
Deel 2
Yves: ‘E-POS II’ katapulteert ons twintig jaar terug in de tijd. De artistieke bijeenkomsten in Kasterlee en Mpumalanga en de ontmoetingen met dichters en grafische kunstenaars uit Zuid-Afrika en België hebben de kiemen gezaaid voor jarenlange vriendschappen, vooral met Charl-Pierre Naudé. Je schrijft hierover: “De ontmoeting met Charl-Pierre Naudé was voor mij een verademing, een revelatie. Ik vond in hem een minstens even verstrooide ‘compagnon de route’, onze wegen zouden elkaar nog kruisen, tot en met onze samenwerking voor een ‘reuzengedicht’ toen ik de Antwerpse ‘StadsPeter’ was”.
Kun je terugblikken op ‘E-POS II’ en de samenwerking? Welke “nieuwe vormen van communicatie” stond jullie voor ogen?
...
Ik voelde intuïtief aan dat een Zuid-Afrikareis ideaal zou zijn om mijn kwetsbaar maar weerbaar ‘wrakhoutschip’ van verzen te laten aanmeren aan ‘vreemde’ kusten. (Peter Holvoet-Hanssen)
...
Peter: Toen wij in het project stapten, waren we allen van één ding overtuigd: we zouden niet zomaar teksten-bij-plaatjes maken. Er stond voor ieder van ons meer op het ‘spel’. Ikzelf naderde het einde van mijn ‘reis naar Inframundo’, een hellevaart naar de diepste krochten van mijn brein. Ik verbind van nature micro met macro. En omdat ik steeds kosmologische ontwikkelingen volg, na een ‘creatieknal’ een uitdijend principe hanteer, voelde ik intuïtief aan dat een Zuid-Afrikareis ideaal zou zijn om mijn kwetsbaar maar weerbaar ‘wrakhoutschip’ van verzen te laten aanmeren aan ‘vreemde’ kusten. Om mijn eigen verhaal te doen oplossen in een breder kader, om onze Westers inhalige ‘roots’ te confronteren met de moederschoot van de mensheid. Kaïn en Abel hadden geen blanke kleur.
Roofzucht en goede inborst schuilen onder dezelfde huid. Als ‘tritonistische’ ontdekkingsreiziger zoek ik de ongrijpbare vonken tussen ‘tegenpolen’. Zoals je naar een haardvuur kijkt: je kunt nooit op voorhand weten wanneer een bepaald vonkje een doffe knal zal geven of welke baan die genster zal volgen, onverwacht opspringend vanuit licht en duisternis, vooraleer weer uit te doven.
...
De Zuid-Afrikaanse collega-vos Charl-Pierre Naudé te ontmoeten zou dan ook een verademing blijken, een Gezel in de Fonkelende Duisternis. En natuurlijk was ik altijd al dol geweest op de Afrikaanse taal met ‘Korreltjie sand’ van Ingrid Jonker als mijn absoluut lievelings-‘muziekdoosgedicht’. (Peter Holvoet-Hanssen)
...
Ik had projectleidster Veerle Rooms eerder al ontmoet (ik woonde toen aan het stationsplein van Antwerpen-Berchem nabij haar uitvalsbasis op de mooie Cogels-Osylei) en had vertrouwen in haar visie. Smaken verschillen maar ik bewonderde hoe zij de oerelementen opnam in haar exploratiedrift en die passioneel onderzocht, als een ‘onderstroom’ doorheen onze vergankelijke wereld. Hoe zij handgeschreven versregels (in eerste instantie die van haar levensgezel Willem Persoon) als een ‘schriftuur’ liet opgaan in haar beeldend vermogen. Voorhistorische tekeningen op een rotswand zijn even relevant voor haar als persoonlijke sporen uit de Eerste Wereldoorlog. Dat sprak mij aan. Het was tijd voor mij om als ‘spoorzoeker’ een sprong in het ongewisse te wagen en op zoek te gaan naar verrijkende ervaringen en mogelijk verwante geesten.
We stonden toen aan het begin van een nieuwe, dominerend elektronische tijd. ‘E-pos’ staat voor ‘e-mail’ en tegelijkertijd had het iets van een minuscuul heldenverhaal, organisch en artisanaal met open blik en met avontuurlijke ‘flessenpost’. Een onversaagde insteek zonder blind te zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Uiteenlopende ‘specialiteiten’ die elkaar opzochten en aftastten: de grafisch ingestelde ontmoette de schriftelijk georiënteerde en vice versa. Zoals auteur Noëlla Elpers nu ook meer en meer de tekenpen hanteert.
Mijn motto was en is ‘Soyons courageux, soyons fous’ van Jean Cocteau dus ging ik ervoor. Niet vergeten dat ik in het begin van het nieuwe millennium een tendens ontwaarde in de poëzie van de Lage Landen naar afnemende reflectie en toenemende zoutloosheid (gelukkig leefden toen nog de weerbarstige H.H. ter Balkt en de Friese troubadour Tsjêbbe Hettinga) en dat voor mij (met Italo Calvino als held) speelsheid niet gekoppeld is aan lichtzinnigheid en ‘lichtheid’ niet aan oppervlakkigheid maar eerder aan het wezen der dingen. De Zuid-Afrikaanse collega-vos Charl-Pierre Naudé te ontmoeten zou dan ook een verademing blijken, een Gezel in de Fonkelende Duisternis. En natuurlijk was ik altijd al dol geweest op de Afrikaanse taal met ‘Korreltjie sand’ van Ingrid Jonker als mijn absoluut lievelings-‘muziekdoosgedicht’.
Yves: In een van de ongepubliceerde dagboekaantekeningen, getiteld ‘Innend en spinnend’, schrijf je:
E-POS II bracht mij naar de Artist Proof Studio in Johannesburg o.l.v. Kim Berman, waar ik met jongeren-in-kunstopleiding een poëzieworkshop gaf, in het gezelschap van Veerle Rooms. O Jo’burg! Villawijken bewaakt door de zwarte medemens, prikkeldraad rondom met de waarschuwing ‘We shoot to kill’. Niet stoppen bij rood licht. Hoe is het leven daar in die smeltkroes intussen geëvolueerd? E-POS II bracht mij naar het Apartheidsmuseum en de miljoenenstad Soweto, nog immer op mijn netvlies gebrand. Het leidde tot het gedicht ‘(Welcome to) Number Four’ (opgenomen in mijn bundel Navagio; de illustratie ‘Number Four’ op het achterplat verwijst naar het gedicht en is een heliogravure / chine-collé van Veerle Rooms). De verzen schreef ik in het Frans Masereel Centrum begin november 2006.
De passages in Zuid-Afrika, ook de ontmoetingen met plaatselijke kunstenaars en schrijvers, hebben veel indruk gemaakt en jouw creativiteit als dichter aangewakkerd. In ‘Innend en spinnend 1’ noteer je:
Aan boord - waar deze reis naartoe gaat weet ik niet, maar gewis dat dit avontuur uit kleine circuits wil barsten en uit oude dwangbuizen zal breken, in een poging verder te gaan dan een eenmalige duo-samenwerking. Op zoek naar nieuwe verbindingen en onverwachte links. De lens gericht op bijzondere momentopnamen: gekerfd in ruimte en tijd. Spelend met toeval en niet-toeval, woord en beeld, …
Kun je het belang beschrijven dat je hecht aan die Zuid-Afrikareis voor het eindpunt van de eerste poëziezoektocht – de reis naar het onderwereldse (Inframundo) en “het [breken] uit oude dwangbuizen”?
...
Poëzie blijft voor mij verzet, zoals Remco Campert schreef: zij gaat tegen de oppervlakkigheid in, op verkenning tot in het ongewisse, of zij zet het schijnbaar ‘gewone’ in het flitsende licht van de dichtersbliksem. (Peter Holvoet-Hanssen)
...
Peter: Zoals later mijn residentie in Estland cruciaal werd voor mijn experimentele ‘tweeschelpenroman’ Zoutkrabber Expedities, zo zou Inframundo nooit geslaagd zijn geweest zonder E-POS II. Want ‘het einde wordt begin’, zoals ik ooit in jeugdverzen schreef. Maar niemand kan, zeker niet in zijn jonge jaren, het levenseinde voorspellen. Wel kunnen we afdalen naar diepe mijnschachten in ons brein. Daar liggen vaak nog onontgonnen ertsaders die verbindingen maken tot buiten de territoriale grenzen. ‘Verbindingen’: anno 2025 een haast afgesleten subsidiedossier-woord, waar komt die gefixeerdheid op de eigen navel vandaan? Ik heb mezelf altijd gezien als deel van een organisme. Een held van me, Kurt Vonnegut zaliger, liet ooit aliens naar de aardkloot kijken: die zagen niet miljoenen afzonderlijke mensen maar één wemelend organisme dat zich afbreekt, weer opbouwt en aangroeit. Als jonge dichter had ik heel wat ‘identiteiten’ (zoals zo vele pubers destijds getekend door de lectuur van De Steppewolf van Hermann Hesse), later bracht ik ze, geïnspireerd door mijn muze en privéredactrice Noëlla Elpers, samen in één vloeiend geheel. Ik begreep niet dat de mensen om mij heen zo vasthielden aan hun dagelijkse verschijningsvorm, een strak beeld hadden hoe hun levenswereld er moest uitzien. Dat mondde voor mij uit in een dwangbuis-maatschappij en geen ‘samen-leving’ met fluctuerende, zoekende persoonlijkheden. In mijn wilde jaren zocht ik altijd de randgebieden op van de stad, ik infiltreerde in circuits waar de gemiddelde blanke middenklasser nooit kwam. Die ingesteldheid heb ik nooit verloren. Omdat ik als jongeling zelf in een bepaald keurslijf werd gestoken (later ook als dichter: ‘de ontoegankelijke performer’, de ongevaarlijke of gevaarlijke chaoot), heb ik mij altijd verzet tegen verstikkende dwangbuizen. En poëzie blijft voor mij verzet, zoals Remco Campert schreef: zij gaat tegen de oppervlakkigheid in, op verkenning tot in het ongewisse, of zij zet het schijnbaar ‘gewone’ in het flitsende licht van de dichtersbliksem.
Yves: Charl Pierre Naudé vertaalde enkele van jouw gedichten in het Afrikaans: ‘Marinero (klaaglied)’ en ‘Maanfestijn’ (zie de documentaire bronnen). Ook met de bekende Zuid-Afrikaanse dichter en academica Gabeba Baderoon heb je samengewerkt. In hoeverre was jij als auteur bij het vertaalproces betrokken en hoe vind je je poëzie klinken in het Afrikaans? Tot vandaag is geen bloemlezing uit jouw werk vertaald in Zuid-Afrika. Ik heb er herhaaldelijk voor gepleit. Welke gedichtenreeks – of poëziereis – zou je aan een Afrikaanstalig publiek bekend willen stellen?
...
Een vertaling voor een Afrikaanstalig publiek is voor mij een droom, maar of ik dat nog ga meemaken? ‘Marinero (klaaglied)’ was een begin, daar zat ik volgens mij op de goede weg. (Peter Holvoet-Hanssen)
...
Peter: Ik ben geen netwerker en miste dus ook de ambitie om vertaald te worden. En ik was nooit ingestudeerd speels noch hield ik mij aan de ingeburgerde, geijkte voordracht. Ik deed wat een tekst van mij vroeg. Maar nu word ik toch wat ouder… Ik was altijd zo streng voor mijn eigen gedichten, onder de indruk van Angelsaksische en middeleeuwse lectuur, dat ik ze in den beginne niet eens ‘gedichten’ wilde noemen (maar zogenaamde ‘baldakijnen’, ‘vliegende tapijten’ of ‘drijvende dooskisten’). Ik ben niet onder één hoedje te vangen, ik maakte mijn eigen ‘tritonistische’ niche. Het kan decennia duren vooraleer zulks doordringt. Een vertaling voor een Afrikaanstalig publiek is voor mij een droom, maar of ik dat nog ga meemaken? ‘Marinero (klaaglied)’ was een begin, daar zat ik volgens mij op de goede weg. Door de jaren heen heb ik mij gespecialiseerd in ‘muziekdoos- en liedgedichten’, door Noëlla verzameld in Libretto. Dié verzen zouden toch de landsgrenzen mogen overschrijden. De muzikaliteit ervan is universeel en de menselijke thema’s (met oog voor in West-Europa onderbelichte gebieden) zullen zeker jong en oud aanspreken, met welke tongval ook. En mijn nieuwe ‘kleine gedichten’, die veel meer uitgepuurd zullen worden en krachtiger gecomponeerd, die mannelijk én vrouwelijk zijn, hard én zacht, zullen sowieso meer aansluiting vinden. Het zijn zandkorreltjes in de kous, rimpelingen op het water. Voor mijzelf is het een kwestie, met mijn halve longinhoud, nog een tijd in leven te blijven. Zo graag had ik die derde poëziereis volbracht tot op een Kaapstadstrand, met in de verte mijn geliefde zeezoogdieren in de golven. Het zal waarschijnlijk een droom blijven maar ik zal ‘de geslepen dynamiek der tuimelaars betrachten’.
...
Daarom ben ik zulk een fan van Charl-Pierre Naudé. Een auteur die kan uittreden uit het eigen denkende lichaam en op die manier, heel 21e-eeuws, het hoogspanningslandschap overschouwt. Het doorleefd persoonlijke inbedt in de wereldstroom. Het ogenschijnlijk vluchtig-banale, een hoelahoepend meisje, plaatst in een grotere geschiedenis. (Peter Holvoet-Hanssen)
...
Yves: In een terugblik op het project en het verblijf in Zuid-Afrika tekende je het volgende op:
Eén reis slechts, maar zo vele ontmoetingen en diepe indrukken. In Kaapstad ben ik niet geweest, maar ik hoor de walvissen zingen tot in Het Kapersnest.
Zijn sindsdien de walvissen blijven zingen tot in het Kapersnest? Of anders gezegd: hoe bepalend was het project voor jouw eerste poëziereis? In de receptie van de dichtbundels die deel uitmaken van de literaire queeste is geen aandacht uitgegaan naar de Zuid-Afrikaanse rite de passage, de inspirerende ontmoetingen, de confrontatie met dichters uit Zuid-Afrika, met het land en zijn gewelddadig verleden en heden, met teksten van onder anderen Charl-Pierre Naudé en Gabeba Baderoon. Nochtans maken dergelijke geest- en horizon-verruimende ontmoetingen naar mijn oordeel wezenlijk deel uit van de vaarroute waarlangs de eerste poëziereis plaatsvond en die organisch heeft geleid naar volgende grensverleggende expedities die je tot de meest recente bundel Goleman. hebt ondernomen.
Peter: Goleman, de laatste reus, heeft super-AI ingeslikt en is mens geworden. Daarom staat er in die bundel (anno 2024) ook een foto van de piepjonge Peter Holvoet-Hanssen, geboren uit twee uiteenlopende families: de van oorsprong West-Vlaamse Holvoeten en de Noormanzonen van ene Hans. De ‘gedichtenopera’ doet je in de spiegel kijken vooraleer je het woord ‘hoop’ uitspreekt. Zoals ik in Navagio schreef anno 2008: ‘zo speelt vandaag in Gaza een kind zich dood’.
Dat ook in een brave borst een donkere kant kan schuilen, is geen aangename boodschap. Dat ‘Kwaliteit’ statisch en ook vernietigend dynamisch kan zijn, Robert Pirsig indachtig. Het doet je afvragen waarom de Britten voet in Afghanistan wilden zetten, wie er allemaal meewerkte om miljoenen Afrikaanse slaven naar Amerika te verschepen, waarom zwarte gemeenschappen versneld naar townships moesten verhuizen enz. Het doet je afvragen wie je zogezegde ‘tegenstander’ is. En die opponent zal op de beurt weer een caleidoscoop van geschiedenissen blootleggen.
Daarom ben ik zulk een fan van Charl-Pierre Naudé. Een auteur die kan uittreden uit het eigen denkende lichaam en op die manier, heel 21e-eeuws, het hoogspanningslandschap overschouwt. Het doorleefd persoonlijke inbedt in de wereldstroom. Het ogenschijnlijk vluchtig-banale, een hoelahoepend meisje, plaatst in een grotere geschiedenis. De gordel van Elvis Presley schittert en fascineert maar confronteert ons ook in deze tijdruimte met een schrikwekkende flonkering. Dan pas kunnen we elkaar echt de hand reiken.
Yves: Veel dank voor het vraaggesprek, Peter.
Geraadpleegde bronnen
T’Sjoen 2004. ‘In een wolkenkoekoeksoord naar een hemels nu-moment. Over de poëzie van Peter Holvoet-Hanssen’, Stem en tegenstem. Over poëzie en poëtica. Amsterdam/Antwerpen: Atlas, p. 141-151.
Idem 2014. ‘E-POS II. Transnationale relaties in de poëzie van Peter Holvoet-Hanssen en Charl-Pierre Naudé’, Tydskrif vir Nederlands en Afrikaans, 21 (2), p. 42-69.
Idem 2017. ‘“Het Land van Music-Hall” en Zuid-Afrikaanse reisgezellen. Peter Holvoet-Hanssen en de poëtica van het verdwalen’, Versindaba: 6 april 2017.
Idem 2018. ‘Staties op weg naar nieuwe poëzie. De reis naar Inframundo (2011) van Peter Holvoet-Hanssen’. Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie van de 21e eeuw. J. Dera en C. de Strycker (red.). Nijmegen/Gent: Vantilt/PoëzieCentrum, p. 141-149.
Idem 2023. ‘Historiek van de intimiteit en zwart feminisme: Over Gabeba Baderoon en contacten met de Lage Landen’, Voertaal: 22 december.
De tweespraak wordt gebundeld in Twee overzijden. Vraaggesprekken op de literaire brug tussen Afrikaans en Nederlands (Academia Press, Gent, 2025). De reeks op Voertaal bevat dialogen met schrijvers en vertalers: Benno Barnard, Simone Atangana Bekono, Zandra Bezuidenhout, Dominique Botha, Breyten Breytenbach, Robert Dorsman, Babs Gons, Stefan Hertmans, Peter Holvoet-Hanssen, Lynthia Julius, Antjie Krog, Tom Lanoye, Lisette Ma Neza, Danie Marais, Charl-Pierre Naudé, S.J. Naudé, Fanie Olivier, Jolyn Phillips, Alfred Schaffer, Riana Scheepers, Francois Smith, Nicol Stassen, Marlies Taljard, Marc Tritsmans, Miriam Van hee, Etienne van Heerden, Marlene van Niekerk, Eben Venter, Peter Verhelst, Gert Vlok Nel en Ingrid Winterbach.
Lees ook:
