Anders-zijn, de betekenis van de ‘ander’ in de literatuur
Viet Thanh Nguyen
Oorspronkelijke titel: To save and to destroy; writing as an other (2025)
Vertaald door Jetty Huisman
Baarn: Uitgeverij Marmer
September 2025
185 blz.
Bijzonder boeiende bundel met de teksten van de zes Norton Lectures (Harvard University) van Viet Thanh Nguyen, Amerikaans-Vietnamese hoogleraar Engels, Amerikanistiek en Etniciteit aan de Universiteit van Zuid-Californië.
- Nguyen won ook de Pulitzerprijs.
- Erudiet en aansprekend.
I. Dubbelgangers (15–42)
- “Voor sommige vluchtelingen is het moeilijk aan te wijzen wanneer ze zich niet langer vluchteling voelen (…). Ik bepaal de plaats waar ik ben ontstaan niet alleen in mijn geboorteland Viêt Nam, maar ook in de leemte van mijn geheugen, van waaruit ik opdook in een vluchtelingenkamp in Pennsylvania. Zonder deze oorsprongen, zonder mijn dubbelganger die een vluchteling is en dat altijd zal blijven, was ik geen schrijver geworden, in elk geval niet het soort schrijver dat de herinnering met zich meedraagt van wat een vluchteling is: de belichaming van het ‘naakte leven’.” (19)
- Over “Edward Said, een van mijn voorbeeldfiguren”. (19–21; 68; 71; 77)
- Derrida (36–37)
- “Voor wie over anderen wil schrijven, liggen drie grote verleidingen op de loer.” (28)
- “(...) De eerste verleiding is een ideale of sentimentele voorstelling van zaken te schetsen, de ander als engel of slachtoffer af te schilderen, diens fouten te verbloemen of diens pijn te overdrijven.” (28)
- De tweede verleiding: “afstand nemen van de massa en zo minder als doelwit dienen, juist doordat je dan paradoxaal genoeg zichtbaarder wordt, meer een individu en zo wellicht ook menselijker.” (33)
- De derde verleiding: “de ander beschouwen als een identiteit.” (36)
- “Mijn eentaligheid, mijn taalinfantilisme, is een van de dingen die me tot Amerikaan maken.” (48–49)
II. Spreken voor een ander (43–65)
- Nguyens eerste roman De sympathisant werd als manuscript door dertien van de veertien benaderde uitgevers afgewezen. (53)
- Stemlozen een stem geven: “Heb je dan wel eens in een Vietnamees restaurant gegeten? Vietnamezen thuis bezocht of tijd met hen doorgebracht? Wij zijn namelijk heel erg luidruchtig.” (55–56)
- W.E.B Du Bois over Zwarte mensen die zichzelf altijd door hun eigen ogen én die van anderen zien. (57)
- “Ik heb als Amerikaan mijn ouders bespioneerd en als Vietnamees de Amerikanen.” (57)
- “Het anders-zijn en de stem zijn dus zowel gemeenschappelijke als individuele aangelegenheden.” (58)
- “Mijn moeder maakt deel van mij uit, maar ze is ook mijn ander, net zoals ze dat voor zichzelf was.” (65)
III. Over Palestina en Azië (67-91)
- Over zelfverdediging, inclusie en solidariteit. (72–73; 86)
- Verwijzing naar bloemlezing Aziatisch-Amerikaanse literatuur Aiiieeeee! (71–72)
- Over Aziatisch-Amerikanen (80–81)
- Over Vietnamezen in Frankrijk: goed behandeld als harde werkers die geen Algerijnen, Noord-Afrikanen, Arabieren, moslims of Zwarten zijn. (81)
- Over immigranten: ambitie, assimilatie, angst. Prachtige opsomming van toegevoegde waarde immigranten. (82–83)
- Joseph Conrad (83)
- Mahmoud Darwish (87–88)
- Nadine Gordimer & Amos Oz (89–91)
IV. Over de grens (93–115)
- Over Jhumpa Lahiri (95–100)
- Over Ha Jin, The writer as migrant (98)
- Ken Chen (101–102)
- De Bijbel (103)
- Gloria Anzaldúa (106)
- Theresa Cha (108)
- Behrouz Boochani, Alleen de bergen zijn mijn vrienden (111–115)
- Over vluchtelingen: “Wie ontheemd is, leeft in twee tijdzones, het hier en het daar, het heden en het verleden, tijdreizigers tegen wil en dank.” (104)
- Inspiratiebronnen: Toni Morrison, Maxine Hong Kingston, António Lobo Antunes en W.G. Sebald (105)
V. Over meerder- en minderheden(117–142)
- Over minderheden (122)
- Bellow: “Wie is de Tolstoj van de Zoeloes? De Proust van de Papoea’s?” (122)
- Over Kafka (122–123)
- Baldwin (124–126)
- Richard Wright (125–132)
- Fanon (131)
- LayliLong Soldier (133–137)
- Solmaz Sharif (137)
- Mai Der Vang (138)
- Deleuze & Guattari: “Hoe word je een nomade, een immigrant en een zigeuner ten opzichte van je eigen taal?” (134)
VI. Over de vreugde van het anders zijn (143–164)
- Over Pessoa (144; 157)
- Calvino (144)
- Murakami (146–147)
- Derek Walcott: “Ik ben ofwel niemand, of een heel volk.” (159)
- - Richard Wilbur: “Poëzie is voor sommige mensen nog steeds iets nuttigs (...) een schoen bijvoorbeeld.”
- “Dat vind ik een mooi beeld, het gedicht als een schoen, resultaat van zowel kunst is ambacht, inspiratie en inspanning, even nutteloos als bruikbaar: de aardse zool die de ondergrond vormt en wordt vertrapt en de geestelijke ziel die voor onszelf en anderen altijd een mysterie zal blijven. Hier geen tegenpolen, maar een fusie, een woordspel tussen de zool en de ziel.” (Sole en soul klinken in het Engels hetzelfde). (160)
Lees ook:
Leesimpressie: In wat voor land leef ik eigenlijk? door Karin Amatmoekrim

