
De weemoed van de reiziger
Jan Brokken
14 plekken, 14 verhalen
Amsterdam / Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact
2025
334 blz.
Prachtige bundel. Over muziek, literatuur, schilderkunst, architectuur, reizen. Zeer informatieve teksten gebaseerd op persoonlijke ervaringen en gedegen onderzoek.
- Verhalen van een ontvankelijke ontdekkingsreiziger.
- Bijzonder toegankelijk genoteerd.
Over de gevluchte Spaanse dichter Antonio Machado (1875–1939) (9–30)
- “Reiziger, er is geen weg, de weg ontstaat in het gaan.” (17)
- “In de reis die zijn leven was, vertrouwde hij op drie bakens: eenvoud, oprechtheid en integriteit.” (21)
- “In 1983 besloot de burgemeester van Collioure een brievenbus aan te brengen op het graf. (...) Tot nu toe kwamen zo'n vijfenveertighonderd brieven en boodschappen binnen.” (28–30)
Over de Hongaarse componist Béla Bartók (31–70)
- Over zijn vlucht en ballingschap. Beginselverklaring: “wij zijn allemaal Joods”. (42)
- Over Judith Gera. (31; 43; 69–70)
- “Zo jong al zo hoog van de toren blazen, mort voortgekomen zijn uit de gedachte dat je altijd nog bescheiden kunt worden.” (45)
- “Een stedeling en een natuurmens. (...) Het platteland bewaart de tradities, de stad vraagt om verandering.” (47)
- WO-II: Boedapest: “Aan de Donaukade moesten Joden en Roma hun schoenen uittrekken voor ze werden gefusilleerd en in de rivier geworpen – schoenen waren kostbaar geworden in de belegerde stad.” (64)
Over de Tsjechische componist Antonín Dvorák (71–94)
- “In Wenen was het zelfs geruime tijd verboden Dvoráks muziek uit te voeren omdat hij zich door volkse wijsjes liet inspireren.” (82)
- Over zijn Amerikaanse tijd. “Van alle symfonieën die de negentiende eeuw voortbracht is Dvoráks ‘Uit de Nieuwe Wereld’ de opgewektste en de levenslustigste.” (88)
Over Franz Kafka (95–103)
- “Kafka had een hekel aan treinen. Ze waren veel te efficiënt. Ze kenden geen omwegen, gingen recht op hun doel af, zonder de geringste hapering. Ze maakten van de mens een onderdeel van een soepel lopende machine; ze ontnamen hem zijn eigen vrije wil, dikten zijn fantasie in tot het formaat van een spoorboekje.” (95)
- Brief aan Max Brod (1913): “Elk bruidspaar is voor mij een weerzinwekkend gezicht.” (103)
Over Leo Vroman (117–139)
- New York, een stad die nooit ophoudt. Céline: “De meeste steden liggen, maar New York staat.” (118)
- Vroman, Inleiding tot de leegte. Gedicht over New York. (135–136) “Nee, hij hoorde nergens bij, ‘behalve bij iedereen’.” (130)
- Tineke: “Het is altijd mooi een liefde te betreuren. (...) Ach, een beetje troost is als een kussen voor de nacht.” (136)
Over Henri Matisse. De schilder en de non (158–183)
- Verliefd op Russische vluchtelinge. (160)
- “In de liefde is veel opwindend, maar niets is zo zinderend als de verrukking over het mystieke. Over de enigma’s van het leven. Over schoonheid de ontroert. Over het onuitsprekelijke.” (175)
Over Claudio Monteverdi (188–219)
- “Muziek neemt verdriet niet weg maar maakt het hanteerbaar.” (189)
- Over 127 bewaard gebleven brieven. (199–200)
- De motorrijder van Rovereto (231-256)
Verrassend huwelijksaanzoek in Rovereto. Over Fortunato Depero
- “De trein reed het station binnen, een moment dat telkens opnieuw een peilloze melancholie bij me oproept, alsof de piepende en knarsende wielen het leven symboliseren dat even tot stilstand komt, en dan weer voortraast, over ijzeren staven, in rechte lijn op weg naar het einde.” (256)
Casa di Goethe (257–272)
- Over de reis van Goethe naar Italië. (262-267)
- “Het is een van de essenties van het reizen: van jezelf loskomen, jezelf vergeten als iemand met een naam, een achtergrond, een geschiedenis, een reputatie, om aan een nieuw bestaan te beginnen.” (264)
- Goethe: “Parijs moet mijn school zijn, Rome mijn universiteit.” (264)
Ken je het land, waar de citroenen groeien,
In het donker loof de gouden sinaasappels gloeien,
Een milde wind vanuit de blauwe hemel daalt,
De mirte rust, een lauwertak naar boven taalt,
Zeg, ken je het?
Daarheen, daarheen
Wil ik graag met jou gaan, mijn lief, meteen. (267)
Over Gerrit Rietveld & het Schröderhuis (273–303)
Over ontmoeting met 87 jarige Ismail Kadare (maart 2023). (304–325)
- “Wat zou de Europese literatuur zijn zonder cafés? (…) Ik heb de indruk dat Albanezen om het uur een expresso drinken, dat schijnt hun Ottomaanse trek te zijn.” (306)
