Mevrouw Hayat
Ahmet Altan
Oorspronkelijke titel: Hayat Hanim (2021)
Vertaald door Veronica Divendal
Amsterdam: De Bezige Bij
2023
238 blz.
Sterke roman over een jonge Turkse student die een intense relatie krijgt met een oudere, vrijgevochten vrouw, mevrouw Hayat. Tegelijkertijd geniet hij ook van zijn relatie met een collega-studente literatuurwetenschappen. Kiezen blijkt niet eenvoudig.
- In de roman komt ook de repressie in Turkije in verschillende vormen ook nadrukkelijk aan de orde. De schrijver werd diverse keren veroordeeld en gedetineerd.
- Vertaling aan de stroeve kant. “Dan eten we ook iets kleins (...) We zetten ons neer.” (136)
- De roman bevat een groot aantal citaten en verwijzingen naar schrijvers en filosofen. O.a. Proust (20, 54), Woolf (35), Flaubert (44-45), James (44–45, 153), Murdoch (55), Materlinck (60), Nietzsche (68), Saramago (76), Dante (77), Shakespeare (77, 237), Steinbeck (79), Baudelaire (84), Hesiodos (103, 105), Cioran (123), Adorno (123), Gorki (125), Zweig (125), Balzac (125), Seyfettin (142), Spinoza (148), Yourcenar (158), Brodsky (159), Conrad (159), Lawrence (159), Auden (188), Dostojevski (193), Tolstoi (209).
Opmerkelijke passages
- “...het was de vrolijkste lach die ik in mijn hele leven had gehoord. In haar lach klonk alles tegelijk: vogels in de vroege ochtend, stukjes kristaal, heldere bergbeekjes, kerstboombelletjes, hand in hand huppelende kleine meisjes.” (17)
- “We waren als een pijl-en-boog, door een meesterboogschutter onder luide kreten steeds sneller en steeds strakker aangespannen, om tenslotte plotseling te worden losgelaten. Met een gevoel zowel te vliegen als te vallen, dat mijn hele lichaam en ziel omhulde, ging ik op in een ijle geur van lelies.” (53)
- “Ik herinnerde me de woorden van Proust: ‘laat ons de knappe vrouwen overlaten aan mannen zonder verbeelding’.” (54)
- “Eenzaamheid was voor haar als haar nestje. Als een fraai gevederde vogel ging ze op haar gemak haar nest in en uit, waarbij ze zich nooit forceerde. (...) Haar eenzaamheid betoverde me, deed in mij het verlangen ontwaken die ook te betreden. Ik wilde dat het ónze eenzaamheid was, een eenzaamheid waarin wij beiden pasten.” (59)
- “Wanneer ik haar aanraakte, veranderde de tijd van vorm, met haar wezen als mes ontdeed ze de tijd van zijn schillen, pitte het verleden en de toekomst eruit, en haalde, als smakelijke kern van de vrucht, het moment dat wij beleefden tevoorschijn. (...) De herinneringen aan het verleden en de zorgen voor de toekomst verdwenen, het hele leven veranderde in één oneindig ‘moment’. Dat lange en ononderbroken ‘moment’ vulde zij met haar vrolijke zorgeloosheid, haar milde spot, haar serene tederheid en haar onuitputtelijke lust.” (61)
- “Ze was als een mysterieus schitterend melkwegstelsel in mijn leven gekomen, ik zag er de sterren, lichtjes, sprankelingen en kleuren van, maar achter het mysterie van het totaal kon ik niet komen.” (63–64)
- “... er flitste een uitsprak van Nietzsche door mijn hoofd. ‘Zelfs aan de zoetste vrouw zit nog een bitter smaakje’.” (69)
- “Het wezen, de essentie, van de literatuur is de mens... De mens met zijn gevoelens. En het zaad waaruit alle gevoelens voortkomen: de wens, het verlangen, om te bezitten. Als u wenst om meester te worden over een mens, en wel over zijn ziel, dan noemen we dat liefde. Het verlangen om het lichaam van een mens te bezitten, is lust. Als u mensen wil overheersen, zodat ze u vrezen en uw bevelen zullen gehoorzamen, dan is dat macht. Als u geld wil bezitten, is dat hebzucht. Als u onsterfelijkheid wenst te bezitten of meester wil zijn over het leven na de dood, dat is geloof. Literatuur voedt zich in feite uit één bron – het bezitsverlangen – en doet dit via deze genoemde vijf aders, die aan die bron ontspringen. Dat is de essentie.” (73)
- “Zoals dieren geluiden horen, die mensen niet kunnen horen, en geuren ruiken, die mensen niet kunnen ruiken, zo kunnen schrijvers vele feiten en zaken waarnemen, die de meeste mensen niet kunnen zien, die onder of boven hun waarnemingsniveau liggen, evenals tal van gevoelens en vormloze of naamloze verlangens, die bij de meeste mensen in de duisternis blijven, die men het onderbewuste noemt. Maar wat betreft het waarnemen van overduidelijke zaken – die mensen normaliter onmiddellijk zien, begrijpen, ruiken, alleen al met hun vingertoppen voelen – zijn schrijvers vaak incompetent en hulpeloos.” (83)
- “Als ik bij haar vandaan was, kwamen mijn angsten terug, dijde de tijd uit, groeiden mijn zorgen en problemen; maar iedere keer liet wat ik met haar beleefde en voelde, een stukje goud achter in de schatkist die haar herinnering in mijn geest vormde.” (101)
- “‘Geloof jij in God?’ (...) ‘Soms’, antwoordde ze. ‘Maar vandaag niet... Volgens mij begrijpt God soms ook niets van wat er gebeurt’.” (148)
Lees ook:
Leesimpressie: Vanaf vannacht slaap ik op het dak door Jens Christian Grøndahl
Leesimpressie: Het liefdespaar van de eeuw door Julia Schoch

