"Geskiedenis kan ons help om die demokrasie te versterk": ’n onderhoud met Thys VerLoren van Themaat

  • 0

................................... 

“We gaan dan de discussie over de vaderlandse geschiedenis niet uit de weg, integendeel, die kan ons juist helpen om bewuster te worden en de democratie te versterken.”

...................................

Die hoof van die Verloren-uitgewery in Hilversum hou op kundige maniere rekening met die kragte en veelkantigheid van sy vakgebied, naamlik geskiedenis.

Dit geld ook in die era van digitale kennisontsluiting. Tereg sê Thys VerLoren van Themaat: “De grootste uitdaging voor wetenschappelijke uitgevers van nu is om de behoefte aan Open Access goed gestalte te geven en daarin een rol te blijven spelen. Maar het meest opwindende is en blijft, om een auteur te helpen een goed boek te maken.”

Hy het per e-pos met Willem de Vries gesels.

Thys VerLoren van Themaat (Foto: verskaf)

Vertel asseblief van jou bande met Suid-Afrika en Afrikaans.

Zowel van moeders- als van vaderskant woont er familie in Zuid-Afrika. Oupa Jurriaanse (chirurg) vertrok in 1899 met een zelfgemaakte ambulance naar Zuid-Afrika om de Boerenlegers over de slagvelden te volgen, oom Hein ver Loren van Themaat (broer van mijn grootvader, jurist) vertrok ook, dacht in Pretoria te kunnen werken maar kwam in de commando’s, onder andere van Danie Theron, terecht.

Oupa schreef een proefschrift (Veldambulances en wondbehandeling te velde, Leiden, 1902) over zijn ervaringen in Transvaal, trouwde met Griet Buhrmann, kocht een plaas in Ermelo (vlak bij Swaziland) en stichtte daar een ziekenhuis. Oom Hein schreef ook een boek over zijn ervaringen (Twee jaren in den Boerenoorlog, Haarlem, 1903), stichtte in Nederland een gezin maar keerde in 1919 terug naar Zuid-Afrika om de juridische faculteit in Stellenbosch op te richten.

Oupa en oom Hein waren dispuutsgenoten in Leiden en hielden nauw contact. Na haar matriek ging moeder in Stellenbosch studeren en logeren bij oom Hein, waar vader haar halverwege de jaren dertig ontmoette toen hij bij zijn familie logeerde. Ze trouwden in 1940 in Nederland. Met nagenoeg alle Verloren-familieleden en enkele Jurriaanses heb ik regelmatig contact.

...................................

De nieuwste trend is om de Nederlandse geschiedenis meer in internationaal perspectief te zetten: de invloed van Nederland op de wereld en de invloed van de wereld op Nederland.

................................... 

Mijn oudste broer, Reep, vertrok eind jaren zestig naar Stellenbosch om bosbouw te studeren, is daar getrouwd met Martha Laubscher en woont nu in Somerset-Wes, zijn kinderen wonen ook in de Kaap. Mijn oudste zuster, Hilda, trouwde in Nederland met een Zuid-Afrikaanse rechtenstudent, André van der Spuy, en na zijn studie zijn ook zij naar Kaapstad vertrokken.

Na de omwenteling van 1994 ben ik bijna jaarlijks naar de Kaap gekomen, pas na het overlijden van Hilda en André is dat minder geworden. Ik ben lid geworden van de Mountain Club of South Africa (section Cape Town), ging veel met neef Rudolf Andrag (kleinzoon van oom Hein) de bergen in (Tafelberg en omstreken, Stellenbosch en Cederbergen), ook veel alleen en soms met anderen.

Ook met mijn zoons heb ik veel in de Kaapse bergen gelopen. Ik spreek (voor een kaaskop) goed Afrikaans, kan het lezen en schrijven en neem altijd wel een Afrikaans boek mee terug (Marlene van Niekerk, bijvoorbeeld, of afgelopen november uit de kast van nicht Tillie (kleindochter van oom Hein) Meintjie kry haar deel van Minnie Postma (Pretoria, 1953), een prachtig tijdsdocument).

Met watter Suid-Afrikaanse skrywers en/of medewerkers het die Verloren-uitgewery al saamgewerk of werke van uitgegee?

Hilda was in Kaapstad bij uitgevers aan het werk gegaan (laatstelijk bij Via Africa) en had wel wat contacten. Ik schrok van de achterstand van recente boeken over geschiedenis in de Nasionale Biblioteek in Kaapstad en maakte (via Hilda) een afspraak met Karel Schoeman, die daar toen werkte. Met hem sprak ik af dat ik geschiedenisboeken waarvan ik dacht dat ze in Kaapstad niet mochten ontbreken, zou doneren aan de bibliotheek.

...................................

“Dat is de rol die de geschiedbeoefening mijns inziens moet hebben: helpen het maatschappelijk en politiek debat op basis van kennis te voeren.”

...................................

Jarenlang nam ik elke keer een doos met boeken mee, tot ik merkte dat die niet eens gecatalogiseerd werden, dus dat het zinloos was. Schoeman legde me uit dat er niet alleen geen geld was voor de aanschaf van boeken, maar dat ook de mankracht ontbrak om het administratieve werk te doen. Met het schenken van boeken ben ik opgehouden, met Schoeman heb ik tot zijn dood contact onderhouden, ik heb hem ook eens opgezocht in de Vrijstaat, in zijn aftree-oord.

Ik kwam in contact met Russell Martin, uitgever bij David Philip Publishers (en ook David en Marie heb ik toen ontmoet). In enkele boeken die David Philip uitgaf heb ik deelgenomen (een deel van de oplage afgenomen en die verkocht in Nederland en Europa), zoals Cape Town. The Making of a City door Nigel Worden, Elizabeth van Heyningen en Vivian Bickford-Smith (1998) en Rogues, Rebels and Runaways van Nigel Penn (1999).

De presentatie van dat laatste boek was in het Kasteel, ik mocht speechen maar zoon Ywen was inmiddels verveeld en zat bij mijn speech op mijn schouders, aanleiding voor de Cape Argus om een foto te plaatsen.

In de aanloop naar 1999, toen het honderd jaar geleden was dat de Boerenoorlog uitbrak, wilde ik een goede, nieuwe geschiedenis van die oorlog uitbrengen en via Russell kwam ik in contact met Bill Nasson, toen bij UCT, die bezig was met The South African War, 1899-1902 (Londen, 1999). Ik maakte daarvan een vertaling (De Boerenoorlog, 1899-1902), die uitkwam op de herdenkingsdag in 1999. Bill kwam naar Nederland en logeerde bij ons.

In 2010 kwam bij Tafelberg een nieuwe, herziene editie uit van Bills boek (The War for South Africa. The Anglo-Boer War 1899-1902) en Bill probeerde me ervan te overtuigen dat het goed zou zijn ook een nieuwe Nederlandse vertaling uit te geven maar ik haakte af.

Russell verhuisde later naar Jacana Media en met Jacana waren er nog contacten over mogelijke nieuwe boeken.

Van een enkel boek maakten wij in Nederland een beperkte bijdruk in printing-on-demand (Cape Town Between East and West, onder redactie van Nigel Worden, Jacana, 2012, en Woordeloos tot verhaal, onder redactie van Hans Ester, Chris van der Merwe en Etty Mulder, Sun Press, 2012) maar inmiddels was ik er achter dat de belangstelling in Nederland voor de Zuid-Afrikaanse geschiedenis zó gering was dat het zakelijk gezien niet verantwoord was hier veel werk van te maken.

Om die reden kwam het ook nooit tot een werkelijke samenwerking met Nicol Stassen van Protea Boekhuis, bijvoorbeeld over de boeken van Karel Schoeman. Maar zeg nooit “nooit”…!

Watter gesprekke oor die geskiedenis kry tans aandag in geskiedenispublikasies en in die algemeen in die Nederlande?

De nieuwste trend is om de Nederlandse geschiedenis meer in internationaal perspectief te zetten: de invloed van Nederland op de wereld en de invloed van de wereld op Nederland. Verder zijn er de afgelopen jaren steeds meer biografieën verschenen, een trend die nog niet aan zijn eind is.

Dat hangt samen met een grotere aandacht voor de rol van het individu op de loop van de geschiedenis, waar er in de laatste decennia van de twintigste eeuw meer aandacht was voor het wetmatige verloop van de gebeurtenissen.

Vaderlandse geskiedenis as vak kry tans in sowel Nederland as Suid-Afrika minder aandag as voorheen op skool en word waarskynlik as per definisie nasionalisties en dus negatief beskou deur diegene wat dit uit skoolleerplanne wil wegwerk. Wat is jou standpunt daaroor? Hoe raak dit die publikasie van geskiedeniswerke in Nederland?

Dit is een golfbeweging. De tendens om alles te internationaliseren roept als vanzelf ook weer tegenkrachten op. Zo is er de tendens om in het wetenschappelijk onderwijs Engels als voertaal in te voeren, wat onder meer leidt tot een terugloop van de belangstelling voor het bestuderen van de Nederlandse taal.

Maar de weerstand groeit tegen de noodzaak om op congressen, die op drie mensen na worden bezocht door Nederlandssprekende wetenschappers, alle voordrachten en discussies in slecht Engels te moeten houden. Zeker als het om bijeenkomsten gaat die (vooral) gaan over de Nederlandse taal of geschiedenis, is dit onzinnig.

Geschiedenis is hier minder gepolitiseerd dan in Zuid-Afrika. Er zijn onderwerpen, zoals de slavernij en het kolonialisme, waar we ons steeds meer bezinnen op de twijfelachtige (of zelfs verwerpelijke) rol die “wij” in het verleden hebben gespeeld.

We gaan dan de discussie over de vaderlandse geschiedenis niet uit de weg, integendeel, die kan ons juist helpen om bewuster te worden en de democratie te versterken. Wat jaren geleden nog als heldendaad werd gezien, komt vaak in een ander daglicht te staan. Een discussie als die over zwarte Piet roept eerst tegenstellingen op maar leidt vervolgens tot nieuwe inzichten en tradities.

De publicaties over geschiedenis raken natuurlijk ook aan deze thema’s. Dat is de rol die de geschiedbeoefening mijns inziens moet hebben: helpen het maatschappelijk en politiek debat op basis van kennis te voeren.

Hoe gaan die uitgewery te werk om ’n balans daar te stel tussen wat bekend, insigryk en vernuwend is? Watter kriteria stel Verloren se redaksie in verband met manuskripte?

Wij zijn een wetenschappelijke uitgeverij. Ons basiscriterium is, dat wat wij uitgeven op een wetenschappelijk verantwoorde manier moet bijdragen aan de kennis van het verleden.

Soms helpen overzichtsstudies, gebaseerd op bestaande literatuur, om onze kennis beter te ankeren, en daarnaast zijn er altijd studies nodig die met fundamenteel, origineel onderzoek en nieuwe interpretaties iets toevoegen aan onze kennis.

Als een boek voldoet aan ons basiscriterium, willen wij het uitgeven, ongeacht de commerciële (on)mogelijkheden.

Financieel weten we het altijd wel rond te krijgen. Gelukkig zijn er in Nederland vele (particuliere) subsidiefondsen die daarbij kunnen en willen helpen.

Rolprent-ateljees het merendeels ander oogmerke as dié van die geskiedenisskrywer. ’n Reduksionistiese omgang met die geskiedenis is weliswaar nie ’n nuwe verskynsel nie. Wat kan (populêre) kultuur baat by geskiedskrywers se maniere van kyk?

Ik ben zelf een groot liefhebber van “histodrama’s”, zoals de films over Kenau of Michiel de Ruyter, en bijvoorbeeld die prachtige kostuumdrama’s die de Engelsen maken. De “waarheid” (waarvan er overigens vele zijn, heb ik tot mijn schande moeten ontdekken) wordt vaak geweld aangedaan, of het verhaal is niet af.

Maar dat doet niet af aan het feit dat de films bijdragen aan de belangstelling die het publiek heeft voor het verleden, en dat is goed. Mensen gaan vragen stellen: “Hoe zat dat nou?”, “Is dat écht gebeurd?” Dat stimuleert. Maar wij geven geen fictie uit, ook geen verhalen die op waarheid berusten maar voor een deel verzonnen zijn.

Hoe beskou jy die rol van die geskiedenis in die hedendaagse lewe in die Nederlande? Is daar enige faset of onderwerp waarvan jy graag sou wou sien dat dit groter aandag of klem ontvang?

Er is altijd te weinig aandacht voor geschiedenis. Jaren geleden hield het Historisch Nieuwsblad eens een quizz onder parlementsleden, er waren er die alles fout antwoordden en slechts één had alle antwoorden goed. In de actuele discussies (over bijvoorbeeld slavernij en zwarte Piet) sprokkelt men kleine weetjes uit de geschiedenis bijeen (waarbij men elkaar napraat zonder zelf onderzoek te doen), gebruikt die voor het versterken van de eigen positie zonder een en ander in een groter perspectief te plaatsen.

Datzelfde geldt voor de privatiseringsgolf die we de laatste decennia over ons heen hebben gekregen, waarbij ook nagenoeg alle nutsbedrijven zijn geprivatiseerd. Het waren nota bene de liberale politici die aan het eind van de negentiende eeuw beseften dat nutsbedrijven door de staat moesten worden beheerd, maar dat zijn de politici van honderd jaar later helemaal vergeten, het past niet meer in hun wereldbeeld. Dat beeld is weer aan het kenteren, maar de ramp is geschied en draai het nu maar eens terug!

Volksvertegenwoordigers, zowel landelijk als regionaal en lokaal, zouden verplicht een cursus politieke geschiedenis moeten volgen en pas na het afleggen van een examen hun gekozen posities mogen innemen.

Daar is tans ’n beweging in Nederland – en in Suid-Afrika – wat historiese simbole soos standbeelde uit die koloniale era uit die openbare oog wil verwyder. Dit vra dus om ’n verreikende politieke korrektheid teenoor die verlede. Wat is jou standpunt as uitgewer daaroor?

We mogen onze geschiedenis niet wegpoetsen. Laat de symbolen, ook van mensen die we nu als politiek incorrect beschouwen, staan, handhaaf de straatnamen en geef waar nodig uitleg (daarbij kunnen wij als uitgever een rol spelen!).

Er zijn genoeg nieuwe straten en pleinen om nieuwe helden te eren. En we moeten ons altijd weer realiseren dat wat wij nu als “fout” beschouwen, in het verleden goed of normaal kan zijn geweest, en wat nu goed is, in het verleden mogelijk verwerpelijk was.

Elke era vra om verskillende vaardighede van uitgewers. Wat vind jy as dekades lange uitgewer tans die opwindendste en uitdagendste aan jou werk?

De grootste uitdaging voor wetenschappelijke uitgevers van nu is om de behoefte aan Open Access goed gestalte te geven en daarin een rol te blijven spelen. Maar het meest opwindende is en blijft om een auteur te helpen een goed boek te maken en te zorgen dat dit boek het publiek bereikt. De manieren om dat te doen zijn technisch veranderd, maar inhoudelijk niet.

Maniere van die geskiedenis bekyk, is so talryk soos die vertellers daarvan, hetsy dit in die vorm is van biografieë, briewebundels of teks-edisies waardeur ’n persoonlike blik op die voorgrond tree. Vertel asseblief van die verskillende reekse wat Verloren uitgee en hoe dit die geskiedenis betrek.

Ik heb middeleeuwse geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Onze opleiding stond bekend als “De Amsterdamse School”, waar de hulpwetenschappen (het ambacht van de historicus, zoals paleografie, oorkondenleer en (middeleeuws) Latijn) uitermate belangrijk waren. Niet voor niets had de afscheidsbundel van mijn hoogleraar Van de Kieft als titel Ad fontes (Amsterdam, 1984) – keer altijd terug naar de bronnen!

Mijn eerste uitgave was een editie met vertaling van de eerste historiografische tekst uit de Noordelijke Nederlanden: De diversitate temporum van Alpertus van Metz (Amsterdam, 1980). Een van de reeksen die we hebben uitgegeven (onder redactie van Rudolf Dekker) waren de Egodocumenten: autobiografieën, dagboeken en brieven uit de Nederlandse geschiedenis. In die reeks zijn 33 delen verschenen, tussen 1988 en 2015.

Toen we van alle soorten egodocumenten uit alle periodes edities hadden gemaakt (en de reeks voor het algemene publiek te moeilijk was gebleken) zijn we met de reeks gestopt. We hebben na Alpertus nog heel wat middeleeuwse kronieken uitgegeven en vertaald. Ook uit andere periodes en buiten de reeks hebben we vele bronnen uitgegeven.

Een bijzondere reeks was ook die van de Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden: monumentale edities van teksten die vooral voor de Neerlandistiek van groot belang zijn, zoals Het Comburgse handschrift (Hilversum, 1998) en Het Gruuthuse-handschrift (Hilversum, 2015). Het lezen van oorspronkelijke historische teksten helpt ons een beter beeld te vormen van het verleden, deze teksten liggen aan de basis van elk historisch onderzoek.

Die beskikbaarheid van vakkundige kennis aan ’n boekkopende publiek werk in op die peil van die gesprek in en oor kennisvelde in enige taal. Vertel asseblief van jou Literatoren-reeks.

Onze uitgever, Anja van Leusden, had als afstudeerrichting Middelnederlandse Letterkunde (Universiteit van Utrecht). Ik heb heel lang historische letterkunde als richting in ons fonds tegengehouden en uitstekende manuscripten afgewezen omdat ze naar mijn gevoel te letterkundig, te weinig historisch waren.

Naarmate Anja een grotere rol ging spelen in het uitgeefbeleid van de uitgeverij, kwamen langzamerhand steeds meer historisch letterkundige studies in het fonds. Maar ik bleef een streep trekken bij “moderne” letterkunde (vanaf de Tachtigers, aan het einde van de negentiende eeuw).

Totdat Anja steeds meer verzoeken uit die hoek kreeg en er geen enkele andere uitgever meer bereid was om die studies uit te geven. Die auteurs konden eenvoudigweg hun manuscripten nergens meer kwijt! Toen hebben we in 2012 besloten een apart imprint Literatoren op te richten.

Het zijn gespecialiseerde studies in kleine oplagen die onderwerpen uit de moderne historische letterkunde behandelen. We geven al jaren het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- & Letterkunde uit, in dat opzicht was het misschien onvermijdelijk dat we dit onderwerp aan het fonds toe zouden voegen. En ook hier geldt dat de publicaties wezenlijk moeten toevoegen aan onze kennis van het verleden – alleen in dit geval vooral aan onze kennis van het verleden van de Nederlandse letterkunde.

Hoe verskil publikasieroetes vandag van dié van vroeër? Is daar tans meer opdragwerk en/of kopublikasies? Hoe het die lesersmark vir die geskiedenis gegroei en verander in jou loopbaan as uitgewer tot dusver?

De weg van basismanuscript naar boek is inhoudelijk niet wezenlijk veranderd. Uitgaven in opdracht zijn er altijd geweest – maar ook die moeten voor ons aan dezelfde criteria voldoen: op een wetenschappelijk verantwoorde manier toevoegen aan onze kennis van het verleden. Een enkele keer maken we in opdracht voor een auteur of bedrijf een boek dat niet aan de criteria voldoet – maar dan nemen we het boek niet op in ons fonds en staat onze uitgeversnaam er niet in.

Het publiek is veranderd. Het grote publiek is steeds meer geïnteresseerd geraakt in echte publieksboeken en koopt de wat moeilijker boeken, zoals wij die uitgeven, niet meer.

De boekhandel heeft haar aanbod ook versmald. We richten ons met onze boeken tegenwoordig dus vooral op het gespecialiseerde publiek: de vakhistorici en de “serieuze amateurs”.

Toen ik begon, rond 1980, was er rond dit kernpubliek een “schil” van meer algemeen historisch belangstellenden, de notabelen in de provincie, die ook wat meer diepgravende boeken lazen.

Deze mensen zijn grotendeels afgehaakt, halen hun kennis uit andere bronnen.

Door het veranderde lezerspubliek en inkoopgedrag van de boekhandel zijn we voor de verkoop steeds meer afhankelijk geworden van internetboekhandel en van de verkoop via onze eigen website. Inmiddels verkopen we meer dan de helft van de boeken zelf, direct aan de klant.

Verloren-uitgewery gee jaarliks tientalle boeke uit. Hoe sien die verspreiding en verkope van die uitgewery se boeke daar uit in die Nederlande? Watter werke stel die uitgewery vanjaar in die vooruitsig en waarna jy veral uitsien?

Dit jaar ziet er niet wezenlijk anders uit dan de voorgaande jaren. We publiceren ongeveer zestig nieuwe boeken, wat gevoegd bij de tijdschriften die we uitgeven betekent dat er elke week gemiddeld twee publicaties naar de drukker gaan. Ik verwacht dat de verschuiving van verkoop naar de eigen website verder zal toenemen.

We hebben vorig jaar in totaal substantieel meer boeken verkocht dan de jaren daarvóór, ik hoop dat we die groei vast kunnen houden. Dat hangt natuurlijk mede af van de nieuwe boeken die we uitgeven. Tegelijkertijd is er altijd vernieuwde aandacht voor onderwerpen waarover we in het verleden boeken uitgaven.

Zo is er nu veel aandacht voor de zeventiende-eeuwse staatsman Johan van Oldenbarnevelt, en daardoor trekt de verkoop van ons boekje over hem, Het stokje van Oldenbarnevelt door Geert Janssen (Hilversum, 2001) weer duidelijk aan. We “verramsjen” nooit en kunnen bovendien tegenwoordig, als het nodig is, gemakkelijk oudere boeken in printing-on-demand leverbaar houden. We hoeven dus iets minder risico te nemen met te grote oplagen!

Het is dit jaar honderd jaar geleden dat vrouwen in Nederland kiesrecht kregen. We geven samen met het Groninger Museum een boek over die geschiedenis uit. Ik heb goede hoop dat dit een van de boeken zal zijn waarvan we wat meer zullen kunnen verkopen.

Verder hebben we vorig jaar “ons” eerste deel uitgegeven van het Nederland’s Patriciaat, een serie die tot voor enkele jaren werd uitgegeven door het Centraal Bureau voor Genealogie.

Dit najaar verschijnt ons tweede deel, ik denk dat we die markt nu beter in de hand hebben dan bij ons eerste deel – hoewel ik daarover niet ontevreden was. En ook in het najaar komt ons eerste deel van het Nederland’s Adelsboek, een interessante markt waarvan ik goede verwachtingen heb.

Aan die een kant het digitale tekste bepaald hul nut. Aan die keersy kleef daaraan steeds iets van die vroeëre trompetgeskal van e-boek-reklame, dat dit in ’n óf-óf-verhouding teenoor die papierboek sou wees, eerder as én-én.

Hoe sien die mark tans daar uit in die Nederlande met sy groot lesende publiek wat dit aanbetref?

Zodra het mogelijk was hebben wij bijlagen van boeken digitaal aangeboden: eerst op diskettes die bij de boeken werden gevoegd, later ook op websites of op bijgevoegde CD’s en DVD’s. Door die vorm van publiceren konden we de boeken zelf minder dik en beter leesbaar maken.

We hebben ook van enkele boeken e-books gemaakt, om te kijken hoe de markt zou reageren – maar voor onze markt is de vraag daarnaar erg gering. Dat zal ook te maken hebben met de voetnoten, de tabellen en grafieken en met de afbeeldingen.

De verkopen van e-books blijft vooral beperkt tot de bellettrie, en de groei is stilgevallen.

Allerlei onderzoek laat zien dat kennis van papier beter blijft hangen dan kennis die wordt gelezen op een beeldscherm, en dat lezen van papier meer rust geeft dan digitaal lezen. Maar het is moeilijk de cijfers goed te duiden: in de digitale markt is veel gratis en/of geroofd materiaal.

In ’n onlangse nuusbrief vertel Verloren se Anja van Leusden van vertalings van twee boeke: Sytze van der Veen se Groot-Nederland & Groot-Colombia 1815–1830. De droom van Willem I wat minister-president Mark Rutte aan die Colombiaanse president Iván Duque oorhandig het, en die Engelse vertaling van Hans Schipper se De Westerweelgroep en de Palestinapioniers. Non-conformistisch verzet in de Tweede Wereldoorlog.

In hoe ’n mate is vertaling uit Nederlands in ander tale iets waarvoor daar belangstelling is? Ongeveer hoeveel vertalings reik Verloren jaarliks uit?

Er lijkt een toenemende belangstelling te zijn om oorspronkelijk Nederlands werk in andere talen te vertalen. Voor ons gespecialiseerde, vooral op de Nederlandse geschiedenis gerichte werk komt het niet zeer veel voor. Ik schat dat het om ongeveer drie boeken per jaar gaat.

Vir watter lande wat in noue verband met die Nederlande staan, waaronder dié met bande uit die VOC-verlede, is daar tans in die Lae Lande aandag en in watter opsig?

Er blijft een grote belangstelling voor Indonesië, het voormalige Nederlands-Indië. Dat heeft te maken met het feit dat veel mensen in Nederland Indische roots hebben.

Ik heb ook gemerkt dat boeken die wij hier uitgeven over het Indische verleden, in Indonesië op grote belangstelling kunnen rekenen, zoals het boek van Joko Triwinarto Santoso over Cosman Citroen, een Nederlandse architect die veel gebouwen in Soerabaja heeft ontworpen en gebouwd.

Vertel asseblief van die uitgewery se redaksie, wie daarin dien en wat die betrokke lede se kennisvelde is. Werk die uitgewery met ’n vasgestelde groep medewerkers?

Onze uitgever, Anja van Leusden, is neerlandica. Zij leest alle binnenkomende manuscripten, zij besluit of ze in aanmerking komen voor uitgave en wat er redactioneel nog mee moet gebeuren, als ze kunnen worden opgenomen in het fonds.

Zij heeft een assistente, ook een neerlandica, maar als er redactioneel veel aan een manuscript moet gebeuren besteden we dat uit. We hebben daarvoor een vaste ploeg zelfstandig werkende redacteuren.

Iedereen heeft zijn bijzondere vaardigheden, en afhankelijk van wat er moet gebeuren vragen we een specifieke redacteur of die tijd heeft om een manuscript te verbeteren.

Daarnaast bestaat ons team uit twee opmakers/ontwerpers, een administrateur, een medewerker voor het magazijn en de expeditie, en mijzelf.

Ik ben behalve directeur ook het manusje-van-alles: als iemand afwezig is neem ik zijn of haar werk waar, en als iemand het te druk heeft spring ik bij.

Het ontwerpen van omslagen besteden we meestal uit aan een zelfstandige ontwerper, het opmaken besteden we soms ook uit.

Die manier waarop talle boekwinkelgroepe internasionaal handel dryf, beteken dat ouer werke, ingereken selfs dié wat maar ’n paar maande tevore verskyn het, ruimte aan nuwer titels afstaan.

In hoe ’n mate is Verloren se vroeëre publikasies steeds beskikbaar? Waar kan mense die boeke aanskaf?

Ons oude fonds blijft leverbaar. Dat beschouwen wij voor ons soort boeken als essentieel. Ze staan nog vermeld in de catalogus van het CB (voorheen Centraal Boekhuis), waardoor alle boekhandels (ook die in België) ze daar kunnen bestellen.

Boeken waarvan de omloopsnelheid nog hoog genoeg is, liggen deels ook op voorraad bij het CB.

We hebben alle boeken daarnaast ook laten opnemen in de catalogi van enkele webwinkels, die de bestellingen rechtstreeks naar ons doorzetten.

Langzamerhand weet het vaste publiek echter dat alle boeken het snelste direct via onze eigen website te bestellen zijn. Soms komen mensen ook langs bij ons kantoor om boeken te kopen.

Om een voorbeeld te geven van het belang van ons oude fonds voor onze bedrijfsvoering: in 2018 kwam bijna 10% van de omzet uit de verkoop van boeken die zijn verschenen vóór 2011.

Buro: MvH
  • 0
Top