Bij Koppernik (Amsterdam) verschijnt op 24 november 2026, precies twee jaar na het overlijden, een ruime bloemlezing uit de poëzie van Breyten Breytenbach (1939–2024). De tweetalige anthologiebundel (ca. 250 p.) biedt een selectie uit de vertaalde poëzie in het Nederlands, aangevuld met een vijftiental nieuwe vertalingen van Afrikaanse gedichten. Antjie Krog, internationaal bekend Zuid-Afrikaans auteur én kenner van Breytenbachs poëzie, voorziet de tekstselectie van een woord vooraf.
Koppernik is met Van Gennep, Meulenhoff en Podium de uitgeverij die het werk van Breytenbach bezorgt in Nederland. In 2015, een jaar na de oprichting van Koppernik, is Breytenbachs bundel In de loop van de woorden gepubliceerd (zonder de Afrikaanse bronteksten). Breytenbach stelde de kopij ter beschikking, ontleend aan de openingsafdeling ‘in die loop van woorde’ in Oorblyfsel (Island Position/Pirogue Kollektief & Hond, Groenkloof/Brooklyn/Kaapstad/Gorée/Parijs, 2014) en vertaald door Laurens van Krevelen.
Voor de samenstelling van de tekstselectie uit Breytenbachs verzamelde poëzie is Breytenbach-kenner professor Yves T’Sjoen (Universiteit Gent en Universiteit Stellenbosch) benaderd. Het verbindende thema is de nomade, de reiziger als een centraal motief in het poëtisch oeuvre, het prozawerk én de beeldende kunst van Breytenbach.
De bloemlezing verschijnt twintig jaar na het omvangrijke volume De windvanger. Gedichten 1964–2007 (Podium, Amsterdam, 2006, vertalingen Krijn Peter Hesselink, Adriaan van Dis en Laurens van Krevelen) en bijna tien jaar na De zingende hand (Podium, Amsterdam, 2017, vertaling Laurens van Krevelen). De onburger wordt gepresenteerd op het congres ‘Inter-Breyten. Breytenbach in context’ in Gent (26-27 november 2026).
De naam Breytenbach is bekend in de Lage Landen, onder meer toe te schrijven aan de vriendenkring waartoe schrijvers behoorden zoals Remco Campert, Hugo Claus, Lucebert, Bert Schierbeek, H.C. ten Berge en Adriaan van Dis. In het recent verschenen getuigenis van Conny Braam, Memoires van een activiste (2026), komt de naam herhaaldelijk voor. Breytenbachs werk is uitgegeven in Nederland, hij exposeerde bij de modernistische Galerie Espace (Amsterdam) en trad geregeld op in Amsterdam, zoals met Remco Campert tijdens de presentatie van de bloemlezing De zingende hand in het Zuid-Afrikahuis.
Gezien de relaties met de Lage Landen, ook het steuncomité Breytenbach (met naast Maarten Mooij en Adriaan van der Staay onder meer Bert Schierbeek, Adriaan van Dis en Laurens van Krevelen) in de periode van zijn gevangenschap in Zuid-Afrika (1975–1982), resoneert de schrijversnaam in het Nederlandse taalgebied. Postuum is de geplande anthologiebundel een eerbetoon aan de dichter. Het integrale werk overschouwend wordt voor het Nederlandse lezerspubliek een sterke selectie gemaakt. De opname van een vijftiental nieuwe vertalingen zal de bloemlezing tot een unieke boekpublicatie maken die in Nederland en België de nodige aandacht krijgt.
Najaarsaanbieding 2026: https://www.koppernik.nl/najaarsaanbieding-2026/
Uitgeverij Koppernik, Amsterdam
...
De nomade is geen kuddedier dat zich gedwee aanpast, maar een vogel die ongebonden zingt zoals hij is gebekt.
...
Toelichting bij het thema: het nomadische in de lyriek van Breyten Breytenbach
Het discours over Breytenbachs Middenwereld, zoals uitgedrukt in The Middle World Quartet, alsook in poëzie en schilder- en tekenkunst, handelt over de nomade, of in Breytenbachs voorstelling: “the uncitizen” (de onburger) in een liminaal universum. De nonconformistische vagebond, zwerver of reiziger, staat op zijn autonomie en laat zich niet inkapselen door een politiek denksysteem of bijvoorbeeld een kleinburgerlijke visie op mens en maatschappij. De nomade is geen kuddedier dat zich gedwee aanpast, maar een vogel die ongebonden zingt zoals hij is gebekt. Opmerkelijk is dat Breytenbach het nomadische niet alleen in ruimtelijke zin beschouwde, maar bijvoorbeeld ook linguïstisch. Het Afrikaans ziet hij in een van zijn gedichten als een nomadisch gegeven (een “bastertaal”).
In het literaire en artistieke werk van Breytenbach komt niet toevallig het vogelmotief prominent naar voren. Het maatschappelijke en politieke commentaar van Breytenbach, doorgaans gevoed door een pan-Afrikaans gedachtegoed en een Zen-boeddhistische geloofsovertuiging, spreekt over dat nomadische leven en denken. De beelden in de lyriek worden vrij met elkaar geassocieerd en het referentiekader is resoluut modernistisch, doorgaans surrealistisch. Ook in gedichten krijgt het Middenwereld-vertoog metaforisch gestalte, niet uitsluitend in reflecterend proza zoals in Notes from the Middle World (2009). Hoewel een oeuvre wordt gezien als een verzameling van teksten in diverse genres, zoals bij Breytenbach epiek, lyriek, dramatiek spreekt voor zich dat die teksten (vaak hybride genreteksten) in relatie tot elkaar zijn geconcipieerd, functioneren en moeten worden gelezen. Ook vanuit disciplinair oogpunt (literatuur en toneel, grafische kunst, muziek) is er sprake van een mengvorm: de expressievormen – intratekstueel en intermediaal – zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Het overkoepelende narratieve kader waarin Breytenbachs literatuur en kunst bestaat, is dat van de Middenwereld. Zie onder meer in een korte periode van Breytenbachs publieke schrijverschap titels zoals Notes from the Middle World, A veil of footsteps (memoir of a nomadic fictional character) (2008) en Oorblyfsel/Voice over (op reis in gesprek met Magmoed Darwiesj)/(the momadic conversation with Mahmoud Darwish) (2009). Ik denk tegelijk aan subtitels zoals Jan Afrika’s Papierblom (72 gedigte uit ’n swerfjoernaal) (1998) en de roman Dog heart (a travel memoir) (1998). In proza en poëzie vindt de lezer van Breytenbach indringende en veelvoudige metaforische getuigenissen van het liminale denken: “ergens-nergens”, het “tussen-in” gebied of het land van “MOR”. Louise Viljoen heeft er in Die mond vol vuur. Beskouings oor die werk van Breyten Breytenbach (2014) uitgebreid over geschreven in de context van de inzichten van Victor Turner en Anton van Gennep (in de jaren 1960), meer bepaald in het hoofdstuk ‘Die skrywer as liminale figuur’ (p. 173-194). Zij noteert op p. 176: “tekste [...] deel [...] die eienskap van liminaliteit in die sin dat elkeen van die tekste gegenereer is in ’n gebied tussen bepaalde diskoerse of genres”. Dit gegeven van de overgangszone – het liminale – verbindt de verschillende discursieve en non-discursieve uitdrukkingsvormen van de voorstellingswereld van Breytenbach. Het gaat over een veelomvattend complex bestaande uit hybride genres en intermediale verbanden, teksten en (talige en visuele) beelden als onderdeel van een Gesamtkunstwerk. Dat is precies wat mij in het verzameld werk fascineert: de vervlechting van woord en grafiek, het “gebied tussen [...] diskoerse en genres”. Het nomadische en het liminale komen wel vaker voor in oeuvres van dichters en schilders. In het geval van Breytenbach zijn alle facetten van een rijk geschakeerd oeuvre – onder meer toespraken, essays, verhalend en bespiegelend proza, lyriek, toneelteksten en vertalingen/hertalingen, tekeningen, collages en schilderijen, ook bijvoorbeeld het gebruik van heteroniemen als aanduiding van een prismatische identiteit – binnen dat frame van de liminaliteit of dus de liminale ruimte te lezen. Dat heeft Viljoen grondig aangetoond in haar lezing van met name Woordwerk (die kantskryfjoernaal van ’n swerwer) (1999). De poëziebloemlezing laat vanuit diachroon oogpunt, met vroege teksten zoals (eerder vertaalde) gedichten uit die ysterkoei moet sweet (1964), Die huis van die dowe (1967), Kouevuur (1969) en Lotus (1970), en ook speciaal voor de gelegenheid in het Nederlands vertaalde gedichten uit de laatste bundels op weg na kû (2019) en Hokhokaai (2021), een brede waaier zien van reisgedichten, gefictionaliseerde getuigenissen van een liminale figuur steeds op doorreis.
Yves T’Sjoen
Lees ook:
Breyten schrijven #43: Postumiteiten voor Breyten. In gesprek met Annika van der Linde
Breyten schrijven #42: Postumiteiten voor Breyten. In gesprek met Alwyn Roux
Breyten schrijven #41: Postumiteiten voor Breyten. In gesprek met Marilet Sienaert


