...
Noem alle moderne grootheden maar op: van Neruda tot Carson, van Bei Dao tot Miłosz, van Achmatova tot Walcott, van Celan tot Murray – ze doen iets wat waarachtig is, op het allerhoogste niveau. Ze schrijven niet zozeer over het eigen ‘ik’ maar over het ‘ik’ in verband met de tijd, de mensheid, de geschiedenis, de politiek, en toch houden ze het persoonlijk, specifiek, tastbaar, intiem.
...
De inleidende tekst met de opzet van de gesprekkenreeks over de literaire erfenis van Breyten Breytenbach is opgenomen in de eerste aflevering (https://voertaal.nu/breyten-schrijven-8-breytenbachs-lyriek-door-de-blik-van-dichters-conversatie-met-joan-hambidge/). Telkens leg ik de gespreksgenoten vijf vragen voor over hoe zij zich in hun dichtwerk verhouden tot de lyriek van Breytenbach. Niet alleen Afrikaanstalige dichters komen aan het woord, vandaag ook de Nederlandse schrijver Alfred Schaffer.
YT: Alfred, is in het lyrisch werk van Breytenbach voor jou een afzonderlijke bundel of zelfs een esthetische fase aan te wijzen die om een specifieke reden jouw uitgesproken voorkeur geniet? De schrijver heeft in drie omvangrijke delen zijn verspreid gepubliceerde bundels samengebracht: Ysterkoei-blues. Versamelde gedigte 1964-1975, Die ongedanste dans. Gevangenisgedigte 1975-1983 en Die singende hand. Versamelde gedigte 1984-2014. Welke Breytenbach is voor jouw dichterlijke loopbaan betekenisvol gebleken? Verkies je het vroege werk of de ‘late style’ in Breytenbachs lyriek? Zou je zelf gewagen van een bepaalde literaire invloed, dus een moment of zelfs een gedicht dat jouw dichterschap in enigerlei mate mee heeft gestuurd?
AS: Ik ben Breytenbach blijven lezen sinds ik kennismaakte met zijn werk – dat was in 1996 toen ik, net voor het eerst in Zuid-Afrika, de bundels die ysterkoei moet sweet en Katastrofes cadeau kreeg van een vriend. Ik had in Nederland wel kennisgemaakt met Afrikaanstalig proza, maar met poëzie eigenlijk niet. In ons honneursklasje aan de vakgroep Afrikaans en Nederlands van UCT, met prof Henning Snyman, lazen Francois Smith en ik vooral Opperman en Van Wyk Louw. Toen ik “’n oosterse perkamentrol” las, was ik om:
in elke ronde water
is ten minste
een vis
as hy skerp is, is hy gelukkig
die amerikaners
steek na hom rond met stomp swaarde
Geweldige mix van surrealisme en humor en beeldtaal. Zo scherp, zo gebald. Het was 4 jaar voor ik zelf zou debuteren, dus dit was om na te volgen veel te hoog gegrepen, en nu nóg wel misschien. Maar, wát een inspiratie:
nirvana
toe het gautama boeddha onder ’n boom
gaan sit en gesê: ek
sal van hier nie opstaan voordat ek
nie my ek
opgeëet het nie
en teen die aand van die soveelste dag
was die bodhiboom oordek van rooi vye
en hy het opgestaan en die lug geliefkoos
en blomme in die aarde se hare gesteek
en die water gesoen en
gelag vir die weerkaatsing van sy gesig
sodat sy wange nat was
Dat woordje “sodat” in de slotregel, het gooit al je verwachtingen omver! En dan te bedenken dat dit een debuut was. Ik was natuurlijk nog helemaal niet op de hoogte van alles waar Breytenbach aan refereerde, waar hij tegenin schreef – al dat soort zaken, maar je proeft ook als groentje meteen dat dit heel erg groots werk is, werk dat zich onttrekt aan periodes en poëticale tijdelijkheden. En dan, 3 jaar later, in Die huis van die dowe, schrijft hij “hoe om ’n gedig te skryf onder vrugteboom in die reën”, vervolgens “ek skyf ’n gedig onder vrugteboom in die reën” en dan “die gedig onder vrugteboom in die reën”. Zoiets opent de deuren van perceptie voor een beginneling. Die speelsheid heeft me erg geleid en gestimuleerd, zoals de speelsheid en vreemdheid van John Ashbery dat ook deden. Het was en is zo anders dan veel poëtisch werk.
Een bijzondere band heb ik met (‘YK’), die vierde bundel van die ongedanste dans. Mijn associatieve brein sloeg er helemaal van op hol, juist omdat ik de schoonheid kon voelen maar niet doorgronden – een enigmatische en uiteraard niet heel makkelijke bundel, maar wat een strofes. Poëzie van verlangen, en soms helemaal niet zo cryptisch:
reën na die berg se kant toe
vaal strepe skuur die land blink
bome groener as van natuur
die duiwe en diewe se stemme is dikker
en ronder van nuwe fluweel drink
YT: Naast de expliciete maatschappijkritische poëzie zijn er de gedichten waarin de verbeelding van Afrika vorm krijgt, de vele liefdesgedichten, de lyriek waarin verval, verrotting en de dood bepalende motieven zijn, het nomadische Middenwereld-discours, de Zenboeddhistische gedichten. Is er een facet van Breytenbachs poëzie dat je met bijzondere belangstelling of affiniteit hebt gelezen?
AS: Gek genoeg heb ik over het algemeen niet zoveel met liefdespoëzie, ook niet met die van de hele grote dichters. Raar eigenlijk. Liefde wil ik blijkbaar liever beleven dan lezen. Ik kan best genieten van de liefdespoëzie van Breytenbach, maar ze trekt mij het minst. Hoe langer ik buiten moederlanden woon en buiten mijn eigen taalgebied, hoe meer ik merk dat zijn idee van de Middenwereld mij aanspreekt. Het is niet zomaar een ideetje, maar een mentale staat die ik goed begrijp, en die ik door de jaren heen vermoedelijk ook heb geïnternaliseerd. Ik heb het nu en dan ook wel eens met hem gehad over tussenposities, het leven als verdwijntruc. Hij groette in mails soms met ‘medebewoner’ – van de Midden- of tussenwereld dus.
YT: De schrijver heeft zich uitgedrukt in beschouwende en lyrische teksten. Daarnaast hield hij publieke toespraken, schreef zijn Notes from the Middle World, de trilogie met ’n Seisoen in die paradys, The True Confessions of an Albino Terrorist en Return to Paradise. De literaire genres waarin de schrijver zich uitsprak en een beeldrijk universum creëerde, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, wat ook over het schilder- en tekenwerk kan worden gezegd. Welke teksten kunnen jou begeesteren en welke leeservaring verbind je met particuliere teksten in het oeuvre?
AS: Een seizoen in het paradijs is mij het meest dierbaar, denk ik. Verschenen in mijn geboortejaar, gelezen in 1997, als ik het goed heb, al gelijk in het begin van mijn tijd in Kaapstad in elk geval, bijna direct na kennismaking met zijn poëzie. Daar kwam de schitterende documentaire uit 1996 dan nog eens achteraan, die ik een paar jaar later een keer in The Baxter in Rondebosch heb gezien. Heimwee, woede, frustratie, racisme, ontheemding, de natuur als thuis – allemaal thema’s die mij voedden. Kan ik achteraf zeggen. Altijd achteraf.
YT: Hoe heb je zelf het werk van Breytenbach leren kennen? Welk beeld bewaar je van de kennismaking en is het in de loop van het leesparcours eventueel gewijzigd? Welke rol dicht je Breytenbach toe met betrekking tot het Afrikaans, dat hij een “bastertaal” noemde – een creoolse taal en vooral als een taal van Afrika zag?
AS: Het is eigenlijk vreemd dat ik zijn poëzie pas in Zuid-Afrika ontdekte, terwijl hij júist in Nederland best een bekende literaire figuur was. Maar gek genoeg was ik in mijn Leidse studiejaren meer met proza bezig – voor poëzie had de opleiding sowieso weinig oog –, en wist ik van Afrikaanse of zelfs Zuid-Afrikaanse poëzie weinig tot niets, en ging een instituut als Poetry International (waar hij al een paar keer te gast was geweest) ook totaal aan mij voorbij. Het leesparcours is niet zozeer gewijzigd, al geniet ik op een andere manier van latere bundels als die beginsel van stof dan van vroeger werk, maar het politieke werk begrijp ik steeds beter naarmate ik ouder word en langer in Zuid-Afrika woon. Daardoor vind ik het werk ook lang niet zo duister als in het begin, ik kan nu beter zien waar de taal en de denksprongen vandaan komen. Ik kan dit werk nu beter op waarde schatten, denk ik. Dat hij als witte Zuid-Afrikaan het hybride en inheemse karakter van het Afrikaans relatief vroeg benadrukte, moet van onschatbare waarde zijn geweest. Maar dat is voor een Afrikaanse lezer denk ik beter op waarde te schatten.
...
Dat hij als witte Zuid-Afrikaan het hybride en inheemse karakter van het Afrikaans relatief vroeg benadrukte, moet van onschatbare waarde zijn geweest. Maar dat is voor een Afrikaanse lezer denk ik beter op waarde te schatten.
...
YT: Kun je in een paar zinnen het grensverleggende en zelfs de iconische betekenis van de dichter Breytenbach onder woorden brengen? Of anders gezegd: hoe zou je zelf voor toekomstige lezers van Breytenbach, in Zuid-Afrika en elders, de poëzie aanbevelen?
AS: Breytenbach behoort tot de hele grote denkende, innovatieve en speelse dichters. Toevallig was zijn taal het Afrikaans. Zuid-Afrika was zijn materiaal, maar wat hij schilderde was de condition humaine. Vandaar dat zijn werk zo resoneert, ook voor lezers die Zuid-Afrika nooit hebben bezocht en de geschiedenis misschien maar heel globaal kennen. Noem alle moderne grootheden maar op: van Neruda tot Carson, van Bei Dao tot Miłosz, van Achmatova tot Walcott, van Celan tot Murray – ze doen iets wat waarachtig is, op het allerhoogste niveau. Ze schrijven niet zozeer over het eigen ‘ik’ maar over het ‘ik’ in verband met de tijd, de mensheid, de geschiedenis, de politiek, en toch houden ze het persoonlijk, specifiek, tastbaar, intiem. Ze laten je wennen aan het vreemde en nieuwe dat ze je bieden, tot je aan dat vreemde en dat nieuwe gewend bent, en daarmee verrijkt.
Lees ook:
Breyten schrijven #8: Breytenbachs lyriek door de blik van dichters, conversatie met Joan Hambidge
Bruggenhoofden: Alfred Schaffer, ’n digter en vertaler van die tussengebied

