Naar aanleiding van de tweede herdenking van de sterfdag van Breyten Breytenbach (1939-2024) verschijnt een gelegenheidsbundel met getuigenissen van dichters, vertalers en vorsers. Het huldigingsboek wordt gepresenteerd op het symposium “Inter-Breyten. Breytenbach in context” (Universiteit Gent, 26-27 november 2026).
Postumiteiten voor Breyten. Door het oog van dichters en vorsers presenteert reacties van Zuid-Afrikaanse en enkele Nederlandstalige dichters op een reeks met vragen.
Daarnaast komen vorsers aan het woord in een tweede deel. Zij spreken over hun specifieke framing van Breytenbachs werk, de accenten die ze leggen in het wetenschappelijk onderzoek. Niet alleen schrijvers en vertalers construeren hùn beelden van Breytenbachs oeuvre, ook onderzoekers dragen bij aan de (academische) beeldvorming. Zij belichten hun persoonlijke leeservaringen en geven te kennen hoe zij een aandeel hebben in de beeldvorming van Breytenbach of dus de literaire postuur, met name de “heterorepresentatie”.
Voor het herinneringsboek reageren Zuid-Afrikaanse Breytenbach-experten op een vragenlijst. Een tweede gespreksgenoot in die reeks is Alfred Schaffer, een van de hoofdsprekers op het congres in Gent.
...
Het is een auteur die, denk ik, zeker verschillende revivals zou kunnen beleven in de komende decennia, zoals het werk en de figuur van Herman Gorter nu weer opleeft onder veel jonge Nederlandstalige dichters.
...
YT: Kun je in kort bestek een overzicht geven van het zelf ondernomen wetenschappelijk werk over facetten van Breytenbachs oeuvre? Welke framing – een benadering van literatuurwetenschappelijke, vertaalwetenschappelijke, kunstwetenschappelijke, cultuurhistorische, politiek-ideologische of biografische aard – kreeg daarbij de voorrang?
AS: Voor mijn schrijverschap is vooral het werk dat tot aan de jaren negentig het licht zag belangrijk geweest voor mijn eigen werk. In wetenschappelijke context is mijn werk met betrekking tot de poëzie van Breytenbach zeer bescheiden; in mijn proefschrift uit 2002, over mythe, primordialiteit en de representatie van de archetypische adolescent, wat achteraf gezien meer een zeer uitgebreide poëtica was, heb ik me in het hoofdstuk over de representatie van Narcissus onder andere op (‘YK’) gericht. De focus was een literatuurwetenschappelijke en politiek-ideologische, omdat het lyrisch ik in deze bundel een unieke positie bekleedt: een ik-gericht subject dat door de buitentalige werkelijkheid (gevangenschap) zijn spiegelwerkelijkheid vernietigd ziet.
YT: Zijn er onderzoeksbevindingen die je, het onderzoek overschouwend, onder de aandacht kunt brengen? Of anders gezegd: op grond van welke overwegingen kan Breytenbach een schrijver en beeldend kunstenaar van internationale allure worden genoemd?
AS: De thematiek waarmee het werk van Breytenbach zich mee bezighoudt, deels ingegeven door een autobiografische realiteit, sluit naadloos aan bij literatuur van elders. Dit was het impliciete gegeven van het onderzoek destijds: om (ook) Afrikaanse en Zuid-Afrikaanse teksten naast teksten van elders te leggen, met als koppeling primordialiteit en isolatie, en zo te laten zien dat kunst een universele kwaliteit heeft, ook als die in relatieve afzondering (apartheid) ontstaat, in een specifieke tijd, taal en ruimte.
YT: Zijn er in het ruime studiegebied aspecten die tot op heden relatief weinig aandacht kregen? Zie je krachtlijnen in de benaderingen van Zuid-Afrikaanse en buitenlandse onderzoekers, in zekere mate bepaald door onderzoekparadigma’s die in het onderzoek in de loop van de tijd verschuiven of wisselen? Waarop kan het onderzoek zich nu, na het overlijden van Breytenbach, méér toeleggen?
Er worden de komende jaren veel wetenschappelijke en essayistische publicaties, wellicht ook promotieonderzoek, toegevoegd aan een inmiddels indrukwekkend corpus van beschouwende teksten (zie de bibliografieën in de huldigingsbundel voor Breytenbach Woordenaar woordnar, 2019). Zijn er richtingen die het onderzoek bij voorkeur uitgaat, al dan niet leunend op of in kritische dialoog met bestaande studies?
AS: Ik denk dat geen enkel aspect in het studiegebied te wéinig aandacht heeft gekregen. Eigenlijk zou je hopen dat er nu veel meer wetenschappelijke aandacht komt voor het werk van een nieuwe generatie schrijvers en dichters, die een heel nieuwe socio-economisch terrein vertegenwoordigt en ontgint. Ik denk dat Breytenbachs postuur veel aandacht rechtvaardigt, zijn uitgesproken, unieke en opiniërende rol in een politiek zeer ingewikkelde tijd, zijn rol als organisator en instigator.
Ook vraag ik me af – maar hierover weet ik gewoon te weinig – hoeveel aandacht zijn schilderkunst nu werkelijk heeft gekregen, in wetenschappelijke zin. Als ik een Nederlands, vergelijkbaar dubbeltalent als Michael Tedja erbij pak, dan is er veel meer evenredige aandacht voor zowel het literaire als beeldende werk. De blijvende wisselwerking tot het unieke beeldende én literaire werk heeft in elk geval mijn diepe interesse. En de politiek, altijd de politiek, om dat aan de hand van politieke analyses van de figuur Breytenbach en het werk zelf, zoveel te zeggen valt over onderdrukking, racisme, loyaliteit – over een belangrijke en zwarte periode in de wereldgeschiedenis.
YT: Wanneer het onderzoekdomein omtrent het literaire en artistieke werk wordt overschouwd, welke inzichten hebben jou als onderzoeker zelf veel bijgebracht en/of hebben de studie een bepaalde richting uitgestuurd?
AS: Ik heb lang niet alles bestuurd, en kan dus onmogelijk het onderzoekdomein overschouwen, maar wat mij is bijgebracht is dat een volkomen ongrijpbaar auteur en een enigmatisch, raadselachtig oeuvre, tóch zo bevlogen en geëngageerd kan zijn, een kruising tussen solipsisme en activisme.
YT: Breytenbachs werk is omvangrijk en uitermate veelgelaagd. Het is onmogelijk vanuit een specifiek literatuur- of kunstwetenschappelijk standpunt de (inter- en intratekstuele of intermediale) veelzijdigheid te benaderen. Zijn er invalshoeken – probleemstellingen en onderzoeksvragen – die je voor een eigen voortgezette studie overweegt?
AS: Modes komen en gaan, maar kortgezegd ben ik geïnteresseerd in de uitdrukking van het lyrisch ik, vanwege de politieke implicaties en de gecompliceerde houding van de auteur met het ik, binnen de kaders van transnationalisme, Afrikanerdom, apartheid en activisme. Het is een auteur die, denk ik, zeker verschillende revivals zou kunnen beleven in de komende decennia, zoals het werk en de figuur van Herman Gorter nu weer opleeft onder veel jonge Nederlandstalige dichters.
YT: Tot slot, Alfred. Breytenbachs literaire werk is vertaald in meerdere talen en wordt mede dankzij het vertaalwerk internationaal gelezen en bestudeerd. Hoe heb jezelf, als particulier lezer of toeschouwer, het werk van Breytenbach ontdekt? Hoe verliep de eerste ontmoeting, wie heeft daar als beschouwer een bepalende rol in gespeeld? Welke teksten van Breytenbach waren voorgeschreven op school of aan de universiteit? Wat heb je zelf opgenomen op de leeslijsten voor studenten, teksten waarvan zou beslist hoogte moesten nemen? En ten slotte wat het receptieproces betreft: welke titels of kunstwerken van Breytenbach beschouw je zelf als hoogtepunten van de schrijvers- en kunstenaarsloopbaan?
AS: Ik vind het een tekortkoming van mijzelf dat ik met het schilderwerk eigenlijk niet bekend ben, hoewel je daar natuurlijk ook hoogtepunten in zou moeten aanwijzen. Literaire hoogtepunten zijn wat mij betreft Kouevuur, Lotus, ‘YK’ en Nege landskappe van ons tye bemaak aan ’n beminde. Het zijn werken waarvan studenten zeker kennis zouden moeten nemen, al behandel ik als docent Nederlandstalige literatuur hier in Zuid-Afrika geen Afrikaanstalige literatuur. Met het werk van Breytenbach maakte ik relatief laat kennis, en hoe die kennismaking verliep kan ik me ook niet meer goed herinneren. Ik denk dat ik, omdat ik de naam natuurlijk wel kende, hier in Kaapstad in mijn leeshonger gewoon wat titels ben gaan lezen. Van een vriend kreeg ik al wel snel na aankomst een exemplaar van Die ysterkoei moet sweet. En ik herinner me nu dat, voor de launch van het blaadje Vlugskrif (dat diezelfde vriend met enkel mijn werk had laten drukken), hij Wilma Stockenström en Breyten Breytenbach had gevraagd. Die hebben wat mooie woorden in mijn exemplaar geschreven. Ongelofelijk eigenlijk dat hij die toen heeft weten te strikken.
Voorafgaande aan mijn eerste semester in Kaapstad werd het werk van Breytenbach in het kennismakingscollege met Zuid-Afrikaanse literatuur in Leiden niet behandeld, daar ging het om Van Heerden, Brink en Coetzee. Bijzonder is dat overigens niet; het onderwijs in het algemeen, en het universitair onderwijs in het bijzonder, ook destijds in Leiden, geeft nu eenmaal de voorkeur aan proza boven poëzie.
Daadwerkelijk gegrepen door Breytenbachs poëzie werd ik misschien wel tijdens de periode van het project Mondmusiek. De muziek bracht veel prachtige teksten nog meer tot leven. Ik herinner me ook de feestelijke presentatie, ergens in 2001, waar ik kort met Breyten sprak en ook met Johannes Kerkorrel – een bijzonder vriendelijke, en legendarische zanger, die een jaar later een einde aan zijn leven zou maken. Dat ik daar toen al rondliep zag ik geloof ik niet als iets uitzonderlijks, terwijl ik nu denk: hoe kwam ik daar terecht, in die kringen, als pas gedebuteerd dichtertje?
Lees ook:
Breyten schrijven #39: Postumiteiten voor Breyten. In gesprek met Louise Viljoen
Breyten schrijven #38: Postumiteiten voor Breyten. In gesprek met Anke van der Merwe
Breyten schrijven #37: Postumiteiten voor Breyten. In gesprek met Sandra Saayman


