"Je moet Afrika verbeelden." – Breyten Woorddwaas over "het eiland"

  • 0

In het referaat over representaties en dus de verbeelding van Afrika in de lyriek van Breyten Breytenbach, woensdag 24 augustus in het SAVN-luik van het 21e Colloquium van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (Nijmegen), worden aan de hand van een werkimmanente leesmethode Gorée- en andere eilandgedichten geanalyseerd. Breyten Breytenbachs metaforische reflecties sporen met de essayistische en verhalende teksten in meerdere bundels. Naast Denkend vuur (The Memory of Birds in Times of Revolution, 1996) biedt de Middenwereld-tetralogie, meer bepaald Woordvogel (A Veil of Footsteps, 2007/2008), een verzameling met eilandnotities. De ondertitel van de oorspronkelijke Engelse editie is “Memoir of a Nomadic Fictional Character”, door Krijn Peter Hesselink vertaald als “Gedenkschriften van een nomadische romanfiguur”. Die persona is Breyten Woorddwaas, ook wel Breyten Woordvogel genoemd, die zijn Lezer rechtstreeks aanspreekt.

Woordvogel, bij Podium (Amsterdam) verschenen na “het schrijversboek” Intieme vreemde (2006), bundelt reisverslagen over New York, waar Breytenbach jarenlang een cursus creatieve schrijfkunst aanbood, Parijs, Catalonië en andere Europese plekken, en natuurlijk Afrika. Bespiegelingen zijn gewijd aan passages in Maputo, op de Kaapverdische Eilanden en in Bamako. Het merendeel van de Afrika-stukken handelt over “het eiland”, met name het voormalige slaven-transiteiland Gorée voor de kust van Dakar. De gedichten ‘Gorée-ure’, gebundeld in Die windvanger, kunnen worden gelezen tegen de achtergrond van die eiland-prozafragmenten.

Naast een thematische lezing (etnisch-cultureel of bijvoorbeeld politiek-historisch) nodigen de notities uit tot een lectuur met aandacht voor het vertellen van verhalen en de kracht van de verbeelding. Herhaaldelijk roept de ik-verteller op Afrika te verbeelden en de bron van de creativiteit aan te boren om een toekomst voor Afrika te ontwerpen. Dergelijke pan-Afrikaanse inzichten liggen onder meer ten grondslag aan de poëziekaravaan die Dakar verbond met Timboektoe. In een bijdrage in Tydsfrif vir Nederlands en Afrikaans, het eerste artikel van het Vision Keepers-project (Unisa), hebben we hierover aantekeningen opgenomen.

De particuliere fascinatie van Breyten Woorddwaas komt in het stuk ‘Maputo’ al expliciet aan bod: “Het historische falen en het politieke bankroet in Afrika worden verzacht door grote uitgelatenheid, bulderend gelach, geflirt en grappenmakerij. De Afrikaanse lach is met niets anders op aarde vergelijkbaar; hij werpt zijn schaduw op vele gezindheden en overbrugt allerlei kloven, hij is alomtegenwoordig en kent talloze verschijningsvormen. Gemeenschapsdenken is het onderliggende grondbeginsel. Ja, het is Afrika’s fundamentele kenmerk als tegenwicht voor de zo vaak bejubelde ‘democratie’ en ‘scheiding der machten’ van andere luchtstreken” (p. 198-199). Westerse noties van politiek en macht, zo lang door koloniale mogendheden opgelegd aan landen in Afrika, vergen een kritische herziening. Het gemeenschap-denken waarvan sprake staat haaks op het westerse superioriteit-denken en de cultus van het individu.

In de diptiek ‘Rennen, rennen’ beschrijft de verteller op kleurrijke en sensitieve wijze inwoners en dagelijkse scènes op het eiland Gorée. Ze verbeelden niet alleen het leven op het eiland, ze evoceren bovendien een beeld dat veraf staat van een gestructureerde of bureaucratische samenleving. En passant vraagt hij zich af: “En wie zal ooit het tumultueuze verhaal van dit eiland vertellen? We kennen fragmenten door de teksten van zeevaarders en piraten, een paar bewaard gebleven artikelen uit vrijwel onleesbare akten van de West-Indische Compagnie. Palimpsesten. Grafplaten die zijn uitgewist door de winden […]” (p. 217-218). Vervolgens belicht Woorddwaas in vogelvlucht de historiek van het eiland, meer bepaald de aanwezigheid van Portugezen, Nederlanders (toen het eiland nog Goeree heette) en Fransen. Over de kracht van het verhaal tekent hij pregnant op, een voorafname op soortgelijke uitlatingen in de eilandnotities: “De adem van de verhalenverteller is een verbasterd product maar ook een transformerende kracht” (p. 219). Adem is inderdaad een topos in Breytenbachs metatalige discours: het verhaal kleurt bij, wijzigt en transformeert de geschiedenis, suggestieve beelden geven zuurstof aan het eiland. Beweeglijkheid is de kern van het betoog: zonder beweging geen leven. Zonder transformatie geen geschiedverhaal. Altijd zijn er lacunes in de geschiedschrijving, lijnen die niet geëxploreerd worden. “Breyten Woorddwaas had ervoor kunnen kiezen vele onderwerpen en mensen in zijn leven te beschrijven. Hij had dat moeten doen. Je zou moeten schrijven alsof je door een wereld rent die zich voor je ontvouwt terwijl je naar je adem luistert. Waarom zou ik een paar van deze verhalen niet met Lezer delen, vraag ik me af” (p. 221-222).

Breyten Breytenbach (Foto: Tessa Louw)

De eilandhoofdstukken bieden een zinderend raccourci van verhalende en beschouwende passages. Woorddwaas verhaalt de wereld van het eiland, waarbij fictie en feit, dromen en verbeelding het fundament zijn. Doelstelling van die concentrische schrijfbewegingen, teneinde vat te krijgen op de geschiedenis en de betekenis van het eiland, wordt beschreven op pagina 224: “Op zeker moment zal ik daadwerkelijk met je moeten communiceren, Lezer, namens ons, over mijn pogingen beter zicht te krijgen op deze oneindige stroom van verbijsterend leven. Ik zal schrijven over rituelen en gesprekken, want al schrijvend ontdek je wat je nooit gedacht had te weten. Ik zal de indruk hebben dat ik papieren zeilen bedek met onleesbaar schrift, de voetafdrukken van vliegen – het zou me zeker zwaar vallen het na afloop te ontcijferen – in een poging het vergankelijke neer te krabbelen. Maar ik moet verder, omdat ik weet dat ik mijzelf moet zuiveren van het dichtgeslibde dromenresidu”. Dromen en waarnemingen, zo stelt de verteller, vloeien uit elkaar voort. Dat is het eiland waarvan sprake. In een parenthese op de volgende bladzij staat te lezen: “ik schrijf door in een poging mijn eiland boven te laten drijven in een turbulent kielzog van woorden”. De kracht van de taal en de wegen van de verbeelding constitueren het eiland zoals het door Breyten Woorddwaas wordt betekenis(sen) gegeven. De reisverslagen zijn geen descriptieve teksten, een soort toeristische gids of een rechttoe rechtaan geschiedenisrelaas, maar een taalconstructie waarin Afrika gestalte wordt gegeven. We lezen nog ergens dat “de zin schuilt in de stroom, niet in de betekenis” (p. 226).

In de Afrikateksten van Woordvogel komen variaties voor op deze stelling: de taal vormt het verhaal. In ‘In de vroegte’ kunnen we bijvoorbeeld deze gedachte van Woorddwaas lezen: “je reist door vele landen en je woorden vergezellen je als kwieke, halftamme vogels en ’s nachts keren ze terug om te zingen over wat ze hebben gegeten. Over het vlees van weduwen. En over de hemel” (p. 245). Ook in de stukken ‘Over het eiland’ (p. 246-251) en ‘Over het eiland: onafhankelijkheid’ (p. 257-265)  dringt de Lezer, gegidst door Breyten Woorddwaas, binnen in het menselijk en maatschappelijk weefsel dat “eiland” heet. De beelden die verhalend worden neergezet, vormen een prismatisch mozaïek van eilandfragmenten. De hybride tekstverzameling is het adem gegeven verhaal dat Woorddwaas zich voorstelt bij het eiland.

In het slotdeel van de opeenvolgende Afrikateksten, ‘Ga toch zitten, Breyten Woorddwaas!’, maant de verteller zichzelf aan zijn narratieve drift te temperen. In een vorige bijdrage citeerden we al het volgende tekstfragment: “Het is een eiland, een schip op zee en een plaats waar winden hun herinneringen komen koesteren en laten ritselen. Waar slavendrijvers en slaaf hun speeksel en hun zaad en hun bloed hebben vermengd”. Niet toevallig staan de ‘Gorée-ure’ in Die windvanger (2007), waarvan één vertaald door Hesselink in de Nederlandse bloemlezing De windvanger (2007).

De eilandnotities zijn producten van de creatieve verbeelding, van een gedachtenstroom. In dat opzicht is Woorddwaas, die nog steeds op adem komt, een idealist die zijn collega-kunstenaars oproept Afrika te verbeelden “met de adem die hun werk tot leven wekt”. “Je moet Afrika verbeelden”. Naast het “politieke bankroet” van het continent, de wanhoop en de tering, “afgrijselijkheid, waanzin” is er “de schoonheid”, zo stelt de verteller. Hij concludeert: “het schrijven [brengt] zijn eigen onleesbaarheid [voort]. Het voert nergens heen, maar het kan het niet laten door te gaan”. Het onleesbare schrift, waarvan al eerder sprake op papieren zeilen, is een noodzaak om het eiland en dus Afrika te verbeelden, adem te geven en dus van een creatieve toekomst te verzekeren. Die poging is een stroom, geen vaste betekenis, een (schrijf)beweging die niet tot stilstand komt.

  • Breyten Breytenbach, Woordvogel. Amsterdam: Podium, 2008.
  • Alwyn Roux en Yves T’Sjoen, ‘'n Kartering van Breyten Breytenbach se betrokkenheid by die Gorée-instituut vir demokrasie, ontwikkeling en kultuur in Afrika (1987-2017)’. In: Tydskrif vir Nederlands en Afrikaans 26 (2019) 2, p. 30-50. https://journals.co.za/doi/epdf/10.10520/ejc-tna-v26-n2-a5
Lees ook:

Verbeelding van Afrika in Denkend vuur van Breyten Breytenbach

Buro: MvH
  • 0
Top