Neem het vuur mee
Leïla Slimani
Oorspronkelijke titel: Le pays des autres. Troisième partie: J’emporterai le feu (2025)
Vertaald door Gertrud Maes.
Amsterdam: Wereldbibliotheek
2025
365 blz.
Prachtige bewogen familiekroniek. Slotdeel van trilogie gebaseerd op het familieverhaal van de schrijfster. Zeer fraaie typeringen, veel rake zinnen en pakkende beelden. Vertaling leest zeer soepel. Scherp beeld van leven in Marokko en leven als jonge emigrant.
“Als uw huis in brand stond, wat zou u dan meenemen?”
“Ik zou het vuur meenemen.”
Jean Cocteau (7)
Opmerkelijke passages
- Casablanca: “Van deze stad heb ik leren houden. (...) Ze is uniek. (...) In Fez of Meknès vragen ze altijd van wie je de zoon bent. Hier kun je niemands zoon zijn. Casablanca is een stad zonder geheugen, een eldorado voor de onechte kinderen, voor de ambitieuzen, voor de naamlozen. Een beetje zoals bij Balzac, snap je?” (61–62)
- “Ze haatte Inès uit gewoonte, en zoals gewoonte liefde doet verflauwen, haalt het ook de angel uit haat.” (65)
- “De Arabische taal wilde haar niet. Hoe ze zich ook inspande, het leek alsof die taal, die toch de hare was, langs haar afgleed als water langs de wanden van de grote glazen pui.” (76)
- Marokko: “Oorlog was het DNA van dit land, zijn identiteit. Eeuwenlang had oorlog het leven van mannen betekenis gegeven, had de wereldorde bepaald.” (127)
- “Ze wisten niet wat vrij zijn betekende. Hardop praten. Zeggen wat je denkt. Vrijheid, dacht hij, zit opgeslagen in het lichaam, de spieren, een beweging (...).” (143)
- Niet praten over geaardheid. (180)
- “‘Mia zal het ver schoppen”, en ineens greep het woord ‘ver’ hem aan. En deed hem pijn. Was afstand voorwaarde voor succes?” (191)
- Parijs: “‘Ze lieten me betalen voor wat ik had gegeten, niet te geloven, toch?’ (...) De gebouwen hadden ogen en bekeken haar kil. Overal had je een toegangscode nodig.” (198)
- “Ze voelde intuïtief dat om te assimileren je jezelf moest opheffen, uitwissen, het verleden vernietigen. Dat de prijs van integratie ook het verlies van een zekere integriteit was.” (201)
- Portretten van vader Mehdi (1945) (219–239), moeder Aïcha (1947) (232–236), Aicha en haar dubbele gevoelens over Mehdi. (303)
- “Ongenade heeft een heel eigen geur.” (230)
- Over mannen. (241)
- “Mannen vertrokken, begreep Inès. Mannen verlieten het land voor een ander continent, het platteland voor de stad, echtgenotes voor maîtresses.” (241)
- “Op welk moment houdt een land op het jouwe te zijn?” (277)
- “In Marokko werden oude mensen niet in bejaardenhuizen gestopt, werden ze niet achtergelaten in hospices, overgelaten aan onbekende handen die hen niet met begrip of tederheid behandelden. Voor een vrouw was ouder worden de beste wraak, want dan werd je eindelijk gerespecteerd.” (277)
- “Ze was niet meer van hier maar zou nooit van daar zijn.” (284)
- “Mathilde, die niet bij de teraardebestelling aanwezig mocht zijn omdat ze een vrouw was (...)” (288)
- “De erfgenaam, die zelfs recht had op tweemaal zoveel als zijn zus – dat is de islamitische wet (...)” (294)
- “Waarom nam je geen foto's bij begrafenissen? Je fotografeerde wel verjaardagen, huwelijken en doopfeesten, dus waarom zou je geen herinnering bewaren aan begrafenissen?” (294)
- “Hij zei dat hij uit Frankrijk kwam en dat maakte indruk. Ze veronderstelden automatisch dat hij fijnbesnaard en vrijpostig, beschaafd en arrogant was.” (296)
- “Kunnen we houden van een land dat niet van ons houdt? Kun je tegelijkertijd van hier en van daar zijn?” (297)
- “Deze spiegel heeft een probleem, want zo zie ik er niet uit.” (310)
- Over Londen: “De stad was niet zo eersteklas, had niet de hartverscheurende schoonheid van Parijs, maar Mia waardeerde de chic van de Londense plantsoenen en de warmte van de pubs. Het was zowel een hardwerkende als een vrolijke stad, die jongeren van over de hele wereld aantrok.” (314)
- Over abortus. (329–330)
- “... ze klampten zich vast aan het verleden om het heden niet te hoeven verdragen.” (336)
- “Uit die tijd herinnerde Mia zich vooral de woorden die niet gezegd werden.” (344)
- “De waarheid moet je overlaten aan families zonder verbeeldingskracht.” (355)
- “Ik heb mijn vader altijd gezien als een romanpersonage, of eigenlijk versmolt hij uiteindelijk met de boeken die hij me te lezen gaf, zodat alle sporen die naar hem leiden door elkaar lopen. (...) hij gaf me de sleutel van een ander deel van hemzelf, zowel meer verborgen als wezenlijker, de droombeelden die hij had gevoed, het beeld dat hij van zichzelf had gemaakt, het vuur dat in hem brandde.” (356)
Lees ook:
Leesimpressie: Mijn kindertijd door Giuseppe Tomasi Di Lampedusa

