Breyten schrijven #22: Breytenbachs lyriek door de blik van dichters, conversatie met Erwin Mortier

  • 0

Door het oog van de dichter. Postumiteiten voor Breyten is een gesprekkenreeks over de literaire nalatenschap van Breyten Breytenbach (1939-2024) en de impact op het schrijverschap van Afrikaans-, Engels- en Nederlandstalige dichters. In 2026 verschijnt de bundel in Zuid-Afrika. In de reeks verschenen tot vandaag afleveringen met Joan Hambidge, Alfred Schaffer, Marlise Joubert, Antjie Krog, Louis Esterhuizen, Bernard Odendaal, Ilse van Staden, Andries Bezuidenhout, Diana Ferrus, Hein Viljoen, Pieter Madibuseng Odendaal, Klara du Plessis, Charl-Pierre Naudé en Nkateko Masinga. Deze dertiende aflevering presenteert een gesprek met de Vlaamse dichter, romancier, essayist en vertaler Erwin Mortier.

De inleidende tekst met een toelichting bij de opzet van deze gesprekkenreeks over de literaire erfenis van Breyten Breytenbach is opgenomen in de eerste aflevering (https://voertaal.nu/breyten-schrijven-8-breytenbachs-lyriek-door-de-blik-van-dichters-conversatie-met-joan-hambidge/). In totaal komen veertig dichters aan het woord. De gespreksgenoten ontvangen allen dezelfde vijf vragen over hoe zij zich in hun dichtwerk verhouden tot de lyriek van Breytenbach.

Erwin Mortier tekende over de oervorm van de literatuur, de poëzie, het volgende op in Wat voorbij is begint pas. Lichtzinnige meditaties over het schrijven (2010):

De poëzie is een open graf, een oude bruinkoolmijn, een natuurlijk asfaltmeer. In haar groeven en bodemlagen vindt de compostering der connotaties plaats. De taal sterft er in zijn betekenissen weg en kan er uit zijn eigen restanten opstaan, tegelijk piepjong en millennia oud. Poëzie gaat aan het proza vooraf […]. (blz. 81)

Erwin Mortier (Foto: Michiel Hendryckx, via WikiMedia, CC BY-SA 3.0)

...
Vertalen is een daad van solidariteit: een ander voor een ander verstaanbaar maken.
...

YT: Erwin, is in het lyrisch werk van Breytenbach voor jou een afzonderlijke bundel of zelfs een esthetische fase aan te wijzen die om een specifieke reden jouw uitgesproken voorkeur geniet? De schrijver heeft in drie omvangrijke delen zijn verspreid gepubliceerde bundels samengebracht: Ysterkoei-blues. Versamelde gedigte 1964-1975, Die ongedanste dans. Gevangenisgedigte 1975-1983 en Die singende hand. Versamelde gedigte 1984-2014. Welke Breytenbach is voor jouw schrijverschap loopbaan betekenisvol gebleken? Verkies je het vroege werk of de ‘late style’ in Breytenbachs lyriek? Zou je zelf gewagen van een bepaalde literaire invloed, dus een moment of zelfs een gedicht van Breytenbach dat jouw schrijverschap in enigerlei mate mee heeft gestuurd? Kortom, wat fascineert jou in zijn werk en hoe heb jij de poëzie en de essayistiek intussen een lezersleven lang als inspirerend ervaren?

EM: Breytenbachs poëtische werk heb ik ergens rond mijn zestiende leren kennen, in de vroege jaren tachtig van de vorige eeuw. Ongeveer in de periode dat ik ook met het dichtwerk van Claus, Bert Schierbeek en Lucebert in aanraking kwam. In zijn geheel was het een ontmoeting met een poëtisch universum dat vonkte van expressiviteit, zowel in beeldtaal als in muziek, als in de vrijheidsdrang die zowel uit de vorm sprak als uit de inhoud. Dat was als het ware mijn eerste, ‘jonge’ ontmoeting met het werk, die zich, denk ik, laat kenmerken door een fascinatie voor de uitbundigheid van die poëzie, haar middelpuntvliedende krachten, haar aftasten en doorbreken van wat me, door mijn mentoren op school en elders, als ‘poëziewaardig’ werd voorgeschoteld: een dichtkunst in een strak korset van metrum en qua thematiek nogal conventioneel. En hier had je dan een stem die door dat alles heen brak. Die baldadigheid sprak mij als adolescent, lijdend aan kortademigheid door al die korsetten, bijzonder aan.

Daarbij kwam dan zijn taal, het Afrikaans, die zich tegen ons Nederlands leek aan te schurken, maar er tegelijk ook ver vandaan lag. In die eerste kennismakingsperiode was ik vooral geïntrigeerd door die, in mijn ogen van toen, ‘exotische’ taal, en haar ruwe flonkering, als van een onbewerkt erts of door de hoekigheid van uit de aardbodem opgedolven kristallijne gesteenten. Jaren later vertelde Antjie Krog me overigens dat in haar oren ons Algemeen Nederlands heel statig en deftig klonk, wat voor haar dan een zeker exotisme inhield. In die tijd had ik weinig middelen om boeken te kopen, ik ben onze landelijke bibliotheken nog altijd dankbaar voor hun rijkdommen. Ik noteerde driftig, in alle betekenissen van het woord, wat me intrigeerde, trof, ontroerde, bevreemdde. En ook om als het ware in de inkt van schrijvers of dichters te zwemmen, hun mechanieken te doorgronden. Zo weet ik nog (die schriftjes hebben de tijd niet overleefd) dat ik me bij Breytenbach verwonderde over het woord “skoenlapper”, want wat deed een schoenlapper ineens in een vers – tot ik begreep dat “skoenlapper” in het Afrikaans vlinder betekent. Een lichte ontgoocheling, moet ik zeggen, toen, en ook een zekere jaloezie: hadden wij maar zulke woorden voor vrij gewone verschijnselen.

Later hebben die eerste indrukken van een ‘ertsachtige’ taal, of een taal met vele facetten, als een conglomeraat van kristallen zich verder in me ingeslepen, als het ware. Breytenbachs lyriek laat zich niet in één oogopslag vatten, er is geen absolute uitkijkpost. Je moet zijn werk om en om wentelen om het te kunnen beschouwen. Het belichaamt een schrijven in beweging, een lyriek van bewogen gedachten.

Deze verwondering, bewondering en fascinatie heeft zich dus verdiept, op allerlei vlakken. Laat ik me er hier vooral toe beperken te zeggen dat Breytenbach ook de sleutel was die de deur heeft geopend naar de weidsere wereld van de Zuid-Afrikaanse poëzie en letteren in het algemeen, naar Elisabeth Eybers, Ingrid Jonker, naar Antjie Krog, JM Coetzee, Nadine Gordimer, Deborah Levy en vele anderen.

YT: Naast de expliciete maatschappijkritische poëzie zijn er de gedichten waarin de verbeelding van Afrika vorm krijgt, de vele liefdesgedichten, de lyriek waarin verval, verrotting en de dood bepalende motieven zijn, het nomadische Middenwereld-discours, de Zenboeddhistische gedichten. Is er een facet van Breytenbachs poëzie dat je met bijzondere belangstelling of affiniteit hebt gelezen?

EM: Als gezegd kwamen er na die eerste kennismaking met Breytenbachs poëzie en ander werk al snel lagen bij die eerste en zeker niet onbelangrijke confrontatie met zijn lyriek op zich. Het Afrikaans was me niet helemaal onbekend. Aan moederskant van de familie, die nogal wat fervente flaminganten herbergde, waren er frequente bezoekers van IJzerbedevaarten en het Vlaams Nationaal Zangfeest van het Algemeen Zangverbond, evenementen waar de Vlaamse Beweging zich maar niet los kon maken van haar eigen troebele verleden. Daar werden ook liederen gezongen als Sarie Marais, Ry maar aan, ossewa, of Die stem van Suid-Afrika (het toenmalige volkslied van het land), als verzinnebeelding van de band tussen Vlaanderen en een verwant ‘volk’. Liederen die omwille van Vlaanderens eigen donkere oorlogsverleden, en niet het minst in het licht, of liever de diepe slagschaduw van de apartheid, met hun schildering van een land waarin kennelijk geen zwarte of gekleurde mensen bestonden, telkens kritiek opriepen. Dat versterkte het in mezelf al vroeg sluimerende onbehagen over die hele nationalistische cultus, haar mythen, geschiedvervalsing en haar taboes.

Ook in dat opzicht betekende de ontmoeting met Breytenbachs werk een bevrijding en een verrijking. Tot dan had het onmenselijke apartheidssysteem voor mij vooral bestaan uit nieuwsberichten en -beelden, vrij abstract. In die verzen ontmoette ik iemand die het onmenselijke, het moreel corrumperende van dat hele systeem voelbaar maakte, tot in de taal toe. Maar evenzeer iemand die de hoop in leven hield, het verzet, die in en met die lyriek die gehavende wereld van weerwoord diende in scherpe en zalvende verzen. Voor mij is de liefdeslyriek, iets waar ik doorgaans niet erg door gegrepen wordt, dan ook deel van dat hele lyrische universum van hem (hij schreef ook bijzondere liefdesverzen in zijn gevangenisjaren), net als die waarin verval en dood verbeeld worden. Het was voelbaar een lyriek van exil, ontheemding, gevangenschap, fysieke fragiliteit en verlangen. Zijn werk belichaamde voor mij dan ook de heilzame instabiliteit van iedere identiteit. Hij laat zijn lyriek voortdurend doorboren door het andere, legt de heterogeniteit van onszelf en onze culturen bloot, en legt op die manier bloot wat een identiteitspolitiek verdrukt (ook in zichzelf). En tegelijk blijft hij een lyricus, laat hij de taal zingen, veelstemmig en zoekend en vrijend.

YT: De schrijver heeft zich uitgedrukt in beschouwende en lyrische teksten. Daarnaast hield hij publieke toespraken, schreef zijn Notes from the Middle World, de trilogie met ’n Seisoen in die paradys, The True Confessions of an Albino Terrorist en Return to Paradise. De literaire genres waarin de schrijver zich uitsprak en een beeldrijk universum creëerde, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, wat ook over het schilder- en tekenwerk kan worden gezegd. Welke teksten kunnen jou begeesteren en welke leeservaring verbind je met particuliere Breytenteksten in het oeuvre?

EM: Met de jaren zijn de Middle World-teksten me steeds dierbaarder geworden, al moet ik er meteen aan toevoegen dat het gehele werk van Breytenbach, en van andere geliefde dichters me interesseert en voedt, als een geheel, een corpus (met ook de connotatie van een lichaam, een organisme). Ik verblijf graag in hun oeuvres, de rijping die ze hebben doorgemaakt, de innerlijke reis, en door de jaren heen word ik zelf ook rijper voor delen van het oeuvre die me als jongmens kennelijk te nat achter de oren achtten voor hun inzichten. Waar bijvoorbeeld in de kringen waar ik mijn jongere jaren doorbracht, de taal, in de woorden van Prudens van Duyse, “gansch het volk” was of hoorde te zijn, zie je bij Breytenbach taal niet als een drager en hoeder van een (eenstemmige, of -talige) cultuur, maar juist een ruimte- of wereldscheppend fluïde gegeven. Hij wil het Afrikaans loswrikken uit de handboeien van de staat Zuid-Afrika en haar apartheidspolitiek, en uit haar verheffing van het Afrikaans tot de volkstaal van een witte gemeenschap die berustte op gruwel en verdrukking en ontmenselijking. Voor hem is het volk veeleer al zijn talen, die zich met elkaar vermengen. De taal is mensheid en omgekeerd. Zijn eigen ervaringen van ballingschap, zijn nomadische leven, heeft hij gaandeweg verder verkend en verruimd tot het concept van de Middenwereld, een ruimte die interculturele ontmoetingen creëerde en een wereld van “onburgers” waar de verbeelding ons oproept ons te “ontbeelden” – typische Breytenbach-neologismen – en te herverbeelden. Onze huidige wereld heeft meer dan ooit nood aan “middenwerelden”; een niet-homogene, hybride ruimtelijkheid, een levend conglomeraat van existentiële ‘sferen’ die wendbaar, ongrijpbaar en levenschenkend zijn, immer in evolutie, net als zijn eigen denkbeelden daaromtrent.

YT: Hoe heb je zelf het werk van Breytenbach leren kennen? Welk beeld bewaar je van de kennismaking en is het in de loop van het leesparcours eventueel gewijzigd? Welke rol dicht je Breytenbach toe met betrekking tot het Afrikaans, dat hij een “bastertaal” noemde – een creoolse taal en vooral als een taal van Afrika zag?

EM: Wel, laat ons zeggen dat hij me er ook van bewust maakte dat iedere taal in wezen een bastaardtaal is, voortdurend doorschoten met klanken en begrippen en zegswijzen van andere talen. Een standaardtaal is, in de woorden van Churchill, een dialect met een leger en een zeemacht. Legers en zeemachten hebben zeker in Afrika en Zuid-Afrika als de stoottroepen van koloniaal en ander imperialisme een nieuwe taalwereld tot wording gebracht. Een deel van mijn kennismaking en verdere verkenning van Breytenbachs werk en denkwereld is zijn worsteling met de concepten Zuid-Afrika, Afrika, Afrikaans, Afrikaner, die me diep kan ontroeren. Hij noemde de taal inderdaad een bastaardtaal, een fecale taal ook, bezoedeld door de apartheid en het streven naar een ‘raszuivere’ natie en cultuur. Hij wil die bezoedelde taal redden door haar in te bedden in die heel specifieke taalwereld van zijn vaderland – haar veeltalige wortels blootleggen of er haar weer mee verknopen nadat de apartheid er haar uit losgehakt heeft.

Ikzelf beschouw het Afrikaans als een zustertaal van het Nederlands, ze komt deels voort uit de monden en pennen van onze voorouders, maar heeft intussen talrijke heilzame verbintenissen aangegaan met de talen aan de zuidelijke kant van het Afrikaanse continent. Ik herken in dichters als Antjie Krog (naast haar verkenning van haar land na het afschaffen van de segregatie, haar verslagen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie) eenzelfde streven om het Afrikaans onder te dompelen in haar vergeten vervlechting met de vele talen die haar voeden en die ze zelf ook voedt. Haar oproepen tot de verdwenen klankwerelden van de Khoisan en andere taalgemeenschappen in bijvoorbeeld De Liederen van de Blauwkraanvogel, vind ik minstens even aangrijpend als Breytenbachs eigen lyrische zoektocht.

Mijn eerste ontmoeting met Breytenbachs werk, op een schap in de stadsbibliotheek van Gent, toen ze nog aan de Kouter was gelegen, ergens achterin, herinner ik me, in de vertalingen van Adriaan van Dis en Laurens van Krevelen, heeft dus vele uitlopers gekregen. Ik ben trouwens openbare bibliotheken intens dankbaar. Ze belichamen beschaving. Ze maken zulke toevallige, maar betekenisvolle ontmoetingen mogelijk. En ik ben zeker Adriaan en Laurens dankbaar, wat ik ze ook heb gezegd toen ik ze later leerde kennen, voor hun vertaalwerk (Breytenbach heb ik één keer heel kort ontmoet, en ik was ook te verlegen). Vertalen is een daad van solidariteit: een ander voor een ander verstaanbaar maken. 

YT: Kun je tot slot in een paar zinnen het grensverleggende en zelfs de iconische betekenis van de dichter Breytenbach onder woorden brengen? Ik veronderstel dat je zijn werk in Nederlandse vertaling (o.m. de vertalingen van Adriaan van Dis en Laurens van Krevelen) hebt leren kennen? Of anders gezegd: hoe zou je zelf voor toekomstige lezers van Breytenbach, in Zuid-Afrika en ook ten onzent, de poëzie aanbevelen?

EM: Ik kan wellicht niet beter eindigen dan met een citaat van de dichter zelf, uit de Ware bekentenissen van een witte terrorist:

Vergeef me dat ik mijn toevlucht neem in mijn eigen taal. Er staat altijd een andere taal achter de huidige. Er leeft altijd een andere wereld in de schaduw van degene die we delen, er is altijd een andere kamer achter deze, en in die andere kamer zit een andere man met een klein bandrecorder die in zijn eigen oor fluistert dat er een wereld parallel loopt aan deze, dat er een andere taal wordt gesproken aan de andere kant van de muur, door een andere man die een klein toestel vasthoudt…

Lees ook:

Wanneer gode slaap deur Erwin Mortier: ’n FMR-resensie

"Wanneer gode slaap": Fanie Olivier deel sy ervaring van vertaalwerk aan ’n groot Belgiese Eerste Wêreldoorlog-roman

Akademiepryse 2023: SA Akademieprys vir Vertaalde Werk – Fanie Olivier

Die langverwagte deur Erwin Mortier, vertaal deur Fanie Olivier – ’n resensie

Breyten schrijven #20: Breytenbachs lyrische erfenis door de blik van dichters, conversatie met Charl-Pierre Naudé

  • 0
Verified by MonsterInsights
Top