Esperanto: Een taal die van geen van allen is, en daarom van iedereen

  • 0

Een nieuwe taal die een brug kon slaan tussen verschillende taalgroepen en zo de wereldvrede dichterbij kon brengen. Dat was eind negentiende eeuw de droom van de geestelijk vader van het Esperanto, Ludwik Lejzer Zamenhof.

Nog steeds vind je overal ter wereld mensen die bereid zijn een taal te leren die niemands eerste taal is. Als middel om anderen op basis van totale gelijkwaardigheid te ontmoeten. Ward de Kock vertelt.

Ludwik Lejzer Zamenhof

Wanneer is het Esperanto ontstaan en hoe heeft het zich sindsdien ontwikkeld?

Esperanto is het geesteskind van een negentiende-eeuwse jongen die vrede wilde. Tijdens zijn vroege jeugd zag de Joodse Ludwik Lejzer Zamenhof ruzies en onbegrip tussen de verschillende etnische groeperingen in het Poolse stadje waar hij woonde: Duitsers, Joden, Polen en Russen grepen naar elkaars nek of trokken zich terug in hun eigen taalgemeenschappen. Op vijftienjarige leeftijd besloot Zamenhof dat een gemeenschappelijke brugtaal de oplossing moest zijn: een taal die van geen van allen was, en daarom van iedereen. Wanneer de vier groepen niet elkaar hun taal oplegden, maar bereid zouden zijn een neutrale taal te kiezen, zou dat blijk geven van het erkennen van gelijkwaardigheid. Zamenhof publiceerde deze neutrale taal in 1887.

Zamenhofs beoogde doel was een wereldvrede die hij religieus nastreefde. Mensen die de taal vervolgens oppikten deelden echter niet allemaal deze beweegreden. Esperanto werd ook een ideaal voor mensen die de wereldhandel wilden bevorderen, een wereldreligie wilden stichten, het wereldproletariaat wilden verheffen en verenigingen, en tot slot om persoonlijk leer-, schrijf- en dichtplezier te ervaren. Al deze groeperingen, hoe verschillend ze ideologisch ook waren, deelden echter Zamenhofs streven naar gelijkwaardigheid. Esperantisten keerden zich tegen de imperialistische taalpolitiek die de Europese wereldrijken dreven.

Ludwik Lejzer Zamenhof

Na de Eerste Wereldoorlog bleef de beweging groeien en in de jaren twintig, toen de economische voorspoed en de modernisering zegevierden, werden de hoogtijdagen van het Esperanto bezongen, geuit in originele en vertaalde literatuur. Nederland is echter een van de weinige landen waar het Esperanto vervolgens door kon groeien. In Nederland werden de jaren dertig niet onder fascistisch regime doorleefd, en floreerde juist de internationalistische tegenbeweging: in sociale groepen groeide de aanhang en het streven naar verbondenheid. In deze jaren sloten verschillende politici en vakbondslieden zich aan bij de Esperanto-verenigingen, waaronder Tweede-Kamerlid Willem Drees, die tijdens zijn minister-presidentschap en tot zijn dood lid zou blijven.

Met de bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog werd deze bloei echter in bloed gesmoord. Het Derde Rijk, haar bondgenoten en de Sovjet-Unie van Stalin riepen internationaal de beweging tot halt. Om het moeilijker te maken voor de beweging kreeg na de oorlog een nieuwe internationale politiek de overhand. In de Benelux en in Scandinavië won de Engelse taal terrein door onder de invloedssfeer van de Verenigde Staten te vallen. Inmiddels is de dominantie van het Engels in diplomatie en cultuur zo ingeburgerd dat Nederlanders het nog zelden door hebben dat niet in elk land Engels de wereldtaal is. Alleen al binnen de Europese Unie zijn genoeg landen waarin de Engelse taal niets universeels heeft, of die zich verzetten tegen de import van de Amerikaanse cultuur en politieke normen. Sommige esperantisten leerden de taal dan ook met deze strijd in het achterhoofd.

Geheel politiek bezwaard is de beweging echter ook weer niet. In recente jaren is de Esperanto-beweging ook stevig gedepolitiseerd, en voor velen verworden tot slechts een hobby. Deze teloorgang van de ideologie geeft echter ook de vrijheid om het Esperanto te gebruiken als a-politiek communicatiemiddel: een taal om mee te reizen, om contacten mee te leggen met esperantisten in landen waar geen Engels gesproken wordt, en om te waarderen als een talige speelbal. Esperanto is niet alleen meer van wereldverbeteraars, maar van iedereen.

Logo: aangelewer deur Ward de Kock

Wie spreken en/of schrijven er vandaag de dag Esperanto, hoeveel mensen kun je ermee bereiken en in welke situaties wordt het gebruikt?

Het is moeilijk te meten hoeveel esperantisten er zijn. Ik hoor de vraag hierover wel eens beantwoorden met de tegenvraag: “Hoeveel mensen spelen er schaak?” Als gevolg van de toenemende individualisering kiezen steeds minder esperantisten ervoor zich te verenigingen en de gemeenschap bestaat hierdoor uit een moeilijk in te schatten verzameling individuen.

Als ik in Nederland om me heen kijk, zie ik vooral veel studenten die Esperanto via het internet leren, of juist gepensioneerden, via een mondelinge cursus. Dit verschilt echter per land: vooral in recente jaren heeft Esperanto aan populariteit gewonnen in Midden-Amerika, Zuid-Azië en enkele Afrikaanse landen. Zo zijn er scholen in Benin, Congo-Kinshasa, Tanzania en Togo waar de taal in het curriculum zit, en hier wordt dus een heel andere groep bereikt dan in Nederland.

Wat mensen vervolgens met de taal doen, ligt geheel aan de persoon. Er zijn veel bijeenkomsten en congressen, en sommigen vinden vooral plezier in het bijwonen hiervan. Het ligt er uiteraard aan waar je woont, maar als Nederlander heb je het voor het uitkiezen: er zijn hier regelmatig bijeenkomsten, en nog vaker als je bereid bent een klein eindje de grens over te gaan. Daarnaast zijn er de grotere congressen, zoals het Esperanto-Wereldcongres. Twee jaar geleden was dit in Seoel, vorig jaar in Lissabon, en dit jaar zal het in Montreal zijn. Daarnaast zijn er bijvoorbeeld ook internationale congressen alleen voor jongeren, in respectievelijk Aneho (Togo), Badajoz (Spanje) en Liptovský Hrádok (Slowakije).

Anderen verkiezen eerder de penvriendschap: schrijven of chatten met mensen uit landen die je anders moeilijk kan bereiken. Op deze manier heb ik de laatste jaren contact gehad met Pakistanen, Congolezen en Koerden, waarmee ik alleen Esperanto als gemeenschappelijke taal deelde.

Tot slot geniet ikzelf als historicus in het bijzonder van de geschiedenis van de taal, en kan ik uren lezen in het rijke literaire, maar ook ideologische erfgoed van de beweging uit haar hoogtijdagen.

Is het makkelijk om de taal aan te leren? Hoe kun je het beste te werk gaan en waar kun je meer informatie vinden?

Esperanto is ontworpen om de makkelijkste taal op aarde te zijn, en daar is het tot op zekere hoogte in geslaagd. Het is geheel regelmatig in zijn slechts zestien grammaticaregels, en wint in dit opzicht van de meeste andere talen.

De woordenschat zal echter niet voor iedereen even makkelijk zijn: Zamenhof probeerde woorden uit te kiezen die door de meeste mensen herkend zouden worden. De talen waarop hij zich baseerde, waren echter de talen die hijzelf kende: de talen uit Białystok en de talen die hij op het gymnasium leerde. Het resultaat is dat veel woorden Romaanse wortels hebben, andere Germaanse of Slavische, maar bijvoorbeeld zelden een Maleisische of Arabische oorsprong. Voor iemand die geen Europese taal kent, zal de woordenschat niet veel makkelijker zijn dan bijvoorbeeld die van het Bahasa Indonesia voor ons. Voor iemand die wel bekend is met een Europese taal zal het Esperanto veel herkenning geven tijdens het leren: veel woorden klinken bekend, en dit werkt motiverend tijdens het leren.

Esperantistenclub van Hiroshima (oprichting in 1911, foto uit 1918); het onderschrift betekent “Diegene met de ingekleurde ster ben ikzelf”. Foto: aangelewer deur Ward de Kock

Wat Esperanto wel echt makkelijker maakt dan veel van haar competitie is de manier waarop woorden zijn opgebouwd. De taal steunt sterk op voor- en achtervoegsels waarmee nieuwe woorden gevormd kunnen worden. Een voorbeeld is het woord voor bos: arbaro, hetgeen is opgebouwd uit arb-, -ar-, en -o. Arb- betekent boom, -ar- groep, en -o maakt het een zelfstandig naamwoord. Een complexer voorbeeld is het woord voor ziekenhuis, malsanulejo (mal•san•ul•ej•o), hetgeen leunt op de stam san-, dat gezond betekent. Mal- maakt het woord het tegenovergestelde van de oorspronkelijke betekenis: malsan- betekent dus ziek. Ul- betekent persoon: malsanulo zou dus een zieke zijn. Het laatste ingrediënt, -ej-, betekent plaats of lokatie, waardoor een malsanulejo dus een ziekenhuis wordt.

Doordat hierdoor veel minder woorden geleerd hoeven te worden vindt er een enorme reductie plaats van de benodigde woordenschat om complexe zinnen te maken en te begrijpen. Dit is, voor mij, de magie van het Esperanto: onbekende woorden kunnen worden verstaan, ook al kende je de combinatie niet, maar ook jijzelf kan nieuwe woorden maken wanneer je dat wenst. Hierdoor kan de taal zich altijd aanpassen aan nieuwe omgevingen en tijden.

Als je de taal wilt leren, kun je dit doen via het internet, bijvoorbeeld met duolingo.com, een site die het Engels als hoofdtaal voert, of via lernu.net, waar veel Nederlandstalige cursussen te vinden zijn. Daarnaast zijn er ook veel Esperanto-leerboeken, die zeer aan te raden zijn.

Het is echter ook aan te bevelen om de taal in een meer menselijke omgeving te leren, bijvoorbeeld door naar een van de studieweekenden van de vereniging Esperanto Nederland te gaan. Meer informatie hierover is te vinden op esperanto-nederland.nl/ned/studieweekend.php.

Esperanto-Wereldcongres te Rotterdam in 2008

Wat zijn de overlevingskansen voor het Esperanto? Is het niet handiger als iedereen Engels, Spaans of Chinees als lingua franca leert? En waarom zouden we geld, tijd en energie in deze kunsttaal steken terwijl er op verschillende plaatsen in de wereld minderheidstalen dreigen uit te sterven?

De kans dat het Esperanto na honderddertig jaar nu opeens uitsterft, is zeer gering. Of het echter ooit zal zegevieren boven andere “wereldtalen”, dat is een andere vraag. Deze is op twee manieren aan te vliegen: enerzijds moet er gekeken worden naar de houdbaarheid van de taal zelf; anderzijds naar de staat van de wereld waarin zij een plek probeert te veroveren.

Ikzelf geloof in de potentie van de taal zelf: de innovatiekracht en de manier waarop er met woorddelen gepuzzeld kan worden maken het Esperanto het beste instrument voor een overbrugging van cultuur- en taalverschillen, en geeft daarbij ook nog eens ruimte voor creatieve omgang met de taal, die normaliter voor een tweede-taalspreker moeilijk te bereiken is. Dit maakt het een eerlijker alternatief voor Engels of Frans. Fransen vinden het moeilijk Engels te leren; Engelsen vinden het moeilijk Frans te leren. Wanneer voor een van de twee als voertaal wordt gekozen, zal de andere altijd een achterstand hebben. Er zal een machtsverschil bestaan, omdat een van de partijen een thuiswedstrijd speelt.

Binnen de Europese Unie zal het Esperanto dus een veel democratischere keuze zijn dan het Engels of Frans. Tegenwoordig hebben veel Europese commissies en focusgroepen het Engels als voertaal. Ook voor de sociale media van de Europese Unie wordt Engels gebruikt. Weinig democratisch dus voor de inwoners van landen waar het Engels niet door iedereen verstaan wordt.

China erbij betrekken maakt het verhaal echter complexer. Het Mandarijn is voor ons ongelofelijk moeilijk te leren, maar Engels is weer heel moeilijk voor Chinezen. Of Esperanto dan een geheel neutrale oplossing is, is de vraag, aangezien de Europeanen waarschijnlijk nog steeds een voorsprong hebben. Toch schrijft niet iedereen Esperanto om deze reden af: juist in China zijn best veel Esperantisten te vinden, en zelfs de Chinese overheid zendt berichten uit in deze taal. Mogelijk omdat er geen beter alternatief is, maar misschien ook wel omdat een bewuste keuze voor het Esperanto toont dat iemand uit zijn of haar comfortzone wil gaan voor de ander. Het is een vorm van respect.

Tot slot de vraag over de minderheidstalen. Mijns inziens kan juist Esperanto als gedeelde tweede taal de bedreiging van minderheidstalen tegengaan. Het leren van Esperanto is een bewuste keuze voor een brugtaal; een gekozen tweede taal. Neem om het concreet te maken de oorspronkelijke bewoners van Brazilië, die gezamenlijk 188 inheemse talen spreken. Welke taal worden sprekers van een minderheidstaal gedwongen te spreken wanneer ze worden benaderd door de autoriteiten of vice versa? De dominante taal: het Portugees. Er is geen respect voor de eigen taal en de dominante taal is verheven tot de standaard waaraan men zich moet aanpassen. Een keuze voor een derde taal zou tonen dat men de ene taal niet boven de andere stelt.

Suske en Wiske in het Esperanto

Wat zijn de bijkomende voordelen van Esperanto leren voor het talenonderwijs?

Voor mij was het een verrassing, maar de voordelen van het Esperanto voor taalonderwijs zijn enorm. Sinds 1908 zijn er door pedagogen en psychologen aan verschillende universiteiten experimenten uitgevoerd op basis- en middelbare scholen met leerlingen die eerst Esperanto aangeleerd kregen, en daarna pas één of meer andere talen. De resultaten duidden keer op keer op een zogenaamde “propedeutische waarde” van het Esperanto. Propaídeusis, Oud-Grieks voor “introductiecursus”, slaat in deze context op het idee dat een makkelijke taal een introductie kan zijn voor het leren van een moeilijke taal. Veel kinderen leren ook niet voor niets eerst blokfluit spelen voor ze aan de trompet beginnen!

Het idee is dan ook dat leerlingen eerst via het Esperanto een introductie tot het leren van talen krijgen, voordat er aan een moeilijkere taal begonnen wordt. Bij het leren van een tweede taal wordt namelijk niet alleen de taal geleerd, maar ook wordt er (soms onbewust) aangeleerd hoe een kind moet omgaan met het leren van een nieuwe taal. Idealiter leert het kind daarnaast in deze fase ook de magie voelen van het zelf zinnen kunnen vormen in een nieuwe taal.

Door de eenvoud en regelmaat van het Esperanto wordt dit snel bereikt, waardoor kinderen vlot leren omgaan met een nieuwe taal en snel de structuur van een nieuwe taal begrijpen, en misschien daarbij ook van hun eigen taal. Het Esperanto is hierbij voordelig, omdat onregelmatigheden in talen zoals het Frans of het Engels demotiverend werken en onduidelijkheid scheppen bij het kind.

Een uitgebreid onderzoek uit de jaren tachtig van de Universiteit van Paderborn liet zien dat leerlingen in klas A, die eerst alleen Esperanto onderwezen kregen en daarna pas de tweede taal, sneller de tweede taal leerden dan de kinderen uit klas B, die in dezelfde periode alleen de tweede taal leerden. Dit onderzoek uit Duitsland liet klas A eerst twee jaar Esperanto leren, daarna vier jaar Engels; Klas B leerde alleen zes jaar Engels. De leerlingen uit klas A spraken achteraf beter Engels dan de kinderen uit klas B. Dit experiment is in verschillende landen verschillende keren met verschillende talen en andere verdelingen qua tijd herhaald, waaronder met zes maanden Esperanto en drie tot vier jaar Frans op een Britse school tussen 1948 en 1965.

...........................................................

Websites


Esperanto Nederland: https://www.esperanto-nederland.nl/

Vlaamse Esperanto-bond: https://www.esperanto.be/fel/nl/

Zuid-Afrikaanse Esperanto-organisatie: http://www.esperanto.org.za (de site is beschikbaar in het Engels, Afrikaans, IsiZulu, Setswana, isiXhosa en het Esperanto)

...........................................................

Buro: IG
  • 0
Top