Twee overzijden. Gesprekken op de literaire brug tussen Afrikaans en Nederlands (Academia Press, Gent, 2026) bundelt 33 dialogen over het dynamische transnationale gesprek tussen Afrikaanse en Nederlandse literatuur. De polyfone opzet van het boek draagt bij aan een geschakeerd beeld van de actuele transmissie van teksten, al dan niet door bemiddeling van vertaling en netwerking, en van cross-culturele vertogen in de literaire cultuur van beide talen. Hiertoe zijn schrijvers, vertalers en andere literaire en culturele actoren uitgenodigd om met samensteller Yves T’Sjoen in gesprek te gaan. De selectie van gespreksgenoten is louter tentatief en heeft niet tot doel een compleet beeld te geven van de continue wisselwerking en cultuurtransmissies tussen zeer diverse taal- en cultuurgebieden. De caleidoscopische benadering impliceert, zoals in het ‘Woord vooraf’ gesteld, dat een dergelijk overzicht hoogstens indicatief is voor de complexe dynamiek van het meervoudige literaire grensverkeer, de betrokkenheid van literaire agenten in noord en zuid die ieder op hun manier bijdragen aan het wisselverkeer van literaire teksten vandaag. Er kan zonder meer een tweede en even omvangrijk volume worden samengesteld. Academici, bijvoorbeeld, komen niet aan het woord in Twee overzijden, tenzij ze als schrijver of vertaler actief zijn in de transnationale dialoog. Nochtans spelen wetenschappelijk onderzoekers, in een Zuid-Afrikaanse context opvallend vaak actief als dichter, vertaler en recensent (méér dan in de Lage Landen), een bepalende rol in het doorgeven van literaire teksten, de constructie van een frame en dus de beeldconstructie van Afrikaanse en Nederlandse literatuur.
In de inleidende tekst van Twee overzijden is terloops verwezen naar het academisch onderwijs en wetenschappelijk onderzoek op de intercontinentale verbindingsweg van twee verschillende literaire culturen. De brug heeft in de loop der jaren vele reconstructies en transities ondergaan en is per definitie meerlagig in zijn architectuur. Academici in Zuid-Afrika en Namibië bespreken met hun studenten teksten uit de Nederlandstalige literatuur, precies zoals Nederlandse en Belgische docenten in hun colleges verwijzen naar of lesgeven over Afrikaanse (en Nederlandstalige) literatuur. De insteek van het literatuurwetenschappelijk onderwijs en onderzoek is vaak vergelijkend.
Stemvurke & Stemvorken verzamelt in beide talen getuigenissen van docenten in zuidelijk Afrika en Europa die zich in lessen en studie toeleggen op (de relaties tussen) Afrikaanse en Nederlandse literatuur. Het is relevant van elkaar te vernemen welke auteurs en teksten in institutioneel en cultureel verschillende universitaire omgevingen worden bestudeerd en voorgeschreven voor studenten. SAVN treft momenteel voorbereidingen voor de organisatie van een zomercursus voor docenten Afrikaans-Nederlands. Er wordt gesproken over “’n letterkunde-refresher van Nederlandstalige literatuur” (januari 2027). Ena Jansen stelde bijna dertig jaar geleden: “de neerlandistiek niet kan bestaan onafhankelijk van de Afrikanistiek” (Jansen 1998: 682).
In het bijzonder is het van belang te achterhalen in welke academische, maatschappelijke en culturele context, met welke uitgangs- en aandachtspunten, en vanuit welk literatuur-theoretisch perspectief, Afrikaanse respectievelijk Nederlandstalige letteren aan universiteiten worden gelezen.
Wetenschappelijk onderzoek en academisch onderwijs dragen aanzienlijk bij aan de bevordering en kritische bevraging van cross-culturele relaties en transnationale beeldvorming. In opleidingen Afrikaans en Nederlands worden romans en dichtbundels voorgeschreven, schrijvers zijn te gast op campussen in het buitenland, studenten schrijven hun scriptie over Afrikaanse en Nederlandse literatuur. De canon van de Nederlandstalige literatuur in Zuid-Afrika en Namibië is om evidente redenen divergent ten opzichte van die in de Lage Landen. De maatschappelijke, historische, politieke en ook academische context waarin buitenlandse literatuur wordt gepresenteerd, is uiteenlopend. In een postkoloniale samenleving, zoals in zuidelijk Afrika, bestaan in vergelijking met vroeger andere verwachtingen met betrekking tot de Nederlandse literatuur. Post-1994 worden aan universiteiten in zuidelijk Afrika in mindere of meerdere mate andere klemtonen gelegd in de manier waarop literatuur uit de Lage Landen aan bod komt in het universitaire curriculum, zoals ecokritiek, intersectionele lezingen en postkoloniale letterkunde. Aan Nederlandse en Vlaamse academische instellingen worden vandaag andere en op een andere manier Zuid-Afrikaanse (Afrikaanse) schrijvers gelezen dan vroeger, met aandacht voor minder canonieke stemmen, voor schrijvers die lange tijd onder de radar zijn gebleven in het onderwijs. Treffend is het eerder zo gesteld:
Een slogan die vroeger vaak werd gehoord, dat het Nederlands aan het Afrikaans een venster biedt op Europa, wordt de afgelopen tijd vaak omgekeerd: Afrikaans is de brug tussen Afrika en Europa en dus voor Nederlanders [en Vlamingen, ar/yt] een venster op Afrika. Hierdoor worden de Euro- en Afrikacentristische benaderingen ten opzichte van het Afrikaans samengevoegd. (Jansen 1998: 682)
Canonieke en vooral ook niet-canonieke literatuur wordt besproken vanuit actuele literatuurwetenschappelijke invalshoeken, aan de hand van eigentijdse probleemstellingen.
Academici krijgen in deze gesprekkenreeks een vragenlijst voorgelegd waarin wordt gepeild naar de mate waarin anderstalige literatuur (Afr/Ndl) aan bod komt in colleges en in wetenschappelijke navorsing. Zij kunnen vergelijkingen maken met de leeslijsten en de benaderingswijzen waarmee ze destijds als student zelf zijn geconfronteerd door hun professoren. Welke teksten worden door de academische gesprekspartners, puttend uit Afrikaanse en Nederlandse literatuur, vandaag vergelijkend gelezen? Welke theoretische inzichten en methodologie liggen ten grondslag aan het comparatief letterkundig onderzoek in zuidelijk Afrika en in de Lage Landen? Hoe functioneert de anderstalige literatuur in het opleidingstraject dat zij vandaag voor studenten uitstippelen? Hoe anders zijn dat traject en die verwachtingen ten opzichte van de eigen studententijd?
Het aantal departementen Afrikaans en Nederlands in Zuid-Afrika neemt de voorbije dertig jaar verder af (Jonckheere 1995; Bosman en Carstens 2020). Van zestien departementen in de jaren zeventig en tachtig zijn er vandaag nog zeven overgebleven, al dan niet in combinatie met andere talen zoals in Bloemfontein: Universiteit Kaapstad, Stellenbosch Universiteit, Universiteit van Weskaapland, Universiteit van die Vrystaat, Rhodes Universiteit, Noordwes-Universiteit en Universiteit van Namibië. Universiteit Pretoria biedt sinds einde 2024 bijvoorbeeld geen vak Neerlandistiek meer aan. Ook die staan onder toenemende druk van universiteitsbesturen en de overheid. Er is alles voor te zeggen een departement Afrikaans en andere Afrikatalen op te richten. In 1998 stelde Ena Jansen: “In de culturele relaties tussen Zuid-Afrika en Nederland is het van belang dat de gemeenschappelijke talen, Afrikaans en Nederlands, niet als enige basis van uitwisseling worden gezien.” (Jansen 1998: 682)
Het is hoe dan ook van belang verschuivingen in institutionele context en meer in het bijzonder in vergelijkend wetenschappelijk letterkundig onderzoek in kaart te brengen, met aandacht voor zowel de actuele toestand als de historische context. Welke schrijvers zijn vroeger vooral gelezen en vanuit welke gezichtshoek? Hoe zijn leeslijsten gewijzigd, onder impuls van welke externe en interne institutionele en literatuurwetenschappelijke factoren? In hoeverre hebben politieke en maatschappelijke veranderingen ook de beelden van de anderstalige literatuur meebepaald en het gesprek gewijzigd? In de Lage Landen zien we ook al langer een afname van de belangstelling voor Afrikaanse literatuur. Zo wordt vandaag aanzienlijk minder vertaald uit Afrikaanse literatuur in het Nederlands, literaire uitgeverijen zetten minder in op teksten en schrijvers uit Zuid-Afrika. Andersom zien we in Zuid-Afrika en Namibië ook een terugval van het aantal vertalingen uit het Nederlands, een acuut gebrek aan professionele literaire vertaalopleidingen, slinkende belangstelling voor Nederlandse en Vlaamse literatuur (in vertaling) op de boekenmarkt, et cetera.
Academische onderzoekers zijn bruggenbouwers, in zoverre dat zij in onderwijs en onderzoek, soms ook in vertaalwerk en recensies, bijdragen aan de beeldvorming van de anderstalige literatuur aan de universiteit waaraan zij zijn verbonden. In hoeverre is er vandaag nog schatplichtigheid aan een universiteitstraditie, een academische voorgeschiedenis en opleidingsgeschiedenis die vormend zijn voor het eigen academisch parcours. Hoe verhouden zij zich in hun onderwijs en onderzoek tegenover een traditie die hen mee heeft gevormd las onderzoeker? Waar zijn ze zoal mee bezig – welke schrijvers en teksten bevelen zij aan, hoe lezen ze teksten met hun studenten, welke canon van de Nederlandse of Afrikaanse literatuur vinden ze al dan niet van belang en verspreiden ze in hun departement, waarop leggen zij de klemtoon in hun bewegingen of agentschap op de brug tussen Afrikaanse en Nederlandstalige literatuur?
Het aantal departementen Afrikaans-Nederlands neemt af en de naamgeving waarbij Afrikaans en Nederlands zijn gekoppeld staat in Zuid-Afrika al langer ter discussie. De financiering voor studie en onderwijs van Afrikaans en Nederlands slinkt, in departementen zien we al langer een slinkende personeelsomkadering. Studentenaantallen in taalrichtingen krimpen, ook in Europa. De gesprekkenreeks heeft tot doel een stand van zaken te schetsen aan de hand van interventies van stakeholders, nog met een actieve academische loopbaan en met emeritaat. Aan zes of zeven departementen wordt in Zuid-Afrika en Namibië navorsing op het gebied van transnationale literatuurstudie ondernomen. Zonder vooruit te lopen op de bevindingen kunnen we stellen dat het vakgebied – vergelijkende en transnationale literatuurstudie – veranderingen ondergaat. Die verschuivingen zijn toe te schrijven aan externe en interne omstandigheden, dat wil zeggen maatschappelijke en financiële druk respectievelijk onderzoeks- en onderwijsbeleid van opleidingsinstituten. Daarnaast is natuurlijk sprake van altijd weer nieuwe lezersperspectieven en onderzoekparadigma’s in het academische veld. Het onderzoeksgebied is niet in gevaar maar staat voor interessante uitdagingen: er is vandaag een dynamiek merkbaar met interessant onderzoek en prikkelende lespraktijken. De vraag is hoe het onderzoekdomein zich aanpast aan een (universitaire) wereld in transitie, nieuwe onderzoeksvragen en wijzigende verwachtingen op socio-cultureel gebied betreffende universitaire opleidingen.
De komende weken en maanden worden over (het belang van) samenwerking tussen neerlandici en afrikanisten, toen en nu, gesprekken gevoerd met docenten verbonden aan universiteiten in zuidelijk Afrika en Europa.
Bibliografie
N. Bosman en W. Carstens, ‘Tussen kans en uitdaging. De neerlandistiek in Zuid-Afrika’, website de lage landen, 17 februari 2020. https://www.de-lage-landen.com/article/tussen-kans-en-uitdaging-de-neerlandistiek-in-zuid-afrika/
E. Jansen, ‘De culturele relatie Nederland-Zuid-Afrika: vroeger en nu’, Ons Erfdeel 41 (1998) 5, 676-683.
W. Jonckheere, ‘Vijfentwintig jaar neerlandistiek in Zuid-Afrika’, Neerlandica Extra Muros 33 (1995) 3, 121-125.
Vragenlijst voor letterkundige academici
1. De hedendaagse literatuurstudie is interdisciplinair en internationaal. Vergelijkende letterkunde of literaire comparatistiek is inherent deel van het literatuuronderwijs. In het universitair onderwijs van een paar decennia geleden, zeker in taalopleidingen, is ingezet op de studie van literaire teksten uit een specifiek taal- of cultuurgebied, waarbij bijvoorbeeld vertaling of interacties tussen verschillende literatuur- en taalsystemen nauwelijks aan bod kwam. Wanneer je terugblikt op de studententijd, in een opleiding Afrikaanse en/of Nederlandse letterkunde: welke accenten zijn toen gelegd? Kwam dat vergelijkende perspectief aan bod, of werden Afrikaanse en Nederlandse literatuur – vraag is welke literatuur in het Afrikaans en het Nederlands – toch als taalverwante maar geografisch en esthetisch gescheiden circuits beschouwd? Kortom, zijn teksten uit de Nederlandstalige respectievelijk Afrikaanse literatuur op elkaar betrokken in de colleges uit de studiejaren? Hoe gebeurde dat? Welke Zuid-Afrikaanse en Nederlandse of Vlaamse auteurs en welke literatuurwetenschappelijke benaderingen stonden in de seminaries en hoorcolleges voorop? Was toen al sprake van vergelijkende literatuurstudie? Zo ja, hoe werd die ondernomen door de toenmalige universitaire docenten?
2. Welke klemtoon bepaalde/bepaalt jouw eigen onderwijs- en onderzoekpraktijk? Zijn er literatuurwetenschappelijke methoden die meer aandacht kregen dan andere benaderingswijzen? Welke teksten uit de Afrikaanse en Nederlandstalige literatuur stonden op de leeslijst die je voor studenten aanbood/aanbiedt en hoe ging/ga jij daarmee aan de slag?
3. In het actuele literatuuronderzoek gaat het vooral over de studie van literaire cultuur (literatuur als inclusief concept), het functioneren van teksten in een maatschappelijke en culturele context, de positie van literaire instituties, de rol van de lezer – de gezichtshoeken van waaruit boeken worden gelezen, et cetera. Anderstalige of buitenlandse literatuur maakt deel uit van het (internationale) gesprek over literatuur in een taal- of cultuurgebied. Hoe krijgt of kreeg Afrikaanse respectievelijk Nederlandse literatuur een plek in letterkundige colleges?
4. In hoeverre komt vergelijkende letterkunde aan bod in het wetenschappelijk onderzoek en geaccrediteerde publicaties? Geef een paar voorbeelden van bronnenmateriaal uit de Afrikaanse en Nederlandse literatuur die je zelf vergelijkend hebt bestudeerd/bestudeert. Hoe waardevol is het – een meerwaarde voor het onderzoek – om een vergelijkend perspectief te hanteren en literatuur in een transnationale context te bestuderen?
5. Voor een literaire contactgeschiedenis van Afrikaans en Nederlands, met aandacht voor het complex van divergenties en convergenties, moeten behalve auteurs en literaire teksten ook vertalingen en receptieteksten, literaire infrastructuur en bijvoorbeeld internationale netwerken worden bekeken. Welke klemtonen moeten volgens jou worden gelegd in een literatuurgeschiedschrijving die inzet op contacten en dus kruisbestuivingen of culturele interacties, toenaderingen verwijderingen tussen twee historisch, politiek en maatschappelijk verschillende literatuursystemen?
6. Zijn voor een vergelijkende literatuurstudie Afrikaans-Nederlands bepaalde onderwerpen of terreinen die nog niet eerder zijn verkend of maar zijdelings aan bod komen en specifiek aandacht vragen? Die onderzoeksvragen zijn eventueel afgeleiden van het onderzoek dat je zelf hebt ondernomen op de brug tussen Afrikaanse en Nederlandse literatuur en/of die verdere exploratie verdient.

