Paul Rigolle
Het omber en het oker
Uitgeverij P
ISBN: 9789464757705
Zo is het. In mijn hoopvolle fantasie is het voor velen geen verrassing. De dichter Paul Rigolle mag zeker even in de kijker geplaatst worden. Toch, voor alle duidelijkheid: dit is terzelfdertijd een mooie gelegenheid om als extraatje te vermelden dat hij als eindredacteur van het online tijdschrift De Schaal van Digther nog een pluim verdient. Ken je het niet? Bezoek het als je zin en vooral ruim tijd hebt.
Het tijdschrift ontstond als een schrijffout. Eentje om nooit spijt van te hebben. Tussen 1999 en midden 2012 verscheen het op papier. Sindsdien bloeit het weelderig op het internet. Alleen al in 2025 vielen er 178 bijdragen te smaken. Veel gedichten. Daarnaast aankondigingen, recensies en al eens een vleugje proza. Je mag altijd even op verkenning gaan: https://digther.blogspot.com/
Paul is daarnaast zelf een niet te versmaden dichter. Vorig jaar verscheen Het omber en het oker, zijn zesde bundel. Hij nodigt je uit om als bij een trouwe vriend op tijd en stond eens langs te lopen. Je neemt de bundel vast, bladert en haast onvermijdelijk laat een gedicht je om een of andere reden halthouden. In de eerste van de zes cycli focussen de gedichten zich op taal en poëzie schrijven. Later komen dagboekmomenten, kunsten en afscheid aan bod. Zeg maar: de ruimte van het leven, tot diep in de ziel, met de taalvoeten op de grond. Zo zijn ze klassiek van opbouw en dat mag gelden als een rots in de branding. Je leest, herleest, legt andere pauzes en plukt zo aanvullende beelden en ervaringen. Laat me van die vervoering enkele voorbeelden geven.
Het eerste gedicht Missie eindigt met:
Over het pierewaaien, het konkelfoezen
van de taal en de tijd die jou gegeven is,
over de wereld, over de dagen en de dingen
zul je zingen als zonder reden.
Kan het anders? De dichter fladdert rond, moet zingen, in naam van velen, en toch mag het speelse, zelfs in de ernst, nooit vergeten worden. Het is meer dan een missie. Dit is een verwelkoming in zijn Atelier. Heel even denk je aan een werkplek. Zeer snel zet je een pasje opzij, zoals de alomtegenwoordige jongen zelf even dient te wachten. Er is een erfenis, een taal om je plekje tot een nieuw beeld te vormen. Het lijfelijke hoort bij de smidse, toch de vuurtaal. Vlammen zoeken vormen, plooien via handen en aambeeld het leven, tot een zacht penseel de laatste poging vat. De jongen mag dan nog in de bramen blijven haken, hij zal terugkeren, steeds opnieuw proberen:
Hier is hij het! Hier zal hij het zijn!
De jongen die hapert aan de bramen.
De man die breekt en davert en weet
hoe vol op een lier van leegte de eeuwen
kunnen trillen. Hier zal hij het zijn!
Mag dat al als in Orgelpunt benoemd worden?
Orgelpunt, zoete mechaniekjes zoemen
en zingen, stappen welhaast geluidloos mee
in de trage triomftocht van het gedicht.
Zo anders dan de heftigheid van de smidse. Hier raakt een tekst geluidloos, onopvallend, zojuist geformuleerd dat het spel van letter en komma’s, bijvoeglijk of zelfstandig, het op de juiste plaats vallen van dat alles, een openbaring inhoudt. Het wordt een vers dat goed klinkt nadat alles op de juiste plaats valt. Zo verovert het terecht een plaats in de bundel. Zo mag ieder gedicht dat daarin lukt eigenlijk die bekroning, orgelpunt, genoemd worden, om in rustige zaligheid gesmaakt te worden.
Een bos vol bomen, hout dat naar de sappen
snakt en smaakt, zuurstof in ieder blad
het park houdt ons aan de praat.
Zo lezen we in Zorgvliet. Het houdt iedereen aan de praat. Iedereen die zien wil wat voor onze ogen wordt geopenbaard. Al eens verstoord, maar toch, eerder hemels dan moedeloos verschijnt het in het schrijven als het ultieme verweer. Het is in een adem wandelen doorheen gedichten, natuur en leven. Het levenspad laat ons als pelgrims een Camino stappen en ja:
Hij die met mij is weggegaan,
denkt aan de doden die hij achterliet.
En die levenswandel verwoordt Paul haast achteloos maar zo juist:
Een rivier op aarde en dan plots beseffen:
geluk is een jaagpad in de regen.
Wie het geluk eenvoudig en helder herkent, kan wellicht zingen als Merel. Merel zingt een lamento in de Afscheid-cyclus. Wie herkent niet de leeftijd die het lichaam al eens laat signaleren dat straks een kast een kist zal worden. Laat het, als het even kan, nog als een vlucht vogels passeren. Al is het onhoorbaar, weet dat de merel een nieuwe ochtend aankondigt. Zo wordt een brokje afscheid een weerkerende troost. Zelfs al zijn we soms aangewezen op de ander, zoeken we tevergeefs:
In het holst
van de nacht noteerde je hoe onhoorbaar
soms de merel zingt tot het ochtend wordt.
Ach, liefhebbers van prachtige diepgang, van het zoeken naar een plaats, het ordenen van tijd en woorden: dit is een in een heerlijke taal beschouwen met een vaak fraai gevonden wijsheid. Als het even kan: laat meelezen een mooi vervolg worden.


