Het Nederlands en de wereld

  • 0

De februari-editie van het tijdschrift De Lage Landen opende met een dossier van 48 pagina’s waar het Nederlands als internationale taal centraal staat. Het volledige dossier valt inmiddels gratis op internet te lezen.

In zes artikelen wordt een rijk en veelzijdig beeld van het Nederlands gegeven. Er is zowel aandacht voor het door het koloniale verleden gekleurde Nederlands van Adriaan van Dis (75) tot het nieuwe Nederlands van de Iraans-Nederlandse schrijfster Sholeh Rezazadeh (33). Voor uitleenwoorden en internationalismen. En voor de digitale ontsluiting van archivale bronnen. Maar kunnen de onderzoekers van vandaag dat oude Nederlanders nog wel lezen?

...
Uiteindelijk zijn we allemaal mensen en zijn we over grenzen van taal en cultuur heen in staat om elkaar te begrijpen.
...

Het idee voor deze bijzondere uitgave kwam van Kris van de Poel, algemeen-secretaris van de Taalunie. De Taalunie, opgericht in 1980, heeft als doel om het Nederlands in Nederland, Vlaanderen en Suriname te ontwikkelen en te stimuleren en het Nederlands in de wereld te ondersteunen. De inhoud van het dossier, dat ongeveer een derde van deze Lage Landen in beslag neemt, sluit bij deze internationale ambitie aan.

Het eerste van de zes essays die in het dossier zijn opgenomen, is “Mijn Nederlands wil een vrijtaal zijn” van Adriaan van Dis, een tekst die eerder verscheen in het boek Overeind in Babel. De talen in Europa (2007) en die overigens sterke overeenkomsten bevat met andere artikelen van Van Dis waarin hij eveneens een verband legt tussen het Afrikaans dat hij tijdens zijn studie Nederlands leerde kennen en het Petjoh, het Indo-Hollands van zijn Indische familie.

...
Zelfs de Zweedse koning Gustaaf II en zijn dochter, koningin Christina I, spraken een mondje Nederlands.
...

Hoewel we dit essay van Van Dis hier niet verder zullen bespreken, zet het onmiddellijk de toon voor de rest van het dossier. Het Nederlands is niet langer alleen de taal van Nederlands en Vlaanderen. Het wordt ook elders in de wereld gesproken, gelezen en bestudeerd. De standaardtaal heeft afgedaan. In onze geglobaliseerde samenleving is ruimte ontstaan voor allerlei variëteiten van het Nederlands, waaronder dialecten en sociolecten, bijvoorbeeld ontstaan vanuit de jongerencultuur en de migrantengemeenschap.

Zuinig en onbeleefd

Nicoline van der Sijs, emeritus-hoogleraar historische taalkunde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en senior-onderzoeker bij het Instituut voor de Nederlandse Taal in Leiden, gaat in haar vermakelijke artikel “Losgehen wie ein Holländer” in op het imago van Nederland en het Nederlands in andere talen.

Dat er in het Engels allerlei uitdrukkingen met het woord “Dutch”  voorkomen, weten we inmiddels wel, zeker na het verschijnen van De Dutchionary. Woordenboek van al wat Dutch is van Gaston Dorren (2020). Aan de hand van een paar bekende voorbeelden laat Van der Sijs zien dat “Dutch” in het Verenigd Koninkrijk andere associaties oproept dan in de Verenigde Staten. De Engelsen benadrukken vooral de Nederlandse drankzucht en losbandigheid, terwijl voor de Amerikanen de Nederlands zuinigheid en onbeleefdheid voorop staan.

Van der Sijs’ onderzoek gaat echter verder. In 2019 heeft ze een enquête gehouden onder Nederlandse en Vlaamse emigranten, waarin ze hen onder meer gevraagd heeft naar moppen en stereotypen over Nederlanders en Vlamingen in hun land van bestemming. Uit de resultaten blijkt dat de Nederlanders in de wereld nog steeds als “schrieperig” en slechtgemanierd beschouwd worden.

Andere stereotypen zeggen weinig over Nederland en des te meer over de cultuur van het nieuwe land. Zo zijn de Fransen, met hun verfijnde cuisine, geschokt over de Nederlandse  eetgewoonten (als ze met de caravan op vakantie gaan, brengen ze hun eigen aardappels mee), en ergeren Duitsers zich aan de Nederlandse automobilisten die met een slakkengangetje over de Duitse autobaan kruipen. Over het feit dat het Nederlands elftal tijdens het wereldkampioenschap voetbal in 1974 verloor van Duitsland, kunnen onze oosterburen zich nog steeds verkneukelen: “Wat doet een Nederlander nadat zijn team het WK heeft gewonnen? Hij zet zijn Playstation uit en gaat naar bed.”

Over het algemeen blijven dit soort moppen en stereotypen echter beperkt tot “goedmoedige plaagstootjes”, die bovendien vaak gepaard gaan met waardering voor de efficiency en het harde werken van de Nederlanders, concludeert Van der Sijs.

...
“Zulke vragen kunnen door een veelheid van mensen en in verschillende talen geformuleerd zijn”, schrijft Blom, “maar antwoorden geven stemmen in het Nederlands.”
...

De Vlamingen komen er in het buitenland overigens beter af dan de Nederlanders. “Wat is het verschil tussen Nederlands en Vlaanderen”, luidt een Zweeds raadsel. “Zet twee Belgen bij elkaar en je hebt een feestje, zet twee Nederlanders bij elkaar en je hebt een werkgroep.”

Taal van internationale handel en diplomatie

Christopher Joby, gastdocent aan de opleiding Nederlands en Afrikaans aan de Adam Mickiewicz Universiteit in Poznan (Polen) en aan de Academia Sinica in Taipei (Taiwan), opent fascinerende vergezichten in zijn artikel over de rol van het Nederlands als taal van de internationale handel en diplomatie door de eeuwen heen. De auteur pretendeert geen volledigheid, maar verkent het toenmalige gebruik van het Nederlands in handel en diplomatie in Groot-Brittannië, de Baltische staten, “de moslimwereld” en Japan.

Joby weet bijvoorbeeld te vertellen dat Willem III, die naast stadhouder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ook koning van Engeland, Schotland en Ierland was, zich nooit op zijn gemak voelde in het Engels en dat hij liever Nederlands of Frans gebruikte.

De Oostzeehandel was vanaf de Late Middeleeuwen tot medio zeventiende eeuw de belangrijkste bron van welvaart van Amsterdam. Daardoor groeide het Nederlands in deze regio, die onder meer Zweden, de Baltische staten en Rusland insloot, uit tot een lingua franca. Zelfs de Zweedse koning Gustaaf II en zijn dochter, koningin Christina I, spraken een mondje Nederlands. Dat gold natuurlijk ook voor de Russische tsaar Peter de Grote, die in Nederland moderne scheepsbouwmethoden had bestudeerd en daarbij aardig wat Nederlandse woorden had opgepikt. Via het Russisch belandden bepaalde woorden vervolgens in andere contacttalen, waaronder het Azeri.

De paragraaf die Joby wijdt aan wat hij “de moslimwereld” noemt, voert de lezer van het Ottomaanse Rijk via India en Ceylon naar Zuidoost-Azië, het handelsgebied van de Verenigde Oostindische Compagnie. (Dat de VOC-schepen het Nederlands ook naar Kaap de Goede Hoop zouden brengen, waar het de basis werd van het Afrikaans, laat Joby onvermeld.)

Prikkelend is de gedachte dat de Nederlanders, waar ze ook al kwamen, niet alleen zelf pogingen deden om de lokale talen onder de knie te krijgen, maar dat er in het belang van handel en diplomatie ook plaatselijke tolken opgeleid werden. Dat betekende dat er in het contact met deze niet-Europese talen Nederlandse grammatica’s, lexicons en lesboekjes opgesteld moesten worden. Dat gebeurde ook in Japan, waar Nederland in de vroegmoderne tijd een uniek handelsmonopolie bezat.

Onvertaalbaarheid bestaat niet

Goedele De Sterck, vertaaldocent en literair vertaler, buigt zich in haar bijdrage over de “onvertaalbaarheid” van het Nederlands. Deze onvertaalbaarheid komt vaak voort uit het feit dat een woord in de brontaal cultuurspecifiek is en dat er in de doeltaal geen goed equivalent voor bestaat. In die zin werpt zogenaamde “onvertaalbaarheid” een verhelderend licht op de culturele eigenheid.

Een eerste strategie kan directe overname zijn. Zo neemt het Nederlands tegenwoordig veel woorden uit het Engels over. Andersom zijn er, zoals Christopher Joby al liet zien, ook woorden uit het Nederlands in andere talen overgenomen, met name woorden die te maken hebben met de twee zaken waarin Nederland wereldwijd koploper is: scheepsbouw en waterbeheer.

Maar leenwoorden zijn toch een wat gemakzuchtige en onbevredigende oplossing. Beter is het om naar een creatieve omschrijving te zoeken, betoogt De Sterck. Uiteindelijk zijn we allemaal mensen en zijn we over grenzen van taal en cultuur heen in staat om elkaar te begrijpen. Dit is een van de mooie uitdagingen waarvoor de geglobaliseerde samenleving, waarin contact tussen talen en culturen meer dan ooit aan de orde van de dag is, ons stelt.

Nederlandse historische bronnen zijn van internationaal belang

In zijn belangwekkende bijdrage “De toekomst van historisch Nederlands is internationaal” schetst Frans Blom, docent Nederlandse en Neolatijnse literatuur van de vroegmoderne tijd aan de Universiteit van Amsterdam, een hoopgevend beeld van de ontsluiting van Nederlandse archivale bronnen.

Het materiaal is volgens Blom opmerkelijk rijk en afwisselend. Ook is de inhoud ervan niet alleen relevant voor Nederland maar ook mondiaal. Leven en werk van de zeventiende-eeuwse Nederlandse schilder Rembrandt van Rijn hebben bijvoorbeeld een internationale uitstraling. En andersom zijn er, door het Nederlandse koloniale en handelsverleden, historische gebeurtenissen elders in de wereld waarover alleen in Nederlandstalige contemporaine bronnen verteld wordt. “Zulke vragen kunnen door een veelheid van mensen en in verschillende talen geformuleerd zijn”, schrijft Blom, “maar antwoorden geven stemmen in het Nederlands.”

Vanwege die internationale relevantie is het goed dat steeds meer historisch bronnenmateriaal inmiddels digitaal ontsloten is en via online platforms wereldwijd en op elk gewenst moment toegankelijk is. Materiaalverzamelingen die zich in verschillende delen van de wereld bevinden, zijn aan elkaar gekoppeld en met een druk op de knop doorzoekbaar gemaakt. Ook zijn er tools ontwikkeld die helpen om oude handschriften te ontcijferen en te transcriberen.

De kansen voor historisch bronnenonderzoek waren dus nog nooit zo groot als nu, constateert Blom dan ook. Maar hij ziet ook een gevaar. Want beschikbaarheid van het materiaal is alleen maar het begin. Je hebt ook wetenschappers nodig die het materiaal kunnen en willen bestuderen. En juist daar zit het probleem. Universiteiten besteden steeds minder aandacht aan de opleiding van experts die dit moeilijke en gespecialiseerde werk kunnen doen.

Gelukkig, bericht Blom, wordt dit probleem onderkend en is onder andere de Taalunie bezig met een project dat internationale onderzoekers van historisch Nederlandstalig archiefmateriaal wil ondersteunen.

Nederlands leren en binnen drie jaar een boekdeal

Het katern wordt afgesloten met een essay van Sholeh Rezazadeh (1989), een Iraans-Nederlandse schrijfster die in 2015 voor de liefde van Iran naar Nederland verhuisde, Nederlands leerde en binnen drie jaar een contract voor haar eerste Nederlandstalige roman binnenhaalde. Dit boek, De hemel is altijd paars (2021), werd in 2021 bekroond met de Bronzen Uil en kreeg in 2022 de Debutantenprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. 

Met het essay van Rezazadeh is in deze bijzondere uitgave van De Lage Landen, die overigens ook nog eens verluchtigd wordt met foto’s van de Zuid-Afrikaanse kunstenares Christine Fourie, een cirkel  voltooid. We zijn terug bij Adriaan van Dis’ notie van het Nederlands van “vrijtaal”: “Een taal die zich openstelt voor het vreemde, die zich met trots laat verleiden en nieuwe woorden werpt, maar ook een taal die listen en woorden verzint om het vreemde in te kapselen en eigen te maken.”

Het zit allemaal bijzonder goed in elkaar. En dan zouden we nog bijna vergeten dat dit dossier deel uitmaakt van een editie die nog veel meer prikkelende en uitdagende stukken op het gebied van maatschappij, geschiedenis, taal, kunst en literatuur bevat.

  • De Lage Landen. Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland. Jaargang 65 (2022), nr. 1 (februari). [Themanummer: Het Nederlands en de wereld.]  192 pagina's. Prijs los nummer: € 19,00. Voor meer informatie, kijk op:  https://www.de-lage-landen.com/
  • 0
Top