Verslag symposium "Om te behoort. Transtaligheid, samehorigheid, en die konstruksie van Suid-Afrikaanse gemeenskappe" (1)

  • 0

Op 11 en 12 november vond in Amsterdam een symposium plaats over Zuid-Afrikaanse literatuur en cultuur, georganiseerd door de Universiteit van Amsterdam (Leerstoel “Zuid-Afrikaanse literatuur, cultuur en geschiedenis”), de Universiteit van Gent (Gents Centrum voor Afrikaans en de studie van Zuid-Afrika) en het Zuid-Afrikahuis Nederland. Samenroeper was prof. dr. Margriet van der Waal (UvA).

Margriet van der Waal (foto genomen op dag 2 in het Zuid-Afrikahuis)

Het symposium verkent de Zuid-Afrikaanse literatuur en cultuur vanuit het oogpunt van transtaligheid en transculturaliteit, oftewel vanuit een erkenning dat taalkundige en culturele grenzen dynamisch en fluïde zijn.

Het symposium zou oorspronkelijk al in 2020 plaatsvinden, maar moest toen vanwege de coronasituatie uitgesteld worden. Helaas zagen de coronacijfers er een jaar later zo mogelijk nog zorgelijker uit. Daardoor konden veel internationale deelnemers niet naar Nederland komen en kreeg het programma alsnog een hybride vorm: sommige sprekers waren fysiek aanwezig, anderen alleen online. De voertalen waren Afrikaans, Nederlands en Engels.i

Quentin Williams: Het ontstaan van een nieuwe taal waarin iedereen zich thuis voelt

De eerste dag van het symposium begint met een keynote lezing door Quentin Williams, directeur van het Centre for Multilingualism and Diversities Research aan de Universiteit van de Westkaap en projectleider van het Drietalige Kaapse Woordeboek. Williams houdt een inspirerend en onderhoudend betoog over de rol die transtaligheid kan spelen bij het slechten van de muren van kolonialisme en apartheid en het tot stand brengen van een non-raciaal, democratisch en egalitair Zuid-Afrika.

Als voorbeeld gebruikt hij de casus van twee rastafari’s, Jeremy en Jaak, die op de markt bij het station van Bellville, halverwege de Kaapse Vlakte, een handeltje in geneeskrachtige kruiden bedrijven. Williams heeft de twee mannen urenlang geobserveerd terwijl hij met zijn telefoon verborgen in zijn zak hun gesprekken met hun klanten opnam.

De mensen uit deze omgeving spreken hoofdzakelijk Kaaps, Engels of Xhosa, maar eigenlijk is iedereen in meer of mindere mate meertalig. Jeremy en Jaak switchen in hun verkooppraatjes dan ook ogenschijnlijk moeiteloos heen en weer tussen verschillende talen. Om hun waren aan de man te kunnen brengen moeten ze haarfijn aanvoelen in welke taal de klant zich het meest thuis voelt. De interactie tussen Jeremy en Jaak heeft wel iets weg van een gezamenlijke dans: taal, ritme, register, lichaamstaal, zelfs de manier waarop de kruiden op de grond uitgestald liggen moet helpen om de klant te verleiden. Desgewenst verzinnen Jeremy en Jaak zelfs een gebed of een toverspreuk die de koper misschien niet echt verstaat, maar toch meent te herkennen.

Jeremy en Jaak putten uit verschillende talige repertoires en talige praktijken, verduidelijkt Williams. De oude grenzen tussen talen en varianten bestaan in hun wereld niet meer. Deze nieuwe transtalige werkelijkheid wordt gekenmerkt door vindingrijkheid en een relationele ingesteldheid op de ander.

Jerzy Koch: Transtaligheid en transculturaliteit bij de Herrnhutters in Zuid-Afrika

Jerzy Koch, hoogleraar aan de Mickiewicz-Universiteit in Poznań, Polen, buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit Stellenbosch en research fellow van de Universiteit van die Vrystaat, houdt een lezing over transtaligheid en transculturaliteit in het beleid van de Herrnhutters of Moravische Broeders in Zuid-Afrika.

In de negentiende eeuw stichtten Nederlandse en Duitse zendelingen van de Moravische Broederschap verschillende zendingsposten. De grootste en meest invloedrijke was Genadendal.

Genadendal beschikte over een drukpers waarop onder meer leermiddelen, pamfletten en stichtelijke traktaten werden gedrukt. Volgens Koch hebben letterkundigen tot dusver nauwelijks aandacht aan deze teksten besteed; ze behoren niet tot wat traditioneel als het domein van de literatuur wordt beschouwd. Het zijn vooral historici die onderzoek hebben gedaan naar de geschiedenis van de Moravische zendingsposten. Tot voor kort waren dat vooral historici die zelf deel uitmaken van de Hernhutters-beweging. Bij deze wetenschappers ging het niet alleen om zuiver historisch onderzoek, maar ook om het scheppen van een eigen identiteit voor de beweging. In elk geval gebeurde dit onderzoek vanuit een Europese invalshoek, binnen duidelijke grenzen.

Sinds kort wordt de geschiedenis van de zendingsposten ook uit een niet-eurocentrisch perspectief onderzocht. Volgens Koch is de traditionele indeling van de geschiedenis van het Afrikaans in taalbewegingen op losse schroeven komen te staan, onder meer door het werk van Achmat Davids. Koch pleit ervoor om, naast de Maleier-Afrikaanse Taalbeweging uit het werk van Davids, ook het Genadendal-Afrikaans een plek te geven in de Afrikaanse taalgeschiedenis.

In de negentiende eeuw was het Nederlands (of proto-Afrikaans) de voertaal op de zendingsposten. Voor een deel van de bewoners, zoals vrijgelaten slaven, de bruine bevolking van de Kaap en de Nederlandse zendelingen, was het Nederlands hun moedertaal. Anderen, zoals de Khoe en de Duitse zendelingen, hadden het Nederlands eerst moeten aanleren. Maar het was doelbewust beleid van de Hernhutters om vast te houden aan het Nederlands en later het Afrikaans. Zelfs toen het ministerie van Onderwijs ze geld bood om het Engels als onderwijstaal in te voeren, weigerden ze. Volgens Koch is het aan het beleid van de Hernhutters te danken dat de meerderheid van de bruine bevolking van Zuid-Afrika vandaag de dag nog steeds Afrikaans spreekt en dat, sterker nog, de meeste Afrikaanssprekenden gevonden worden onder de bruine bevolking.

Henning Pieterse: De bijdragen van Herman Charles Bosman tot een transtalige en transculturele beschouwing van “Zuid-Afrikaanse letterkunde”

Henning Pieterse schrijft poëzie en korte verhalen. Ook is hij actief als vertaler. Zijn eerste dichtbundel, Alruin (1989), werd bekroond met de Eugène Maraisprys (1990) en de Ingrid Jonkerprys (1991); zijn tweede dichtbundel, Die burg van hertog Bloubaard (2000), met de Hertzogprys (2002). Pieterse was tussen 1992 en 2002 hoofredacteur van Tydskrif vir Letterkunde. Tussen 2007 en 2015 was hij professor en directeur van de Eenheid vir Kreatiewe Skryfkuns aan de Universiteit van Pretoria. Momenteel is hij professor bij het departement Afrikaans en Nederlands, Duits en Frans van de Universiteit van die Vrystaat.

Pieterse begint zijn lezing met een korte introductie van de schrijver Herman Charles Bosman (1905-1951). Andere letterkundigen hebben al uitvoerig geschreven over zijn primaire werk: zijn korte verhalen en gedichten. Pieterse wil voor deze gelegenheid inzoomen op Bosmans opiniestukken en recensies, die voor het grootste deel zijn verschenen in tijdschriften die al lang niet meer bestaan. Deze teksten stammen hoofdzakelijk uit de periode 1942-1949.

Deze focus levert een fascinerend verhaal op! Wie Bosmans stukken chronologisch doorneemt, ziet volgens Pieterse dat hij zich afzet tegen de gevestigde schrijvers en critici van zijn tijd en dat hij zich opwerpt als pleitbezorger voor een inclusieve continentaal-Afrikaanse literatuur.

Bosman hekelt het eurocentrische karakter van de Afrikaanse en Zuid-Afrikaanse Engelse literatuur van zijn tijd. Hij beschouwde het Afrikaans als de taal van alle Afrikaanssprekenden, inclusief de afstammelingen van de slaven. De cultuur van de “Maleiers” had volgens hem een verrijkende invloed op de taal. Helaas, constateert hij, is het Afrikaans het symbool en vehikel van politieke controverse geworden. Het was een visie die in de jaren veertig onder de witte bevolking beslist nog niet algemeen gangbaar, laat staan aanvaard was.

Bosman hanteert, zoals ook uit zijn poëzie blijkt (door Pieterse bij herhaling als het zwakste deel van zijn oeuvre aangeduid), een romantische literatuuropvatting. Hij prijst de romans van C.M. van den Heever met hun verheerlijking van het boerenleven, maar wil niets weten van de poëzie van de belangrijkste Afrikaanse dichter van zijn tijd, N.P. van Wyk Louw, die hij te cerebraal en te Europees vindt. Ook D.J. Opperman, Ernst van Heerden en S.J. Pretorius moeten het ontgelden. De Engelse Zuid-Afrikaanse literatuur vindt hij “koloniaal”, en hij heeft een broertje dood aan het gedweep met de Nederlandse of bredere “Dietse” cultuur. “I don’t believe that there is anything that Europe can teach us”, haalt Pieterse Bosman aan, “rather do I believe that Africa has a vast amount of knowledge to impart…”

Meer waardering heeft Bosman dan ook voor schrijvers in de zogenaamde “Bantoetalen”. Met name zwarte schrijvers uit de grote steden hebben een authentiek verhaal te vertellen, vindt hij. Witte schrijvers mogen zich die verhalen niet toe-eigenen. Zij kunnen niet onder de huid van een zwart personage kruipen, en trouwens: hebben de witten al niet genoeg van de zwarte bevolking gestolen? Merkwaardig is dan weer dat Bosman denkt dat de zwarte schrijvers, om te voorkomen dat er valse sentimenten in hun werk sluipen, een “gescheiden ontwikkeling” gegund moet worden. Het is een van de inconsistenties in zijn kritische visie dat hij zijn pijlen liever op het werk van witte schrijvers blijft richten... 

Hanneke Stuit: De stilte en het zwijgen van K in Nthikeng Mohlele’s Michael K (2018)

Hanneke Stuit is universitair docent bij de afdeling Literaire en Culturele Analyse van de Universiteit van Amsterdam en verbonden aan de Amsterdam School for Cultural Analysis (ASCA). Ze is de auteur van Ubuntu Strategies: Constructing Spaces of Belonging in Contemporary South African Culture (Palgrave MacMillan, 2015). Momenteel is ze als postdoctoraal onderzoeker betrokken bij het ERC-project Rural Imaginations, waarbij ze zich richt op de vraag hoe culturele verbeeldingen van het Zuid-Afrikaanse platteland bepalen welke aspecten van het hedendaagse plattelandsleven wel en niet zichtbaar worden, zowel nationaal als wereldwijd.

Stuit onderschrijft het belang van het vertrekpunt van het colloquium: transtaligheid als een zinvol en productief thema om nieuwe perspectieven op de Zuid-Afrikaanse literatuur te ontsluiten. Maar toen ze de call for papers voor het symposium las, rees bij haar de vraag wat een focus op stilte en tot zwijgen brengen (“silencing”) in dit verband op zou kunnen leveren. Ze laat zich daarbij inspireren door Antjie Krogs “Land van Genade en Verdriet” en met name in het achtste gedicht uit deze cyclus, waarin er sprake is van gezamenlijke stilte en het luisteren naar het verhaal van de Ander. Wat Krog in dit gedicht beweert, was volgens Stuit niet alleen wáár binnen de context van de Waarheids- en Verzoeningscommissie, maar tot op de dag van vandaag. Trouwens, de openingslezing van Quentin Williams, eerder op de dag, bevestigde volgens Stuit ook al dat het doorbreken van de stilte logischerwijs gekoppeld is aan een meertalige of transtalige omgeving.

Stuit onderzoekt de herschrijving van J.M. Coetzee’s beroemde roman Life and Times of Michael K uit 1983 in de recente roman Michael K van Nthikeng Mohlele uit 2018. In deze roman is niet Michael K de hoofdpersoon, maar zijn buurman, Miles N, die onlangs toevallig naast K is komen wonen, in een klein dorpje in de Karoo. Mohlele’s roman is zowel parodie op als eerbetoon aan het origineel van Coetzee.

Bij Mohlele spreekt Michael K wel degelijk. K wordt voor Miles een vriend en iemand van wie een onverklaarbare aantrekkingskracht uitgaat. Bij Mohlele is stilte geen teken van machteloosheid. Voor zover er al stiltes vallen, vormt die een ruimte waarin K op een positieve manier zichzelf is. De beide mannen kunnen zwijgend bij elkaar zitten, elk verzonken in zijn eigen gedachten.

De thema’s die Coetzee in 1983 aansneed, zoals grondbezit en onteigening, komen in het boek van Mohlele terug, maar verplaatst naar een 21e-eeuwse context. Bij hem gaat het onder meer over corruptie en staatskaping en internationale (in plaats van nationale) vluchtelingenstromen.

Mohlele doorbreekt de traditie die rond de roman van Coetzee ontstaan is, zowel in de roman zelf als in de uitgebreide secundaire literatuur eromheen, om K als een hulpeloze, ongrijpbare en allegorische figuur voor te stellen (typisch voor de deconstructivistische benadering). Mohlele omringt K met empathie en maakt van hem, zover mogelijk binnen een boek, een mens van vlees en bloed.

Met haar referaat laat Stuit overtuigend zien dat stilte, en het doorbreken daarvan, onlosmakelijk verbonden is met meertaligheid en transtaligheid.

Kanya Viljoen en Pieter du Plessis: “Die Skrif Is Aan Die Muur: ‘Suid-Afrika, ek skryf vir jou ’n brief.’ An Exploration of Language, Borders and the Politics of Belonging”

Pieter du Plessis (rechts) en Kanya Viljoen (op het scherm) houden hun presentatie in een zaal die vernoemd is naar Belle van Zuylen (links aan de muur)

Het slotstuk van de eerste dag van het symposium is niet zomaar een lezing. De bijdrage van Kanya Viljoen en Pieter du Plessis bestaat deels uit performance en deels uit theoretische reflectie. Alsof dat nog niet spannend genoeg is, heeft de coronasituatie er ook nog voor gezorgd dat Du Plessis in Amsterdam is, terwijl Viljoen via videoverbinding vanuit Zuid-Afrika deelneemt. Als dat maar goed gaat!

Kanya Viljoen studeerde cum laude af aan de Universiteit van Kaapstad met een specialisatie in Theater en Performance. Ze is een van de oprichters van Unusual Bones, een interdisciplinair creatief bedrijf dat werkt in zowel film, theater als performance art. In haar onderzoek en praktijk houdt Viljoen zich bezig met noties rond taal, identiteit en performance in een multi-gefragmenteerde samenleving.

Pieter du Plessis is docent bij de faculteit Cultuur- en Maatschappijwetenschappen van de Universiteit Maastricht. Hij heeft een MPhil in Antropologie van de Universiteit van Kaapstad (Zuid-Afrika) en een MA in Vrouwen- en Genderstudies van de Universiteit Utrecht (Nederland) en de Universiteit van Granada (Spanje). Zijn onderzoek is overwegend van antropologische aard en houdt zich bezig met kwesties als witheid, kolonialisme, gender, seksualiteit en politieke ecologie/milieubewustzijn.

De bijdrage van Viljoen en Du Plessis begint met een videoclip met een fragment uit “Die Skrif Is Aan Die Muur”, een postdramatische performance gecreëerd door Viljoen, die inmiddels is opgevoerd in openbare toiletten in zowel de Westkaap en de Noordkaap. De voorstelling heeft als doel om kwesties rond taal, identiteitspolitiek en thuishoren ter discussie te stellen en de dialoog daarover te vergemakkelijken.

Als leden van het publiek de toiletruimte betreden, krijgen ze een zwarte markeerstift in hun handen gedrukt en worden ze aangemoedigd om zich te verstaan met de teksten die op de muur geschreven staan. Viljoen zit ergens in een hoek; ze praat, schrijft, leest en eet mieliepap, die ze op zekere momenten ook weer uitspuugt. In de ruimte bevinden zich ook verschillende objecten die refereren aan de cultuur van de witte Afrikaners, de bevolkingsgroep waarin zowel Viljoen als Du Plessis opgegroeid zijn en waarmee ze zich tegen en wil en dank identificeren. “In Zuid-Afrika”, zegt Du Plessis, “is identiteit altijd politiek geladen”.

De voorstelling maakt gebruik van de ervaring van de performer-maker (Viljoen) én de toeschouwer-observator. Du Plessis vertelt dat hem een ongemakkelijk gevoel bekroop toen hij voor het eerst de ruimte betrad en geconfronteerd werd met Viljoen in haar hoekje, de teksten op de muur en de typische Afrikaner parafernalia. Hij werd gedwongen om over zichzelf na te denken, en specifiek over zichzelf en de talen die hij spreekt, in de meertalige context van Zuid-Afrika.

Viljoen en Du Plessis geven een knappe theoretische ontleding van wat er zich precies bij en tussen performer en toeschouwer afspeelt. Ze verwijzen onder meer naar Gloria Wekkers definitie van het culturele archief als een specifieke verzameling kennis, structuren, houdingen, rituelen en verwijzingen. Binnen de Zuid-Afrikaanse context heeft dat culturele archief als gevolg van de koloniale erfenis inherent een raciale grammatica. Mensen construeren hun eigen identiteit vanuit dat archief. Het heeft niet alleen betrekking op het verleden, maar ook op de vaak botsende werkelijkheden van het Zuid-Afrika van vandaag.

De voorstelling “Die Skrif Is Aan Die Muur” probeert dat archief te ontrafelen, op zoek te gaan naar tegengeluiden, de koloniale verhoudingen te doorbreken en te komen tot andere manieren van samenleven. Daarvoor is het nodig dat scheidslijnen overschreden worden. 

Het idee achter de voorstelling is dat een dergelijke, vaak confronterende, exercitie noodzakelijk is voordat er in het land verandering kan optreden. “Nothing happens in the real world unless it first happens in the images in our heads”, besluiten ze hun presentatie.

De bijdrage van Viljoen en Du Plessis maakt ook tijdens het symposium veel los. Wat zou beter zijn: een voorstelling die op verwerking van het verleden gericht is of een voorstelling als prefiguratie van een mogelijke toekomst? En zou de voorstelling vooral op de eigen groep gericht moeten zijn, of ook in gesprek moeten treden met mensen uit andere groepen? En welke rol speelt taal daarbij?

Gedeelde ruimte

Als iemand stelt dat jonge Afrikaners binnen deze tijd van grote maatschappelijke veranderingen met hun identiteit worstelen en op zoek zijn naar houvast, pareert Margriet van der Waal, als moderator, zijn opmerking door erop te wijzen dat er onder Afrikaners ook jongeren zijn die juist rotsvast overtuigd zijn van hun culturele identiteit. Enigszins verwonderd verwijst ze naar een liedje van het pop-trio Jan Jan Jan met de titel “Die RSA is in my DNA”. (Andere titels van dit illustere drietal luiden overigens “Wys jou vleis” en “Ek bly ’n Boer”).

“Zou het niet mooi zijn”, denkt Van der Waal hardop, “als er in Zuid-Afrika een openbare ruimte gecreëerd kan worden waar Jan Jan Jan en de rastafari’s uit de lezing van Quentin Williams zich net zo thuis voelen?”ii


i Dit artikel biedt een impressie van de eerste dag van het symposium. Omdat de sprekers hun referaten waarschijnlijk nog willen publiceren, worden hun teksten hier niet tot in detail naverteld. Wel is geprobeerd om de essentie van hun referaten correct weer te geven. Voor een wetenschappelijk verantwoorde weergave verwijs ik naar de sprekers en/of toekomstige publicaties.

ii Een verslag van de tweede dag van het symposium volgt.

Lees ook:

Verslag symposium “Om te behoort. Transtaligheid, samehorigheid, en die konstruksie van Suid-Afrikaanse gemeenskappe” (2)

"Om te behoort"-simposium: Translingual impressions

Buro: IG
  • 0
Top