Pake en zijn vee, een reis naar Zuid-Afrika in 1911
Froukje Santing
Gorredijk: uitgeverij Noordboek
2025
206 blz.
De journaliste Froukje Santing (1956) ging op zoek naar sporen van de reis van haar grootvader, pake Gerben (1883–1942), die in 1911 als melkknecht vanuit Friesland naar Zuid-Afrika reisde en daar anderhalf jaar werkte. Santing dook in de archieven, reisde door Zuid-Afrika, zocht contact met nabestaanden van andere Zuid-Afrika-gangers.
- Ook probeerde zij haar grootvaders ervaringen in fictie onder te brengen.
- Was grootvader roekeloos of eerder naïef? (155)
- Is de journaliste onbevangen of werpt zij zich op als iemand die voor hem opkomt en niet oordeelt? (155)
- Moet ik pake Gerben bedanken of vervloeken voor het feit dat hij me op zijn Zuid-Afrikaanse pad joeg? (166)
Opmerkelijke passages
- Veel Friese emigranten. Driekwart van de Nederlanders die tussen 1880 en 1914 naar de Verenigde Staten en Canada emigreerden, kwam uit Friesland. (12)
- “Ligt het niet op den weg der Friezen om van hun overvloedige veestapel iets af te staan aan ons verarmd broedervolk?” In twee kleine dorpen, Oppenhuizen en Uitwellingerga, werd in een paar weken 340 gulden bijeen gebracht voor het uitzenden van twee stuks puik jong fokvee (1903). (37)
- “Het gaar niet om pure filantropie, maar ook om het creëren van een goede afzetmarkt.” (40)
- Louis Botha, de latere eerste premier van de Unie van Zuid-Afrika, reisde in 1905 van Pretoria naar Port Elizabeth om 72 stuks geschonken vee (waaronder een Friese stier en tien Friese vaarzen) voor de Transvaal in ontvangst te nemen. De resterende 45 stuks voor de handel gaan met de goederentrein naar Springfontein. (45)
- Aanvankelijk was transport van geïmporteerd vee niet eenvoudig. In 1880 wordt de Hollandse stier Klaas geïmporteerd. “Omdat er dan nog geen spoorwegverbinding is vanaf de dichtstbijzijnde havenstad Port Elizabeth moet Klaas de vele honderden kilometers naar Blomfontein zelf lopen en onderweg de Oranjerivier overzwemmen.” (75)
- Men heeft liever (duurdere) Hollandse boerenarbeiders dan “luie, onverschillige” zwarte mensen die voor een loon van 25 gulden in de maand in vele streken van de Transvaal niet te vinden zijn. (78)
- De Friese boer Wieger Jacobs Jager: “Onmisbare menschen die Kaffers, al hoe weinig ze in tel zijn. En dat ze door de blanken in't algemeen slecht behandeld worden, is zeker, althans ik heb mij er wel over geërgerd, over het sobere eten, de weinige bedekking, de slechte slaapplaats en de hondsche bejegening der Kaffers.” (78)
- “In 1901 telt Friesland naar schatting 160.000 melkkoeien. Gemiddeld melkt één melkknecht acht koeien. Dat houdt in dat er twee keer per dag 20.000 melkers nodig zijn.” (92)
- Verwijzing naar Karel Schoeman, Een ander land en naar het levensverhaal van de Friese onderwijzer Bauke Tjibbe Spoelstra (1871–1947). (162–164)
- In de periode 1890–1900 waren zo’n driehonderd Hollandse onderwijzers voor Transvaal geworven. In 1904 woonden van hen nog slechts vijfenzestig van hen in Zuid-Afrika. (163)
- “Een deel van pake Gerbens Friese identiteit was niet meegereisd naar Zuid-Afrika, maar in her heitelân achtergebleven. De reden van zijn zwijgen – uit schuldgevoel en zwakheid: het wel willen blijven, maar het niet kunnen, en de schaamte daarover, eenzaamheid, verstarring? – was de angst om dat deel van zijn identiteit voorgoed kwijt te raken.” (164)

