’n Gesprek met die gesprekvoerder #2: Yves T’Sjoen oor sy belangstelling in Breyten Breytenbach

  • 0

...
Het nomadische en het liminale komen wel vaker voor in oeuvres van dichters en schilders. In het geval van Breytenbach zijn alle facetten van een rijkgeschakeerd oeuvre – toespraken, essays, verhalend en bespiegelend proza, lyriek, toneelteksten en vertalingen/hertalingen, ook bijvoorbeeld het gebruik van heteroniemen en een veelvuldige identiteit – binnen dat frame van de liminaliteit of dus de liminale ruimte te lezen.
...
Deel 2

Lees deel 1 hier.

ID: Jy is duidelik geïnteresseerd in Breyten se maatskaplike kommentaar en sy politieke denke, maar ek tel ook by jou ’n fassinasie op met Breyten se siening van die Middelwêreld. Hoe so? Hoe is jou denke gevorm om hierdie twee “wêrelde” – die wrede werklikheid en die ruimte van denke – van Breyten te ontdek en te leer verstaan?

YT: Het discours over de Middenwereld, zoals uitgedrukt in The Middle World Quartet, alsook in poëzie en schilder- en tekenkunst, handelt over de nomade, of in Breytenbachs voorstelling: “the uncitizen” (de onburger) in een liminaal universum. De nonconformistische vagebond, zwerver of reiziger, staat op zijn autonomie en laat zich niet inkapselen door een politiek denksysteem of bijvoorbeeld een kleinburgerlijke visie op mens en maatschappij. De nomade is geen kuddedier dat zich gedwee aanpast, maar een vogel die ongebonden zingt zoals hij is gebekt. In het literaire en artistieke werk van Breytenbach komt niet toevallig het vogelmotief prominent naar voren. Het maatschappelijke en politieke commentaar van Breytenbach (die zich wel eens “Buiteblaf” noemde), doorgaans vanuit een pan-Afrikaans gedachtegoed en een Zen-boeddhistische overtuiging, spreekt over dat nomadische denken. De beelden in de lyriek, om maar dit voorbeeld te noemen, worden vrij met elkaar geassocieerd. Het referentiekader is resoluut modernistisch, zelfs surrealistisch. Ook in gedichten krijgt het Middenwereld-vertoog metaforisch gestalte, niet uitsluitend in reflecterend proza zoals Notes from the Middle World (2009). Hoewel we doorgaans een indeling van een oeuvre maken in genres (epiek, lyriek, dramatiek) en disciplines (literatuur, grafische kunst, muziek) zijn alle expressievormen – intratekstueel en intermediaal – met elkaar verbonden. Het bredere kader waarin Breytenbachs literatuur en kunst bestaat, is dat van de Middenwereld. Zie onder meer in een korte periode van Breytenbachs publieke schrijverschap titels zoals Notes from the Middle World, A veil of footsteps (memoir of a nomadic fictional character) (2008) en Oorblyfsel/Voice over (op reis in gesprek met Magmoed Darwiesj)/(the momadic conversation with Mahmoud Darwish) (2009). Ik denk tegelijk aan subtitels zoals van Jan Afrika’s Papierblom (72 gedigte uit ’n swerfjoernaal) (1998) en de roman Dog heart (a travel memoir) (1998). In proza en poëzie vindt de lezer indringende en metaforische getuigenissen van het liminale denken: “ergens-nergens”, het “tussen-in” gebied of het land van “MOR”. Louise Viljoen heeft er in Die mond vol vuur. Beskouings oor die werk van Breyten Breytenbach (2014) uitgebreid over geschreven in de context van de inzichten van Victor Turner en Anton van Gennep (jaren 1960), meer bepaald in het hoofdstuk ‘Die skrywer as liminale figuur’ (p. 173-194). Zij noteert op p. 176: “tekste [...] deel [...] die eienskap van liminaliteit in die sin dat elkeen van die tekste gegenereer is in ’n gebied tussen bepaalde diskoerse of genres”. Dit gegeven – het liminale – verbindt de verschillende discursieve en non-discursieve uitdrukkingsvormen in de voorstellingswereld van Breytenbach. Het gaat over hybride genres en intermediale verbanden, teksten en beelden als onderdeel van een Gesamtkunstwerk. Dat is precies wat mij fascineert: de vervlechting van woord en grafiek, het “gebied tussen [...] diskoerse en genres”. Het nomadische en het liminale komen wel vaker voor in oeuvres van dichters en schilders. In het geval van Breytenbach zijn alle facetten van een rijkgeschakeerd oeuvre – toespraken, essays, verhalend en bespiegelend proza, lyriek, toneelteksten en vertalingen/hertalingen, ook bijvoorbeeld het gebruik van heteroniemen en een veelvuldige identiteit – binnen dat frame van de liminaliteit of dus de liminale ruimte te lezen. Dat heeft Viljoen grondig aangetoond in haar lezing van met name Woordwerk (die kantskryfjoernaal van ’n swerwer) (1999).

ID: Lees jy graag sy liefdesgedigte? En hoe behandel jy byvoorbeeld Breyten se Zen-denke in die klas?

YT: De liefdesgedichten heb ik leren kennen in Lady One (99 liefdesgedigte) (2000), uitgegeven bij Human & Rousseau en ook door Meulenhoff (met een verklarende woordenlijst van Robert Dorsman), recenter in Rooiborsduif. Gedigte oor die liefde (2019, samenstelling: Charl-Pierre Naudé) én Allerliefste. 25 liefdesgedichten die iedereen moet hebben gelezen (Podium, Amsterdam, 2019), een selectie door Annemiek Recourt in een vertaling van Laurens van Krevelen. Breytenbach is een van de grote liefdesdichters in het Afrikaans. Zijn Zenboeddhistische lyriek is mij eerlijk gezegd minder vertrouwd. Ik ken het referentiekader onvoldoende, hoewel ik geïntrigeerd ben door de particuliere beeldentaal in het schilderwerk, zoals in de al eerder vermelde ensō- en Gongshi-reeksen. Ook uitspraken van Breytenbach in interviews, zoals in het gesprek met Joost Bosland (‘“He who asks is mistaken, he who answers is mistaken”’, p. 5-36), in de tentoonstellingscatalogus The 81 ways of letting go a late self (2018), lees ik met nieuwsgierigheid. In colleges over Sestig en de rol van Breytenbach in die modernistische golf vermeld ik vanzelfsprekend het oosterse referentiekader en verwijs naar inzichtgevende artikels van Andrew Nash, Louise Viljoen en anderen.

ID: Ek vind Breyten se prosawerke moeiliker om te verstaan as baie van sy gedigte. Dis al asof hy bewustelik teen homself praat en laag op laag neerlê vir die leser om te ontrafel. Hoe lees jy sy prosa?

YT: Het literaire en artistieke werk is veelgelaagd: behalve de pan-Afrikaanse en Zenboeddhistische verwijzingen zijn er tal van referenties aan politieke en maatschappelijke actualiteit, de rol van het Afrikaans in Zuid-Afrika (zie verder), literaire bronnen – van Édouard Glissant en Goya tot Kafka en Max Ernst. De Middenwereld, zoals toegelicht in essays en andere prozateksten in The Middle World Quartet, is bevolkt door een gezelschap van denkers en schrijvers met wie de auteur zich graag verbond, ook Aimé Césaire en Léopold Senghor als grondleggers van de “negritude” of het pan-Afrikaanse denken. Breytenbach is bij uitstek een intertekstueel schrijver die zich in zijn oeuvre verhoudt tot schrijvers, politieke commentatoren en filosofen die hij heeft gelezen en soms bewonderd. Dat zorgt ervoor dat het werk op diverse manieren kan worden betekenis gegeven, nog los van de metaforiek en de recurrente motieven in het werk, steeds weer afhankelijk van het frame dat door de lezer of de onderzoeker wordt gehanteerd.

Daarom voer ik in de huldigingsbundel Postumiteiten voor Breyten. Door het oog van dichters en vorsers (2026), de gelegenheidspublicatie die ik momenteel voorbereid, ook gesprekken met onderzoekers die op hun beurt het werk analytisch framen en toelichten. De rijkdom én de reikwijdte van het nagelaten werk van BB geven aanleiding tot diverse vormen van betekenisgeving, soms onderhevig aan modes en actuele discussies, te meer omdat alle delen op macroniveau met elkaar zijn verweven. Ik vind in de poëzie beslist hermetische teksten, net zoals in het proza: hierin volgt de spreker een eigen(zinnige) logica, een associatieve manier van denken, zodat het voor de lezer niet altijd makkelijk is door te dringen in dat tekstenweefsel en de gedachtegang of hersenspinsels die eraan ten grondslag liggen. De poëtische code van Breytenbachs werk is niet altijd eenvoudig te kraken. Er is evenwel méér dan begrip, ook het aanvoelen van de poëzie is van belang.

Hierbij moet ik denken aan de eerste brief ‘’n Oopmaakbrief’ die Ampie Coetzee opnam in de poëziebloemlezing Die hand vol vere (1995, p. 17-22):

[M]ens [kan] nie binne die normale woord wat wys na betekenis lees; maar tog ‘verstaan’ ek dit op ‘n manier wat nie uitgelê kan word nie. Voel mens dit aan; het jy dit aangevoel, verby die grense van die konvensionele betekenis (soos Van Wyk Louw se “iets wat om die grense flikker van my duister woorde”)? Ek vra, want dit is nogal ’n kenmerk van jou poëtiese tegniek: om verby die woordbetekenis te dwing, om ons konvensionele omgang met betekenis te verbreek – en ek praat nie nou bloot van woordspel nie. Verwysings, wat nie noodwendig literêre verwysings is nie. (p. 19)

Ik kan dus niet veralgemenen wat de moeilijkheidsgraad betreft van prozawerk en poëzie. Vele gedichten zijn uiteraard ook prozaïsch en behoorlijk lang, prozagedichten die tussen de genres bestaan. Er is in dat werk een voortdurende reflectie aanwezig, ongeacht proza, poëzie of toneeltekst. Breytenbach is een poeta doctus, een denkend dichter, naast een zintuiglijk schrijver, een “sensivist” die er op meesterlijke manier in slaagt licht- en kleurindrukken weer te geven. En romanticus en politiek dichter, et cetera. Dat sensitivistische vind je zeker in de Afrika- en meer specifiek de Gorée-gedichten, zoals in Skryt. Om ’n sinkende skip blou te verf (1972), ook in latere bundels zoals nege landskappe van ons tye bemaak aan ’n beminde (1993), onder meer ‘eiland (1)’ (p. 5-6) en ‘eiland (2)’ (p. 98-99), verwijzend naar de veelkleurigheid van dat eilanddecor. Ook in zijn spreken was Breytenbach associatief, meanderend, doorschietend van de ene naar de andere gedachtestroom, schier oneindig laverend in zijn manier van betogen. Iets soortgelijks vang ik op in het discours dat zijn literaire oeuvre bevat.

ID: Jy is ’n literator, maar ek vermoed dat jy ook redelik bekend is met Breyten se skilderkuns. Wil jy meer vertel?

YT: Ook op dat gebied ben ik niet de expert. Sandra Saayman en Marilet Sienaert kennen het grafische werk uitstekend en hebben er over gepubliceerd. Ik verwijs naar Painting the Eye (1993), The I of the beholder. Identity formation in the art and writing of Breyten Breytenbach (2001) van Sienaert en a.k.a. Breyten Breytenbach. Critical approaches to his writings and paintings (red. J. Lütge Coullie & J.U. Jacobs, Rodopi, Amsterdam, 2004). Of boeken zoals All One Horse met beeldend werk en prozateksten van Breytenbach die de reproducties flankeren. Ik lees dat visuele oeuvre wellicht literair, met aandacht voor motieven en symbolen die ook in gedichten en proza opduiken. Ik maak dus geen scheiding tussen literatuur en schilderwerk, ook al zijn het andere media. Voor mijn drie boeken gebruikte ik op voor- en achterplat telkens een schilderij van Breytenbach, zoals gezegd verwijzend naar de manier waarop hij zelf een schilderwerk selecteerde of ontwierp voor het omslag van zijn boeken. Breytenbach was een intermediaal kunstenaar, een dubbeltalent: dat spreekt uit de boekuitgaven. Niet alleen op de kaft, ook in de boeken zelf staan kunstwerken gereproduceerd, herhaaldelijk nam hij foto’s op (soms grafisch bewerkt), tekeningen en collages. In zijn laatste dichtwerk, met voorpublicaties op LitNet (zes afleveringen van ‘In die fragmentarium’, zie nummer 1: https://www.litnet.co.za/in-die-fragmentarium-1/), staan behalve gedichten en prozateksten ook foto’s, pentekeningen en andere parafernalia. Ik mag hopen dat in Zuid-Afrika een uitgever wordt gevonden om het, naar Breytens zeggen, vijfhonderd bladzijden tellend werk uit te geven. Hij klonk nogal ontgoocheld toen ik er hem in januari 2024 in Seepunt over sprak: geen Zuid-Afrikaanse uitgeverij was toen bereid het financiële risico te lopen het omvangrijke werk uit te geven.

ID: Jy vra ander uit oor ’n bepaalde beeld van Breyten wat vasgesteek het by hulle, ook of daardie beeld oor die jare verander het soos hulle met Breyten se werk omgegaan het. Hoe sou jy hierdie vraag beantwoord?

YT: Mijn beelden van Breytenbach zijn sterk bepaald door de inzichten van Zuid-Afrikaanse onderzoekers, zoals Louise Viljoen en Francis Galloway, auteur van dat bijzonder gedocumenteerde proefschrift over Breyten Breytenbach as openbare figuur (1990, zie DBNL). Zij zijn de experten die met hun studies werk en leven grondig hebben geanalyseerd en becommentarieerd. Ik ben zondermeer schatplichtig aan hun bevindingen en grondige speurwerk. Mijn benadering is breder, dat wil zeggen: transnationaal of zelfs eurocentrisch. Ik beschouw het werk meestal vanuit een internationaal perspectief, met aandacht voor vertalingen en beeldvorming in de Lage Landen. Daartoe heb ik receptieonderzoek ondernomen: receptieteksten in Nederlandse en Vlaamse periodieken. Ook de wijze waarop schrijvers in het Nederlandse taalgebied Breytenbachs werk hebben gelezen is het voorwerp van mijn studie dat ik soms met coauteurs heb mogen ondernemen. Vooral met Alwyn Roux deel ik gedachten en inzichten en maak ik plannen voor een monografie. De presentie van Breytenbach in het Nederlands, ook in het Frans (zie mijn tweespraak met Georges Lory) is een insteek die in mijn verkennend onderzoek aanwezig is. Die navorsing is ingegeven door een artikel van Viljoen, ‘Die rol van Nederland in die transnasionale beweging van enkele Afrikaanse skrywers’ in Internationale Neerlandistiek (52 (2014) 1, p. 3-26), waarin de auteur oproept van Zuid-Afrikaanse (Afrikaanstalige) schrijvers de internationale schrijftrajecten te bestuderen, bijvoorbeeld in het Nederlands. Dat transnationale gegeven ontbreekt meestal nog in de studie van canonieke auteurs in het Afrikaans. De literatuur van het Afrikaans is klein. Het is net door een internationaal perspectief te verdisconteren in het onderzoek – de transnationale bewegingen van het schrijfwerk – dat deze auteurs ruimere internationale aandacht kunnen krijgen. In het geval van Breytenbach bekijk ik niet alleen de Nederlandse receptie en cross-culturele beeldvorming (in netwerken, tijdschriften, uitgeversfondsen, literatuurkritiek), maar dus ook in Vlaanderen. Viljoen noemt in die context Breyten Breytenbach, André P. Brink, Ronelda Kamfer, Antjie Krog en Marlene van Niekerk. Ik ben op de uitnodiging ingegaan: het resultaat zijn de opstellen en kronieken die in Kwintet, Breyvier en De ontdekking van het eiland zijn verzameld.

Ik ontdek steeds nieuwe facetten van dat rijke oeuvre, daarin begeleid door wat ik ook lees in het werk van collega-onderzoekers. Dat is nu net wat in mijn onderzoek centraal staat. Hoe ikzelf de poëzie en het proza ervaar, is zoals voor elke lezer onderhevig aan fluctuaties. De manier waarop ik dat werk ervaar, zal in de tijd zonder twijfel allerlei veranderingen ondergaan omdat ik als lezer ook verander.

ID: Jy vra ander ook oor Breyten se siening van Afrikaans as ’n “bastertaal”. Aangesien jy self Nederlands en Engels kan praat, en Afrikaans baie goed verstaan en lees, hoe sien jy Afrikaans se groei uit, of weg van, 17de-eeuse Nederlands? Is Afrikaans ’n bastertaal in jou oë?

YT: Dit is een vraag waarop taalkundigen al lang het antwoord hebben verschaft. Afrikaans is een creeoltaal met een intercontinentale voedingsbodem: Afrika, met de Khoisantalen, Europa met naast het zeventiende-eeuws Zuid-Hollands en Zeeuws-Vlaams ook Engels, Portugees, zelfs Frans (dankzij de Hugenoten) én Azië met de tot slaaf gemaakten uit Ceylon (Sri Lanka) en Maleisië. Bovenal is Afrikaans een taal die in Afrika wordt gesproken, een taal van Afrika. Breytenbach sprak in de Sestiger-somerskool aan de Universiteit van Kaapstad (februari 1973) al over “’n bastertaal” – de tekst is de eerste keer gepubliceerd in 1976 toen Breytenbach al een gedetineerde was, veroordeeld voor terroristische activiteiten. De spraakmakende lezing is later uitgewerkt en gepubliceerd als ‘’n Blik van buite’. De tekst is opgenomen in Parool/Parole. Versamelde Toesprake/Collected Speeches (red. F. Gallowa, Penguin Books, Kaapstad, 2015, p. 8-16). Ik verwijs in het bijzonder naar de passage op p. 12 over “bastertaal”. Over de toespraak heeft Galloway een bibliografische annotatie opgenomen op p. 195: Breytenbach is “gegesel” door de media en briefschrijvers, “veral oor sy uitsprake oor Afrikaans/die Afrikaner”. Er was echter ook veel bijval voor zijn toespraak, zo noteert Galloway. De uiteenlopende reacties waren een blijk van groeiende interne oppositie in de Afrikanergemeenschap, aldus Galloway. Breytenbach stelde in het Kaapse referaat voor een bijna uitsluitend Afrikanergehoor: “Ons is ’n bastervolk met ’n bastertaal. Ons aard is basterskap. Dis goed en mooi so. Ons moet kompos wees, ontbindend om wéér in ander vorme te kan bind.” Ontbinding, erosie, verval, verrotting en dood zijn topoi in het werk van Breytenbach. Een Franse vertaling is treffend getiteld Métamortphase. Poèmes de prison 1975-1982 (Bernard Grasset, Parijs, 1987, vertaling Georges-Marie Lory en Breyten Breytenbach), met de verwijzing naar de dood (“la mort”) en de reflectie hierover (“meta”). Iedere taal is een “bastertaal”, want ze ondergaat altijd de invloeden van andere talen en/of staat ermee in contact. Geen taal is “zuiver” – de gedachte alleen al klinkt akelig. Tegenover het puritanisme en het discours van de zuiverheid – zoals ten tijde van apartheid – plaatste Breytenbach de meerstemmigheid, de creolisering, het volk als een “bastervolk”, de taal als een “bastertaal”. Wat hij opmerkte over het Afrikaans, is ook van toepassing op het Engels en het Nederlands bijvoorbeeld. Ik ben niet de enige die instemt met die zienswijze. Ook vele dichters die in de gesprekken aan het woord komen, te bundelen in Postumiteiten voor Breyten, denken er op die manier over. Ik leg die vraag voor – een van de vijf vragen – en de respondenten gaan ieder op hun manier in op de aangehaalde uitspraak van Breytenbach. Tegenover het beginsel van de “suiwerheid”, zoals belichaamd door apartheid, plaatst Breytenbach de onzekere, fluïde identiteit, zoals van een bastaard. De taalopvattingen, die niet standvastig zijn en in diachroon opzicht wisselend zijn, zijn verweven met een politieke-ideologische visie op Zuid-Afrika, apartheid en Afrikaans.

Wordt vervolgd

Lees ook:

’n Gesprek met die gesprekvoerder #1: Yves T’Sjoen oor sy belangstelling in Breyten Breytenbach

Breytenbach notitie#22: "La première fois que j’ai entendu parler de Breytenbach, c’était un soir de mai 1974 dans la montagne qui surplombe Stellenbosch." Tweespraak met Georges Lory, vertaler van Breytenbach in het Frans

Breytenbach notitie#22: "Breyten est le poète le plus traduit, Antjie commence à avoir un public solide". Tweespraak met Georges Lory, vertaler van Breytenbach in het Frans

My pad met Breyten – op die taalspoor

Francis Galloway se teks oor Breyten Breytenbach vir die publiek beskikbaar

  • 0
Verified by MonsterInsights
Top