
De ontdekking van de Nederlander in boeken en prenten rond 1800
Eveline Koolhaas-Grosfeld
Zutphen: Walburg Pers
2010
400 blz.
Zeer rijk geïllustreerd minutieus onderzoek over natievormende beelden uit het Nederland van de vroege negentiende eeuw.
- Vooral over de Amsterdamse prent- en boekuitgever Evert Maaskamp (1769–1834) en zijn etnografische serie Afbeeldingen van kleeding, zeden en gewoonten in de Bataafse Republiek.
- Grondige studie, in wisselende mate toegankelijk. Gebaseerd op veel literatuur. (365–388)
Opmerkelijke passages
- Verwijzing naar eerdere studies over cultureel nationalisme van o.a. Niek van Sas en Jan Bank. (7)
- Dominee Engelbertus M. Engelberts (1731–1807): “Is het niet bespottelijk genoeg, dat mans en vrouwen zig op geen andere wijze durven kleeden of gedraagen, dan de Franschen of Engelschen hen zijn voorgegaan? (Hoewel het tevens te bejammeren is, dat daar door der natie niet alleen kleinagting wordt aangedaan van zulke basterdkinderen, die ons vaderland heeft opgekweekt, maar ook een onbeschrijfelijke schade wordt toegebragt in het verval van kunsten en handwerken).” (19)
- - Martinus Houttuyn. Zes verscheidenheden: “De ‘wilde mensch’, dat is een menselijke variant ‘zeer na aan de beesten’, de Amerikaanen, de ‘Europeërs’, de ‘Asiaanen’, de ‘Afrikaanen’ en de ‘monstrueuse of wanschapen menschen’. Tot de laatste kategorie rekent Houttuyn met een uitzonderlijk klein, groot of dik lichaam, en mensen die opzettelijk zijn verminkt, zoals Hottentotten die van een teelbal zijn ontdaan en Europese vrouwen die hun lichaam misvormen met strak ingesnoerde keurslijven.” (80)
- “Ik kwam tot de ontdekking dat het etnisch natiebeeld – hoofdthema van mijn boek – in Nederland een achttiende-eeuwse uitvinding is geweest, en niet een negentiende-eeuwse, zoals altijd wordt gedacht. (...) Nu het taboe op het bespreken van etniciteit en etnische verschillen is opgeheven kan het geen kwaad onszelf te spiegelen aan het verleden. Wat is er werkelijk in het geding? Voor Berkheij was dat etnische zuiverheid.” (90)
- Volksvermenging en Bataafse mythe. (100–108). “Een zeer groot aandeel in de volksvermenging hebben de Franse Hugenoten. Ooit als vluchtelingen hier gekomen zijn zij inmiddels uitgegroeid tot een bijzonder ‘nuttig volk’, waaraan veel Hollandse steden hun welvaart te danken hebben. (...) het zijn over het algemeen ‘welmeenende en getrouwe vaderlanders’ geworden, vindt Berkheij. Ook de meer recente ‘tweede sterke volksvermenging’ met onze ‘oude en alleregste oorspronglijke nagebuuren, en verwanten, de Duitschers’ beschouwt hij als een voordeel. Totaal anders oordeelt Berkheij over de Engelsen. (...) ‘de zagtheid van zeden, en de bescheidenheid der Hollanders’ gaat niet goed samen met de ‘driftige, losbandige, en, ten onzen opzichte, versmaadende gevoelens der Engelschen’.” (106)
- Etnische verscheidenheid van Holland. (132–152).
- Gebaseerd op eigen onderzoek van Berkheij en de inbreng een aantal “kundige lieden.” (132)
- “De Gooilanders zijn voor een groot deel uit hetzelfde hout gesneden als de oostelijke Zuid-Hollanders. In alles wat zij doen straalt een zekere ‘stoutheid en wakkerheid’ door. Toch neemt Berkheij de Gooilanders apart, omdat zij een stuk onbeschaafder zijn gebleven dan de rest. De meeste wonen in ‘geringe hutten’, zijn niet erg zindelijk en gaan eenvoudig boers gekleed, al slijten de Joden ook hier gemakkelijk tweedehands ‘steedse’ kleding.” (135–136)
- “Wat hun lichaamsgestalte en houding betreft moeten de vrouwen uit het noorden het helemaal afleggen tegen die uit het zuiden. Niet dat zij slechter zijn bedeeld; van nature bezitten ook zij alles wat mooi is aan een Hollandse vrouw: ‘een welgeschaapen lichaam, onbedwongen van leest, fier van gelaat, wakker van tred, welgevoed van boezem, vast van middel, mitsgaders sterk en rond van heup.’ Maar hier in het noorden en vooral in Waterland, tasten de vrouwen hun natuurlijke schoonheid aan door zich op de verkeerde ouderwetse manier te kleden met keurslijven die het bovenlichaam van achteren bol en van voren hol maken, en met nauwsluitende, lange jakken waaronder zich ‘een last van rokken’ bevindt. Het geheel wordt er niet mooier op door hun ‘sloffende en sleepende’ manier van lopen vanwege de gewoonte om muilen over de schoenen te dragen (...)” (143–144)
- Kenmerken en receptie van Berkheij, Natuurlijke historie van Holland. (150–151)
- Reis door Holland in de jaren 1806–1812. (224–265)
- Reisliteratuur over Nederland begin 19e eeuw. (225–228)
- Lodewijk Napoleon laat rapporten opstellen o.a. over de koophandel, het fabriekswezen en de landbouw, over de moerassen, de toestand van de Joden, van de wetenschap, de literatuur en de kunsten. (230)
- Vrouwen veranderen en kiezen voor de nieuwe mode van losse, geplooide kleding. “Haar gestalte mag dan een stuk ongedwongener en bekoorlijker zijn geworden, de ‘dartelende vrolijkheid’ van een Franse, Engelse of Italiaanse vrouw zal een Nederlandse nooit eigen zijn. Verstandigheid, huwelijkstrouw, goed moederschap, huishoudelijkheid – dat zijn de eigenschappen die de Nederlandse vrouw sieren.” (238)
- “In Gelderland observeert de reiziger geboeide de ‘losheid’ en ‘ongekunstelde bevalligheid’ van het Gelderse ‘landmeisje’ – de manier waarop met de handen in de zij haar schort losjes optilt, hoe haar schone boezem ‘ongehinderd zwelt’ onder de dubbele doek van batist en chits, en ‘heerlijk lelie-wit’ afsteekt bij de zongebruinde hals en handen. (...) een ‘zonderling oeroud gebruik’: op Pinksterochtend trekt ‘een stoet van melkers en melkeressen’ naar buiten om tijdens een gezamenlijk ontbijt het zindelijkste melkmeisje te verkiezen. Als beloning krijgt haar koe een bloemenkrans om de nek. Het slordigste melkmeisje daarentegen wordt geplaagd met een ‘afzigtige pop van stroo en een boschje brandenetels’.” (242)
- “Kortom, de vraag die ik mij aan het begin had gesteld of de kunst rond 1800 een constructieve bijdrage heeft geleverd aan het nationaal besef, kan bevestigend beantwoord worden.” (309)
- Summary (389–392)
Lees ook:
Leesimpressie: Ik hoor dat je in Nederland bent... door Daria Lysenko

