
Ngando en andere verhalen
Paul Lomami Tshibamba
Voorwoorden door Sibo Rugwiza Kanobana en Mukala Kadima-Nzuji
Vertaald door Manik Sarkar
Amsterdam: De Geus
2023
237 blz.
Drie in 1948 gepubliceerde verhalen met scherpe beelden van de contrasten tussen de oorspronkelijke bewoners van Congo en de koloniale nieuwkomers.
- Met inleidingen van Congolese auteurs uit verschillende generaties.
- Veelvuldig voorkomende namen en begrippen vragen veel aandacht van de lezer: “Volgens mij is een Ngbaka-Mabo capita-katoen-boy belangrijker dan een putulugesi en zijn schapen.” (119)
- De geesten van de gestorven stamvaders (Nkira) en de kwade geesten van de doden (Nkuya) zijn nadrukkelijk aanwezig.
Sibo Rugwiza Kanobana (7–27)
- Lomami Tshibamba “wees erop dat het wenselijk zou zijn dat de Congolezen die zich een westerse levensstijl hebben eigen gemaakt erkend zouden worden als gelijken met de ‘blanken’. Deze visie zou hem ernstige problemen opleveren: hij werd voor de rechter gedaagd en veroordeeld tot zweepslagen, elke donderdag gedurende drie werken.” (14)
- “Mensen blijken kosmologieën te ontwikkelen die niet zoeken naar controle maar hen helpen om met het oncontroleerbare om te gaan. Wat het boek vooral fascinerend maakt, is dat deze mythische surreële elementen worden vermengd met naturalistische beschrijvingen van het dagelijks leven, in dit geval van Congo in de jaren veertig. Uitbundige fantastische decors die soms neigen naar een soort van Afrofuturistisch wereldbeeld botsen met ernstige en steriele beschrijvingen van koloniale gevangenissen, bedreigende milities, onrechtvaardige rechters, gevoelloze artsen en hardvochtige onderdrukking.” (19)
Mukala Kadima-Nzuji (29–33)
- Ngando: “In het verhaal ontvouwen zich twee ruimtes: de ene realistisch, de andere mythisch, die omdat ze zo met elkaar verweven zijn een scherp afgebakend universum oproepen waarin dag en nacht, leven en dood, het zichtbare en het onzichtbare naast elkaar bestaan, ja zelfs symbolisch worden gecombineerd tot een samenhangend geheel.” (31)
Ngando (35–112)
- De witte mensen “hebben in Kintambo grote huizen neergezet, lupitalu (hospitalen) geheten, waar ze alle zieken onder de lokale bevolking naartoe brengen die ze te pakken krijgen. Daar worden ze door dokter Mukuwa Mpamba en de witte verpleegster Mama Lukala dagelijks met lange naalden geprikt, net zolang tot ze dood neervallen. Zodra ze de geest hebben gegeven snijdt Mukuwa Mpamba, bijgestaan door Mama Lukala – beiden in wit gekleed – hun buik en borstkas open; dan halen ze de hele inhoud eruit, die ze wanneer het donker is bij wijze van offergave in de rivier gooien om de watergeesten die de kostbare steen bewaken ontvankelijker te maken voor de onophoudelijke zoektochten van andere witten naar de beroemde steen met de goddelijke voetafdruk.” (46–47)
- “In de haven lagen als rustende dikhuiden lange rijen van zakken maïs, olienoten, kopal, rubber, sorghum, gierst rijst, en vooral oliepalmpitten uit de binnenlanden van Afrika, allemaal bedekt met brede dekzeilen, wachtend op het vertrek naar Europa, het land van de witte mens, het land waar de Afrikanen over droomden en waarvandaan zoveel mooie en goede dingen naar ons toekomen.” (63)
- “De geesten willen de witten de weg versperren om te verhinderen dat ze de zwarten nog verder zouden bevrijden uit de greep van onwetendheid en alle andere zaken waarmee ze hen in hun macht hielden, en daarom veroorzaakten de geesten een natuurramp (...)” (91–92)
Geneeskunde bedrijven (113–173)
- “Ondertussen sluipt de nacht ervandoor. De dag breekt aan zonder dat het einde van de nacht wordt aangekondigd. De zon verschijnt achter het woud, klimt timide boven de bomen uit. Iets te vroeg naar de zin van de dorpelingen.” (122)
- “In alle hutten werd het donker dan ook gevuld met duizend-en-een vervloekingen omdat het zo ruim de tijd nam ervandoor te gaan en plaats te maken voor het daglicht.” (146)
De legende van Londema, opperleenvrouw van Mitsue-Ba-Nogimi (175–229)
- “Want wie heeft ooit gezien dat vrouwen hun loslippigheid kunnen beheersen?” (197)
- “De maan die al een paar dagen naar andere streken was vertrokken, keerde terug met zijn ondeugende gezicht, nu eens uitgerekt en gebogen als de hoorn van een antilope, dan weer vrolijk en vol.” (224)

