Lázár
Nelio Biedermann
Oorspronkelijke titel: Lázár (2025)
Vertaald uit Duits door Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen
Amsterdam / Antwerpen: Atlas Contact
2026
334 blz.
Boeiende roman van 21-jarige Zwitserse schrijver over de ondergang van een adellijke Hongaarse familie tegen de achtergrond van oorlog en revolutie. Met vaart verteld.
Opmerkelijke passages
- “De schrijver heeft nergens grotere angst voor dan voor het geluk, wat volkomen begrijpelijk is, want schrijven betekent conserveren, vasthouden, ordenen, maar het geluk gaat taal uit de weg, weet te ontkomen aan de woorden, verschuilt zich in de onbestendigheid en gaat in rook op als je het probeert te verklaren.” (108)
- “Maar de schrijver weet ook dat geluk voorbij gaat en dat hij slechts geduld moet oefenen tot het plaatsmaakt voor andere gevoelens.” (110)
- “... hij zocht vergeefs een schaduw die hem kon troosten. De schaduwen wisten veel, maar van liefdesverdriet hadden ze geen verstand.” (160)
- “De appelbomen droegen dit jaar bijzonder veel peren.” (172)
- “De afgelopen jaren had ze geleerd om iedere dag te nemen zoals hij kwam en niet meer aan de toekomst te denken. Het had geen zin om je daarover het hoofd te breken, als drie woorden volstonden om van appels peren te maken.” (219)
- Verwijzing naar Proust, Op zoek naar de verloren tijd, “het grootste literaire werk aller tijden”. (178)
- “Soms leek het Pista alsof je je moest schamen voor alles wat niet van buitenaf zichtbaar was: voor je angsten, je vertering, je gedachten, je geslachtsdelen en je gevoelens. Zelfs voor de liefde moest je je schamen – vooral als man.” (210)
- Over de vrouwen op de schilderijen van Vermeer: “alsof het hem erom ging hun hun geheimen te laten en niet te onthullen. (...) daarom positioneerde hij zijn figuren haast altijd bij ramen, zodat ze de mogelijkheid hadden om naar buiten te kijken, weg uit die starre wereld van verf en olie.” (212–213)
- “Hij had een pistool vast. Maar voor het overige stemde hij niet overeen met het beeld dat Pista van de Russen had. Hij was weliswaar vuil en stonk naar alcohol, zweet en rook, maar zijn baard was dun en zijn schouders waren smal en knokig.” (224)
- “Nadat de soldaten gegeten, gedronken en verkracht hadden, waren ze naar het jachtkasteel gegaan om meneer Fekete en Lajos neer te schieten.” (231)
- “Hij was altijd al door de dood omgeven geweest. Enerzijds de concrete dood, waar zijn grootouders ten prooi aan waren gevallen en waar het zwijgen over werd bewaard, en anderzijds de abstracte dood, die lag in de ondergang van de monarchie, de neergang van de aristocratie en de teloorgang van de traditionele waarden waarop hun wereld berustte.” (250)
- “Wat, dacht Eva, doet een schrijver eigenlijk anders dan zijn personages beroven van hun recht op zelfbeschikking. Hij legt ze oorlogen in de weg, zadelt ze op met depressies of ontrukt ze hun eerste liefde. Een verschil in machtspositie zoals tussen dader en slachtoffer, zij het slechts in fictie. De personages kunnen zich niet verweren, de schrijver doet met wat hij wil, laat ze lijden en vergeefs hopen, en dat alles om zich in zijn superioriteit bevestigd te voelen.” (293)
- “Ook degenen die de hoop niet hadden opgegeven hoopten eigenlijk niet op de toekomst, maar op de terugkeer van het verleden.” (295)
- Vlucht per trein vanuit Hongarije naar Zürich. (323–332)

