in het Nederlands, onder meer door Robert Dorsman, Alfred Schaffer en Jan van der Haar. Het werk van Breyten Breytenbach en Antjie Krog, wellicht ook andere dichters, zal je vertrouwd zijn.

Marc: Buiten de door jou genoemde dichters (Breyten Breytenbach en Antjie Krog) moet ik bekennen dat de Afrikaanse poëzie voor mij een totaal onbekende is. Ik heb ook helemaal geen rechtstreekse banden met Zuid-Afrika – ik ben er ook nog nooit geweest – en het was voor mij dan ook een complete verrassing toen Daniel Hugo me voorstelde om Het zingen van de wereld in het Afrikaans te vertalen.

...
“Ik heb me lang geleden – met overtuiging – aangesloten bij De Klimaatdichters, maar ik moet vaststellen dat ik niet goed functioneer in zulk een 'dichterscollectief'” (Marc Tritsmans)
...

Yves: Niet alleen in het Nederlands is de ecopoëzie sterk vertegenwoordigd, onder meer door het collectief De Klimaatdichters (https://www.klimaatdichters.org/, met onder anderen Moya de Feijter, Dominique de Groen e.a.). Jouw werk heeft een uitgesproken ecokritische inslag. Ook de Afrikaanse literatuur, meer in het bijzonder in een postkoloniale Zuid-Afrikaanse context, wordt door reflecties over natuur, klimaat en milieu bepaald. In andere culturele omgevingen, in een verschillende (literaire en sociale) omgeving, laat de ecopoëzie een diversiteit van stemmen horen. Dichters zoals Antjie Krog, Johann Lodewyk Marais, Pieter Odendaal, Susan Smith, Wilma Stockenström en Marlene van Niekerk thematiseren (de gevolgen van) de klimaatopwarming. De impact van de globale klimaat- en milieucrisis laat zich in een postkoloniale omgeving zoals Zuid-Afrika anders gelden dan in de Lage Landen, daarom niet minder acuut of meer ingrijpend. Hoe kijk jij daar naar als dichter die sterk maatschappelijk betrokken is en de klimaatproblematiek becommentarieert in zijn poëzie?

Marc:  Ook ik heb me lang geleden – met overtuiging – aangesloten bij De Klimaatdichters, maar ik moet vaststellen dat ik niet goed functioneer in zulk een 'dichterscollectief'. Ik ga eerder – en liever – als individu (op mijn eigen tempo en vanuit mijn eigen invalshoek) tekeer tegen allerlei misstanden. Ook het schrijven in opdracht of over een bepaald thema geeft bij mij steeds aanleiding tot een soort intrinsieke weerstand.

Het lijkt me overigens maar vanzelfsprekend dat overal ter wereld dichters deze universele problematiek in hun werk behandelen. Het valt me trouwens moeilijk om te begrijpen dat er nog mensen zijn die niet (willen) inzien dat het hier gaat om de meest universele en meest existentiële uitdaging van de mensheid tot nu toe. Je kan volgens mij deze fundamentele problematiek dus niet langer negeren of ontkennen; ook niet in de literatuur.

Yves: Veel dank voor het gesprek, Marc. Ik kijk uit naar The singing of the world in de vertaling van John Irons en in een uitgave van Poetry Salzburg. Zoals gezegd zal het interessant zijn de vertalingen van Het zingen van de wereld vergelijkend te lezen en inzichten te verkrijgen in de particuliere wijze waarop de vertalers aan het werk zijn gegaan. Kun je misschien tot slot nog iets kwijt over de reproductie van een schilderij van Anselm Kiefer op het voorplat van The singing of the world?

Marc: Het gaat om het schilderij Sternenfall (Die berühmten Orden der Nacht) uit 1997. Hierop portretteert Kiefer zichzelf als een eenzame figuur die op uitgedroogde, gebarsten grond ligt onder een indrukwekkende sterrenhemel. Kiefer is gefascineerd door de nachtelijke hemel en de verschillende interpretaties daarvan in de loop van de menselijke geschiedenis. Spiritualiteit, meent de kunstenaar, bestaat uit het “verbinden met een oudere kennis en proberen continuïteit te vinden in de redenen waarom we naar de hemel kijken. De hemel is een idee, een stukje oude innerlijke kennis. Het is geen fysieke constructie”.

Voor mij was het meteen duidelijk dat dit schilderij naadloos aansloot bij het opzet en de inhoud van mijn bundel. Het was een soort ‘coup de foudre’.

Ik had dit overigens al in 2017, toen Het zingen van de wereld voor het eerst verscheen, aan mijn uitgever (Nieuw Amsterdam) voorgesteld. Die antwoordde toen kort dat dit totaal onmogelijk (onbetaalbaar) zou zijn aangezien het hier ging om een schilderij van een nog levende en ‘beroemde’ schilder.

Het was dan ook tegen beter weten in dat ik het toch nog eens opnieuw aan Poetry Salzburg voorstelde. En kijk: precies in Salzburg bleek zich de Eschaton – Anselm Kiefer Foundation te bevinden. Een eerste mailtje van de uitgever bleef zonder reactie; toen hij echter een brief per post verstuurde kwam er prompt een onverwacht positief antwoord. De wonderen zijn de wereld dus nog niet uit...

*

In 2024 is Now is the time uitgegeven.

De schrijver lichtte toe in een mail gericht aan genodigden voor de boekvoorstelling:

Dit (letterlijk) kleine boekje (10,5 x 15 cm) dient te worden beschouwd als een zijstapje, of noem het een hors d’oeuvre.

Het kende zijn aanzet toen John Irons (Engels vertaler) een reeks van 25 van mijn gedichten spontaan begon te vertalen en uiteindelijk doorging tot het eind. Deze reeks gedichten maakte onder de titel Dit is de tijd eerder al deel uit van mijn dichtbundel Terwijl wij nog slapen (2023). En hoewel de reeks werd geschreven in 2019-2020, lijkt ze vandaag nog niets van haar actualiteitswaarde verloren te hebben. Het was fotograaf Jef Van Eynde die vervolgens het initiatief nam om deze gedichten, gecombineerd met eigen foto's, als een echt boekje te laten uitgeven. Hij selecteerde 72 polaroidfoto’s, zodat het uiteindelijk ook een kijkboekje werd dat 96 pagina’s telt. Uitgeverij MER (Gent) was bereid om het uit te geven. 

*

De tweespraak wordt gebundeld in Twee overzijden. Literaire vraaggesprekken op de brug tussen Afrikaans en Nederlands (Academia Press, Gent, 2025). De reeks op Voertaal bevat dialogen met schrijvers en vertalers: Benno Barnard, Simone Atangana Bekono, Zandra Bezuidenhout, Dominique Botha, Robert Dorsman, Babs Gons, Lynthia Julius, Antjie Krog, Tom Lanoye, Lisette Ma Neza, Danie Marais, Charl-Pierre Naudé, S.J. Naudé, Fanie Olivier, Jolyn Phillips, Alfred Schaffer, Riana Scheepers, Francois Smith, Nicol Stassen, Marlies Taljard, Marc Tritsmans, Miriam Van hee, Etienne van Heerden, Marlene van Niekerk, Eben Venter, Peter Verhelst, Gert Vlok Nel en Ingrid Winterbach.

Lees ook:

Bekroonde Belgiese digter "gelukkig en dankbaar" oor ontvangs van sy bundel in Afrikaanse vertaling

  • 0
Verified by MonsterInsights
Top