Gelegenheidsgedichten van Gerrit Kouwenaar voor Breytenbach
In juni 1974 publiceert Willem M. Roggeman een uitgebreid gesprek met Breyten Breytenbach in De Vlaamse Gids. Op de vraag of Breytenbach vanuit Parijs de literaire ontwikkelingen in het Nederlandse taalgebied volgt, is het antwoord: “Nee, mijn kennis van wat er op literair gebied in Nederland en Vlaanderen gebeurt is sporadisch.” Hij spreekt in een adem zijn bewondering uit voor de Nederlandse Vijftigers: “De generatie van Vijftig – dichters als Kouwenaar en Lucebert en Schierbeek – hebben een grote indruk op mijn jong gemoed gemaakt, en maken dit nog steeds” (Roggeman 1974:27). In zijn artikel “Breytenbach in Nederland” citeert Erik van den Bergh uit dat vraaggesprek en voegt nog toe dat over “de verwantschap met Gerrit Kouwenaar en Bert Schierbeek […] enkele Zuid-Afrikanen hun licht [lieten] schijnen (Deudney-Theron 1991; Akerman 1978)” (1980:353). Ook in een kranteninterview door Boudewijn Büch benadrukt Breytenbach die interculturele verwantschap: “Ik [ben] beïnvloed […] door de Vijftigers, door Kouwenaar en Lucebert. Later las ik H.C. ten Berge, Kopland en Bert Schierbeek. Ik bewonder hun werk” (Het Parool, 20 juni 1984, geciteerd uit Recourt 2008).
aan breyten breytenbach en Vingermaan
Over de connectie tussen Breytenbach en de Beweging van Vijftig is meermaals geschreven, op voorzet van de schrijver zelf die herhaaldelijk zijn aandacht voor het werk van met name Campert, Kouwenaar, Lucebert en Schierbeek onderstreept.

In 1976 verschijnt in het fonds van Meulenhoff een tweede druk van Skryt met de Afrikaanse gedichten en een vertaling van Van Dis. Dit is uitvoerig beschreven (Goedegebuure 1993, Jonckheere 1999, Van den Bergh 2003, Recourt 2008).

Saluut van Kouwenaar

De poëziebijdrage van Kouwenaar omvat vier titelloze gedichten met als reekstitel de opdracht “Voor Breyten”. In 1982 heeft Kouwenaar het kwartet gebundeld in Het blindst van de vlek (1982:37–40) met de titel “brief in een fles voor breyten breytenbach”. Ook later, in de verzameluitgave Helder maar grijzer. Gedichten 1978–1996 (1998), zijn de gedichten gepresenteerd. Blijkbaar hechtte Kouwenaar belang aan de politiek geëngageerde gelegenheidsverzen en hij heeft de teksten een vaste plek gegeven in het gebundeld en later verzameld dichtwerk. De dichter, over wiens werk menig critici wel eens stelt dat het autonomistisch is en dus een autonome taalwerkelijkheid opbouwt, heeft zich niet alleen in de marxistische beginfase van zijn dichterschap maar ook later politiek uitgesproken. Doorgaans wordt beweerd dat sinds de jaren zeventig Kouwenaar opener en zelfs autobiografisch schrijft, met de blik gericht op de wereld. Gaston Franssen heeft in de receptiestudie Gerrit Kouwenaar en de politiek van het lezen (2007) overtuigend aangetoond dat geen sprake is van een poëticale ommezwaai in Kouwenaars poëzie, alleen in de receptie. In de kritische ontvangst is de nadruk steeds meer gaan liggen op het vermeende autobiografische karakter van de gedichten.

Onzichtbaar als jij nu bent, Breyten, zit men
nu even in je, zoals jij daar nu zit, krom
en brommend onder de schaduw
van de gewapend betonnen rechtvaardiging
van het onrecht
[…].
In Het blindst van de vlek (en Helder maar grijzer) zijn de verzen als volgt gewijzigd:
Onzichtbaar als jij nu bent, breyten, zit men
nu even in je, zoals jij daar nu zit, recht
op maar gebogen onder de nimbus
van de gewapend betonnen preekstoel
die recht spreekt wat krom is
[…]. (mijn onderstreping, yt).

Gerrit Kouwenaar
Deelnemende schrijvers aan Vingermaan hebben de gelegenheidsgedichten later opgenomen in een bundelcompositie: Luceberts “breyten breytenbach mag de maan zien” staat in Oogsten in de dwaaltuin (1981) en Ten Berges cyclus van acht gedichten “Intra muros” in Nieuwe gedichten (1981), later in de verzameluitgave Materia prima. Gedichten 1963–1993 (1993). Dat geldt ook voor Camperts Breytenbach-gedicht, opgenomen in Theater (1979). Rutger Kopland bundelde een eerste gedicht, gericht aan Breyten, in Al die mooie beloften (1978). De tekst in Vingermaan, ook weer met de aanspreekvorm Breyten (“Soms zie ik je gezicht in een krant, verloren / zoon van de Boeren, eindelijk veilig thuis”), bleef ongebundeld. Schierbeeks drieledige reeks “Voor Breyten Breytenbach” is postuum opgenomen in De gedichten (2004) (Ceuterick 2017).
Veertig jaar na de publicatie van Vingermaan presenteer ik de eerste druk van Kouwenaars gedichten. Tussen vierkante haken zijn de gedichten (fragmenten) van een nummer voorzien.
Voor Breyten
[1]
Het is 20 mei ’80 als men zijn herinnering
samenvoegt tot je gestolen gezicht
op het gewillig papier rimpelt een ooglid
en de spiegel van het bloedbad trilt
een brief in een fles is dit, Breyten
een handdruk van lucht
een gedicht
[2]
Een witte bladzij zou misschien beter zijn
een ieder kon die dan naar believen
zwart maken met zijn grieven, of nat
met wat een lichaam bevat
aan woede verachting liefde
want wat zwart is is algemeen bekend
zwart is de nacht en de neger en het gat
waar geen licht in valt en waar alles
kruipt omdat het niet gaan kan en waar niets
in droge ogen geschiedt
[3]
Onrecht, dat witte tablet in de melk
dat zand in het oog, die hand
die zonder lichaam om een keel sluit
dat verongelijkte zondagskind
met een knecht en een padvindersmes, die bonbon
met een vulling van stront
vrijheid die al bleek wordt als je haar uitspreekt
woede die in een maagzweer uitbreekt
verachting die zich dik maakt
in een knikker, en de liefde
die zijn geslacht wast in schuld
[4]
Onzichtbaar als jij nu bent, Breyten, zit men
nu even in je, zoals jij daar nu zit, krom
en brommend onder de schaduw
van de gewapend betonnen rechtvaardiging
van het onrecht
en in zijn eigen buitenkant huizend
herkent men als steeds onderweg
van het potdichte oog naar de blaffende bek
herkent men wat er in je zit
aan letters en andere excrementen
die jij als geen ander kent en kunt duiden
maar geen mens die je ziet
alleen het volautomatische oog hoog boven je hoofd
in het fris gewitte gehemelte
werpt zijn alles omvattende blik
op je zindelijk gekortwiekte schim
en denkend aan wapens weegt men
zijn pennemes en denkt: punt
in de wind, Breyten – maar wind
stil is het
1980
Bronnen
Tatjana Ceuterick, “Kijk vriend”. Breyten Breytenbach in de poëzie van Bert Schierbeek: Een onderzoek naar de transnationale laterale bewegingen en “images” van een Zuid-Afrikaans schrijver. Ongepubliceerde masterscriptie, academiejaar 2016–2017, Universiteit Gent.
Jaap Goedegebuure, “‘De weerklank wordt door de situatie bepaald’: Breyten Breytenbach in de spiegel van de Nederlandse kritiek”. Literatuur, 1993 (4), pp. 217–222.
Wilfred Jonckheere, Van Mafeking tot Robbeneiland: Zuid-Afrika in de Nederlandse literatuur 1896–1996. Nijmegen: Vantilt, 1999, pp. 171–179.
Annemiek Recourt, “Niet te véél aksent op het ‘Zud-Afrikaanse’ als-je-blieft”. De materiële en symbolische productie van het oeuvre van Breyten Breytenbach in Nederland. Ongepubliceerde masterscriptie, Universiteit van Amsterdam, academiejaar 2007–2008.
Willem M. Roggeman, “Gesprek met Breyten Breytenbach”. De Vlaamse Gids, 58 (1974) 6 (juni), pp. 10–31. Opgenomen in Willem M. Roggeman, Beroepsgeheim. Gesprekken met schrijvers. ’s-Gravenhage/Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1975, pp. 213–248.
Erik van den Bergh, “17 juni 1972. De Zuid-Afrikaanse dichter Breyten Breytenbach ontvangt de Van der Hoogtprijs”. In Maaike Meijer & Rosemarie Buikema (red.). Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900–1980. Den Haag: Sdu, 2003, pp. 345–360.
De bijdragen over Breytenbach en Campert, Komrij, Kopland, Schierbeek en Ten Berge verschijnen in 2021 in de bundel KWINTET – Literaire dialogen tussen Afrikaans en Nederlands. Proeven van onderzoek (Woolf, Antwerpen).
Lees ook:
Francis Galloway se teks oor Breyten Breytenbach vir die publiek beskikbaar

