Lokalisering in een globaliserende wereld

  • 0

.......

Laten we over hegemonie van taal praten aan onze universiteiten wereldwijd, over misplaatste homogenisering en exclusiviteit, over het gedachten- en gesprekvernauwende verengelsingsoffensief op wetenschapsfront. En ook over de keuze van een internationale lingua franca waarin wij publiceren voor een wereldwijd potentieel van belangstellenden. Over het belang van het lokale, de keuze voor een publicatie- en communicatietaal die niet Engels is maar plaatselijk, gericht op onze gemeenschappen. 

.......

Van 2 tot 6 mei 2022 mag ik mij tijdens mijn sabbatical in Gent samen met collega’s van het departement Afrikaans en Literaire Theorie van Unisa (Universiteit van Suid-Afrika) terugtrekken in een wildreservaat in Gauteng. Niet voor de safari of de “game drive” maar voor het wetenschapsgesprek. Doelstelling van de inspirerende “writing retreat” is een samenspraak over academisch publiceren (stijl, structuur, bibliografie, citeren), het belang van het trans-disciplinair wetenschapsgesprek, methodologische en theoretische vraagstukken en het publicatiebeleid van onderzoekers of dus wetenschapscommunicatie. Voor de gelegenheid geef ik vijf lezingen. De “big five” krijgen we hier niet te zien, maar wel vijf stellingen waarover pre- en postdoc-collega’s en professoren van gedachten wisselen. Op uitnodiging van de universiteit, met speciale dank aan organisator Dr. Alwyn Roux (Unisa), krijg ik de kans om particuliere overwegingen en praktijk-gebaseerde ervaringen te delen. In het schrijf-schuiloord in Kwalata (Dinokeng) presenteerde ik op de eerste dag, bij wijze van introductie, beschouwingen over meertaligheid in het interuniversitair gesprek. Op Zuid-Afrikaanse bodem is dat per definitie een complex gesprek, met name in een land met elf officiële talen en vele andere Afrikatalen. De gesprekken vinden in het Engels plaats zodat op die manier het belang van veeltaligheid in een multiculturele context wordt benadrukt. De tekst is een pleidooi voor méér aandacht voor meertaligheid, gepresenteerd in de academische universele lingua franca. Ik bepleit ook in ons wetenschapsgesprekken taal niet louter instrumenteel te zien, als communicatiemiddel, maar evenzeer te reflecteren over taal als manier van denken, met in de talen ingebedde denkpatronen die cultureel heel verschillend kunnen zijn. 

Local en global 

Tussen localisering en globalisering bestaat een interessante spanning. Misschien moeten we spreken over glocalisation, “global” als verzameling van vele “locals”. De verzameling van particuliere zienswijzen, lokaal en regionaal-cultureel bepaald, is het mozaïek van denken dat we gemeenzaam globaal noemen. Globaal bestaat bij de gratie van een dynamische samenspraak van culturen, talen en mensen. Om nog te zwijgen over wat Antjie Krog in Mede-wete de “interconnectedness” noemt van mensen, natuur en dieren. 

Ik sprak bij wijze van introductie in het bijzonder over de keuze voor een wetenschapstaal waarin wij als humane wetenschappers onderzoek presenteren. Ook al werken wij over Nederlandse, Franse of Afrikaanse literatuur: bevindingen worden eentalig in het Engels aangeboden. Over die uniformerende eentaligheid, volgens mij méér dan een linguïstische kwestie, vraagt Breyten Breytenbach zich in Notes from the Middle World (2009) af: “Wat als er niet één gedeelde taal in deze wereld was maar evenveel talen als onburgers? Wat als niemand elkaar kon verstaan? Wat als de Middenwereld een toren van Babel was […]?” Om dan te besluiten: “Gebakken lucht is niet het uiteindelijke gevolg van Middenwereldbewoners zonder gemeenschappelijke taal, maar is juist een uiting van la pensée unique, de enkele taal van opgelegde consensus en conventionele, politiek correcte hersenspoeling”. Taal als uitdrukking van een “pensée unique” – ik keer er later naar terug. 

Sinds jaren spreken we over een verengelsing van academisch onderzoek en universitair onderwijs. Niet alleen in Zuid-Afrika, ook in Europa. Laat mij eerst een anekdote vertellen. De bekende schrijver Ngũgĩ wa Thion’go, afkomstig uit Kenya en specialist op het gebied van Afrikastudies en postkoloniale theorie, heeft aan de Universiteit van Nairobi destijds het Engels ingewisseld voor een Afrikataal. Opgegroeid in de tijd van de Engelse kolonisatie van en het neokolonialisme in Kenya, als getuige van onderdrukking en verengelsing die kolonisatie met zich meebrengt, nam hij het besluit om het departement Engels om te vormen tot een departement Letterkunde, met de focus op wereldliteratuur en literaturen van Afrika. Op de webpagina van Center for African Studies (Howard University) lees ik: “[Ngũgĩ], with Taban Lo Liyong and Awuor Anyumba, authored the polemical declaration, On the Abolition of the English Department, setting in motion a continental and global debate and practices that later became the heart of postcolonial theories. ‘If there is need for a “study of the historic continuity of a single culture”, why can't this be African? Why can't African literature be at the centre so that we can view other cultures in relationship to it?’ they asked”. Wat ik wil zeggen: Ngũgĩ, meermaals genomineerd voor de Nobelprijs Literatuur, kiest resoluut voor zijn eerste taal Kikuyu (Gikũyũ). Dat besluit heeft met de postkoloniale en dekoloniserende context te maken waarin de schrijver opgroeide en zijn academische loopbaan startte, maar ook met een principe dat mij na aan het hart ligt: in de moedertaal drukt de mens zich het meest fijnzinnig uit, met oog voor nuance en gevoeligheden. De moedertaal is onze eerste taal waaraan we, zoals Charles Ducal schreef, hangen als aan een teek. Ngũgĩ neemt het standpunt in dat je over dekoloniseringsprocessen – naast onze bibliotheken en zienswijzen moeten we ook onze taal en bijgevolg de denkpatronen die eraan ten grondslag liggen dekoloniseren – en in het debat van dekolonisatie niet in westerse talen kunt spreken, in de taal van de Europese onderdrukker. Op een manier blijft Engels een imperiale taal, een taal van wereldwijde kolonisatie en zonder meer ook van academisch neokolonialisme (of veramerikanisering). Niet alle denkers zijn het hiermee eens. Wole Soyinka (Nigeria) of Chinua Achebe (Ghana) denken er anders over, en focussen op hun beurt voornamelijk op het ondermijnend gebruik van de koloniale taal die het Engels is. Te vergelijken met hoe Paul Celan zich verhield tegenover het Duits in zijn lyriek. 

In een neoliberale markteconomie, waarin onze universiteiten internationaal competitief zijn en streven naar de hoogste rankings en financiering, wordt soms onnadenkend voor het Engels als wetenschapstaal en communicatiemedium gekozen. Mijn standpunt is dat in die vertaalslag nuances kunnen zoekraken, lokale gemeenschappen zich minder betrokken voelen en dat het debat wordt verengd tot wat zich in het Globish makkelijk laat uitdrukken, in een beperkt vocabularium en met beperkte zin voor nuancerend denken en spreken. Daarbij wordt nauwelijks of geen rekening gehouden met denkbeelden en ideologie die vervat zitten in taal. Dat is wat Breytenbach in zijn Notes from the Middle World de “pensée unique” noemt. Taal is niet uitsluitend een medium, ze bevat een complex van concepten, discoursen, denkbeelden. Ze is historisch beladen en reduceert de wereld tot een beperkt perspectief, een wereld die in globo meerstemmig en veel-gekleurd is. Inclusiviteit van denken veronderstelt naar mijn oordeel niet uitsluitend een reductie tot Engels, maar op academisch terrein in het intellectueel debat evenzeer spreken in Afrikaans en Nederlands, in isiXhosa en isiZulu, met oog voor inheemse Afrikatalen waarin simpelweg andere verhalen worden verteld dan in het Engels (of een afgeleide daarvan). 

.......

Engels is de internationale wetenschapstaal – laat daarover geen misverstand bestaan – en maakt het internationale gesprek tussen taalgemeenschappen mogelijk. Maar ook onderzoek in het Nederlands, het Afrikaans, in Ngunitalen ... of in een van de andere taalgroepen in zuidelijk Afrika ..., bij uitbreiding in westerse talen ... verdient onze aandacht. We verrichten onderzoek dankzij gemeenschapsgeld, dus ook in en voor onze lokale taalgemeenschappen. Niet uitsluitend voor een internationaal geglobaliseerd gehoor.

.......

Laten we over hegemonie van taal praten aan onze universiteiten wereldwijd, over misplaatste homogenisering en exclusiviteit, over het gedachten- en gesprekvernauwende verengelsingsoffensief op wetenschapsfront. En ook over de keuze van een internationale lingua franca waarin wij publiceren voor een wereldwijd potentieel van belangstellenden. Over het belang van het lokale, de keuze voor een publicatie- en communicatietaal die niet Engels is maar plaatselijk, gericht op onze gemeenschappen. 

Engels is de internationale wetenschapstaal – laat daarover geen misverstand bestaan – en maakt het internationale gesprek tussen taalgemeenschappen mogelijk. Maar ook onderzoek in het Nederlands, het Afrikaans, in Ngunitalen zoals isi Zulu, Swazi, Ndebele en isiXhosa of in een van de andere taalgroepen in zuidelijk Afrika (Tswa-Rongo, Sotho-Tswana, Venda), bij uitbreiding in westerse talen zoals Frans, Duits, Italiaans of Spaans verdient onze aandacht. We verrichten onderzoek dankzij gemeenschapsgeld, dus ook in en voor onze lokale taalgemeenschappen. Niet uitsluitend voor een internationaal geglobaliseerd gehoor. Het wetenschappelijk perspectief is gebaat bij een transnationale en meertalige kijk op vakgebieden, niet de uniforme, door modes en trendy paradigma’s bepaalde anglofone (Amerikaanse) kijk die in vele gevallen niet anders kan zijn dan een inperkende tunnelvisie. Ook in andere taalgebieden, aan Europese universiteiten, in een veelheid aan talen, wordt methodologisch en theoretisch vernieuwend onderzoek verricht dat aan het blikveld van universitaire onderzoekers steeds meer ontsnapt. Hierover schreef ik eerder samen met mijn collega Pierre Schoentjes (Franse literatuur) op de website van Knack (https://www.knack.be/nieuws/wetenschap-en-onderwijs-globalisering-is-niet-hetzelfde-als-verengelsing/) en in de gelegenheidspublicatie naar aanleiding van de Arkprijs van het Vrije Woord (2021) voor Caroline Pauwels (rector Vrije Universiteit Brussel). 

Globalisering is veel méér dan een (ver)taalslag, of de verengelsing. Het gaat strikt gesproken om méér dan alleen taal. We vergeten soms dat denkbeelden, perspectieven, zienswijzen en een genuanceerde manier van spreken ook deel uitmaken van een discours. Ik pleit ervoor in het veelzijdige vakgebied of de discipline van de geesteswetenschappen de focus veeltalig en interdisciplinair te houden. Pierre Schoentjes en ik noteerden het volgende. Dossiers van jonge onderzoekers vertonen al maar meer een soortgelijke karaktertrek. Hoe verschillend de onderwerpen ook, ze worden op metaniveau soms nogal uniform. Ze vertrekken van vergelijkbare premissen en aannames. In te veel gevallen zijn ze schatplichtig aan wat in de Engelstalige universitaire gemeenschap en door commerciële (Amerikaanse) bedrijven als academische handelswaar wordt verspreid. De methodologische en theoretische verscheidenheid en de meertalige achtergrond van studenten aan Europese universiteiten, beslist ook elders in de wereld, verdwijnt als sneeuw voor de zon wanneer voor aanstellingen en promoties moet worden “gescoord”. Alleen Engelstalige publicaties worden nog relevant genoemd, gerekend tot de ISI-index of Web of Science. Men kiest resoluut en wat mij betreft nogal kritiekloos voor het Anglo-Amerikaanse model, zonder veel interesse voor wat op hetzelfde terrein gebeurt in andere taal- en cultuurgebieden. 

Met dank aan Dr. Juliana Pistorius (University College London en Universiteit van die Witwatersrand) voor de leessuggesties en de interessante gedachtewisseling. 

Lees en kyk ook:

Opperlandse overpeinzingen van een neerlandist

Ook als neerlandicus ben ik dol op internationalisering

Verengelsing en taalbeleid in het hoger onderwijs

LitNet Akademies internasionaal

Belgiese akademikus stuur sterk boodskap aan US

Buro: MvH
  • 0
Top