Spinoza en Simon van der Stel (1): Hymen Picard en de Orde van de Rozenkruisers

  • 0

Is het waar dat bij Simon van der Stel, de eerste gouverneur van Kaap de Goede Hoop, de Ethica van Spinoza op tafel lag? En maakte hij echt elke dag een illustratie bij een hoofdstuk van de Bijbel?

Ja, als we de in Nederland geboren, Zuid-Afrikaanse auteur Hymen (Hijmen) Picard mogen geloven. Maar waar haalde Picard zijn informatie vandaan? En hoe betrouwbaar waren zijn bronnen?

Tijdens zijn zoektocht naar het antwoord op die vragen maakt Wim Goris zelf gebruik van Spinoza’s ideeën over waarneming en kennis.1

“One day arriving unexpectedly at the beautiful gabled house, Peter Kolbe saw on a table three books – the Koran, the Ethics by Spinoza and the Jewish War by Flavius Josephus.” (Picard 1996:48)

“The Governor had the laudable habit of making every day – mind you, every day – an illustration from a chapter of the Bible.” (Picard 1996:50)

Het leven van Simon van der Stel (1639–1712) is uitvoerig onderzocht. Deze twee kleine gerapporteerde voorvallen lijken iets te vertellen over Van der Stels verhouding met het werk van Spinoza, en met de Bijbel. Ik kwam ze tegen in een essay van de Zuid-Afrikaanse auteur Hymen Picard uit 1996 (Shepherd 1996:37–51).

Simon van der Stel (1639–1712), Commandeur/Gouverneur van Kaap de Goede Hoop van 1679 tot 1699, door Pieter van Anraedt / Bron: Wikimedia Commons

2.0 Hymen Picard, journalist en schrijver

Hymen Willem Johannes Picard, LL.M, M.A.2, schrijft twee boeken over de geschiedenis van Kaapstad, Gentleman’s Walk (1968) en Grand Parade (1969). Ze zijn fraai, op klein koffietafelformaat, uitgegeven door C. Struik (Pty.) Ltd., Kaapstad. Voor beide boeken doet hij onderzoek in de Kaapse Argiewe, de Suid-Afrikaanse Biblioteek en de Parlementsbiblioteek, en raadpleegt hij een reeks van boeken (Picard 1968:182–4, Picard 1969: “acknowledgements”). In 1972 volgt Masters of the Castle, een boek met portretten van Nederlandse commandeurs en gouverneurs van de Kaap. Vervolgens in 1974 een vierde boek, Lords of Stalplein, met biografieën van Britse bewindvoerders van de Kaapkolonie. Alle vier boeken zijn te vinden in de onvolprezen bibliotheek van het Zuid-Afrikahuis aan de Keizersgracht in Amsterdam.

De eerstgenoemde twee boeken zijn ook opgenomen in de collectie van de Koninklijke Bibliotheek (KB), Den Haag. Bij de KB ligt bovendien een boek uit 1946 van Mr. H.W.J. Picard, De waarheid over Java. 15 AVRO-causerieën in boekvorm (Picard, 1946). Picard woonde namelijk voor de Tweede Wereldoorlog in Indonesië, en hij werkte daar bij de radio. Hij schrijft dat hij zich de terugtocht van het Duitse leger in de Eerste Wereldoorlog herinnert (Picard 1946:24). Mr. H.W.J. (Hijmen) Picard uit Indonesië is dezelfde als Hymen Picard uit Kaapstad.

Hymen W.J. Picard, leeftijd 23 jaar (verschaft)

In 1972 komt de eerste editie uit van Cabo, Tydskrif van die Kaapstadse Historiese Vereniging. Hymen Picard schrijft hierin een artikel over Maria Quevellerius, de vrouw van Jan van Riebeeck (Jaarsveld 1973:125).

Ruim twintig jaar na Lords of Stalplein verschijnt in 1996 Picards essay “Spiritual Impulses in South Africa’s history”in Ralph Shepherds verzamelbundel Invisible Africa. Contributions to a coming culture. Volgens de flaptekst gaat dat boek over “inspirational, intuitive and also historical investigations into the ‘invisible’ impulses that have manifested in Africa, and in particular South Africa in both ancient and modern history”. Het boek is uitgegeven in 1996 bij Novalis Press, Cape Town, na een proefeditie in 1986.

Invisible Africa. Contributions to a coming culture (1996). Hierin verschijnt Hymen Picards essay “Spiritual Impulses in South Africa’s History”.

Picard noemt in zijn essay uit 1996 tweemaal (Picard 1996:43,50) zijn onderzoek voor een nog te verschijnen biografische roman (“biographical novel”), Man of Constantia. Op internet vind ik een vermelding van een boek door Picard met die titel, Man of Constantia. A Biographical Novel on the life of Simon van der Stel, dat al in 1973 bij Purnell is verschenen.

Man of Constantia door H.W.J. Picard (1973)

In de Bibliotheek van de Antroposofische Vereniging in Den Haag vind ik het vermoedelijk wel laatste boek van Picard, eenvoudig uitgegeven in 1990: 101 Biographies. A study aid for the Karmic Relationships Lecture series of Rudolf Steiner. Voorin staat een lijst van zijn andere boeken. Na de hiervoor genoemde en door mij geraadpleegde vier boeken en Man of Constantia (1973) noemt hij nog Peter Stuyvesant, Builder of New York (1975), Storms of Destiny (1976)en Cape Epic (1977).

2.1 Hymen Picard en Simon van der Stel

De essentie van Picards essay uit 1996 is terug te vinden in zijn eerdere boek Masters of the Castle uit 1972, en wel in hoofdstuk VIII, “Man of Destiny” (Picard 1972: 79–97). Daarin staan reeds zijn verwijzingen naar Kolbes opmerking over de boeken van Spinoza en Flavius Josephus en over Simons dagelijkse tekeningen bij hoofdstukken van het Heilige Boek (Picard 1972:82,93).

In het genoemde hoofdstuk in Masters of the Castle zie ik hoe Picard bepaalde gegevens combineert en daaruit conclusies trekt. Een voorbeeld. Picard stelt zich voor dat Simon van der Stel wellicht leden van de kring rond Pieter Cornelisz. Hooft heeft gekend, zoals wetenschapper Christiaan Huygens en andere culturele VIP’s. Dit, denkt Picard, zou passen bij Van der Stels contact met de familie Six in Amsterdam en zijn interesse in wijnbouw (viticulture) op zijn twee wijngaarden in Muiderberg. Picard situeert deze wijngaarden “near Muiderberg Castle”. Hooft was immers kasteelheer van het Muiderslot, waaraan de Muiderkring zijn naam ontleende. Hooft zelf was weliswaar overleden ten tijde van de experimenten van Simon van der Stel, zegt Picard, maar de ontmoetingen van zijn vrienden en leerlingen gingen nog jaren door (Picard 1972:84, Picard 1996:45).

Ik zie in het verhaal over Hooft hoe Picard bepaalde gegevens heeft versmolten en niet diepgaand heeft geverifieerd. Picard doet geen poging zijn beweringen te staven. Hooft is overleden in 1647. Simon was toen nog geen acht jaar oud; een jaar eerder was zijn vader onthoofd in Ceylon. Elf jaar na het overlijden van Hooft arriveert Simon voor het eerst, als 18-jarige, in Nederland. Dat maakt een mogelijk contact van Simon met de Muiderkring niet waarschijnlijk. Bovendien zijn de vaak genoemde bijeenkomsten van een geregelde groep rond Hooft in de zogenaamde Muiderkring in het Muiderslot een mythe, zegt Strengholt, er was hooguit sprake van een losse vriendenkring (Strengholt 1986:265–277).

Ik vermoed dat Van der Stel de “vrienden en leerlingen van Hooft” eerder dan in Muiderberg ergens in Amsterdam had kunnen ontmoeten – of op straat toevallig had kunnen tegenkomen. Er bestaat namelijk geen enkel gegeven over zijn persoonlijke contacten.

Portret van Simon van der Stel en zijn zoon Willem Adriaan, toegeschreven aan Jan Weenix (1669) / Bron: Wikimedia Commons

Het is niet zo dat Picard gemakzuchtig is. In Masters of the Castle staat bij het portret van Simon van der Stel in een jachtscène de volgende tekst: “Presumably Simon van der Stel, eighth Commander and the third Governor of the Cape Settlement. (Iconografisch Bureau, The Hague)”(Picard 1972:49).

Jan Bedaux zegt dat Picard de eerste was die de aandacht vestigde op het nu beroemde (en in 1962 vernietigde) “Portret van Simon van der Stel en zijn zoon Willem Adriaan”, toegeschreven aan Jan Weenix. Bedaux laat zien hoe Picard zich heeft ingespannen om in correspondentie met het Iconografisch Bureau in Den Haag de achtergrond van dit portret te achterhalen en zijn vondst dan vervolgens zonder enige nadere toelichting publiceert (Bedaux 1988:8).

2.2 Hymen Picard en Max Stibbe

In zijn essay uit 1996 schrijft Picard dat zijn denken is beïnvloed onder de gidsende leiding van zijn vriend Max Stibbe (1898-1973), “an old acquaintance of the Far East”. Stibbe is een Nederlandse antroposoof3, geboren in Indonesië maar als jongeman voor zijn scholing naar Nederland gestuurd. In 1921 werd hij lid van de Anthroposofische Vereniging en medeoprichter van de Vrije School in Den Haag. Voor de oorlog trok hij met zijn gezin naar Indonesië, waar hij alle ellende van de jappenkampen doorstaan moest. Na de oorlog kon hij de aansluiting bij de Haagse Vrije School niet meer vinden. In 1963 trok hij naar Kaapstad om te helpen bij de opbouw van de twee gesplitste scholen. Twee jaar later trok hij naar Pretoria om daar een nieuw school te stichten (internet; Henny 1973:17; van Bemmelen 1973:256).

In Max Stibbes meest kenmerkende boek, Zwanenridder en de Vliegende Hollander (1934), staat het Nederlandse volk centraal. Stibbe zag de kolonisatie door de Nederlanders als een voortzetting van die der Portugezen, deze was een aangelegenheid van de Christusorde, waarvan de grondslag weer gezocht moet worden in de Tempelorde (Henny 1973: 1). In een later werkje, Het Nederlandsche volkskarakter (1940), werkt Stibbe zijn visie uit “dat in de volken der aarde alle menschelijke ziele-eigenschappen uitgespreid zijn, dat elk volk een bepaalde eenzijdigheid van het zieleleven demonstreert”. Het Nederlandse volk beschouwt hij als het oog van Europa, wiens belangrijkste psychische functie is de gewaarwording, in het bijzonder de visuele gewaarwording (Stibbe 1940:8).

Hijmen Picard was in 1936 met zijn jonge gezin naar Indonesië getrokken. Toen daar de oorlog uitbrak, moest hij voor de Jappen vluchten naar Bandung, waar hij een bijstation van de NIROM (Nederlandsch-Indische Radio Omroep Maatschappij) moest bemannen. Daar verzorgde Picard tezamen met Bert Garthof op 8 maart 1942 de laatste uitzending: “Wij gaan nu sluiten. Vaarwel – tot betere tijden. Leve de Koningin”, gevolgd door het Wilhelmus.

Na zijn repatriatie werd Picard redacteur van de Telex in Den Haag. Hij schreef een dichtbundel, Licht en donker in Japansche Concentratiekampen, en De Waarheid over Java. Hij kreeg in 1946 van Albert Plesman, president-directeur van de KLM, de gelegenheid naar Zuid-Afrika te gaan met als prijs voor de overtocht een boekje ter herdenking van de eerste KLM-vlucht naar Zuid-Afrika onder vliegenier Parmentier. In Pretoria werd Picard redacteur van het maandblad De Nederlandse Post. Na een aantal commerciële posten in Johannesburg vertrok hij naar Kaapstad.4

In zijn gesprekken met Picard over Simon van der Stel raakte Stibbe ervan overtuigd dat “this remarkable ruler of the Cape of Good Hope had either been an active Rosicrucian or at least a strong sympathiser”. Picards bevindingen over Simon van der Stel ondersteunen hun beider overtuiging dat “spiritual forces lead world history along certain paths to certain goals” (Picard 1996:43).

Picard wil aannemelijk maken dat het leven van Simon van der Stel bewijzen levert voor zijn “rozenkruiserschap”. Zijn weergave van citaten over Spinoza en de Bijbel staan pontificaal vooraan in mijn artikel, maar bij Picard zijn het slechts kleine vormen van bewijsvoering voor zijn hoofdargumentatie. Het voert te ver voor dit artikel om Picards argumentatie en bewijsvoering te herhalen. Het gaat mij alleen om het sluitstuk. Picard heeft mij namelijk op het spoor gebracht van twee ooggetuigen die Simon van der Stel in levenden lijvende hebben ontmoet en over hem hebben geschreven: Peter Kolbe en François Valentijn. Over hen in de tweede en derde aflevering van deze serie meer.

Zoals we zullen zien, is de betrouwbaarheid van Picards beide ooggetuigen problematisch, elk op zijn eigen manier. Dat maakt het onderzoek en de mogelijke conclusies ingewikkeld, maar ook interessant en inzichtgevend.

Wordt vervolgd.


Eindnoten

1 Verantwoording van de gevolgde navorsingsmethodologie, door Wim Goris:

Het doel van mijn navorsing is om meer te weten te komen over Simon van der Stel (1639–1712), commandeur, gouverneur en vrijburger aan de Kaap de Goede Hoop. Mijn vertrekpunt is de Spinozahof in Den Haag. Het sleutelwoord voor mijn onderzoek is de verwijzing naar Spinoza door Peter Kolbe. De mogelijke opbrengst is een “handjevol grond” in de kennis over Simon van der Stel.

In het begin van dit navorsingsartikel ontmoet de lezer Hymen Picard, een journalist, auteur en historicus die tussen 1972 en 1996 enkele niet helemaal gesubstantieerde conclusies trekt uit zijn onderzoeksmateriaal. Zijn “ooggetuigen” zijn enerzijds Peter Kolbe (1675–1726), die door Picard wordt gekenschetst als “a man who mixed facts with fiction”, en anderzijds François Valentijn (1666–1727), die door zijn redacteur als “stubborn, with irritating self-esteem” wordt gezien.

Bij het doorspitten van de gegevens maak ik expliciet gebruik van de logica van Spinoza. Spinoza’s Tractatus de Intellectus Emendatione (TIE) is een niet voltooid en niet bij leven gepubliceerd jeugdwerk, opgenomen in Spinoza’s Korte Geschriften, p. 437–493. Ik hanteer twee gedeelten uit de vertaling van W.N.A. Klever, Verhandeling over de verbetering van het verstand (Spinoza 1986:67–8, 80):

Hoofdstuk II Het middel: de beste waarneming (perceptio)

I. Ten eerste is er de Waarneming, die wij hebben van horen zeggen of op grond van een of ander willekeurig teken;

II. Ten tweede is er de Waarneming die wij putten uit zwervende (vaga) ervaring…;

III. Ten derde is er de Waarneming waarin het wezen van de zaak, zij het inadequaat, uit een andere zaak wordt afgeleid (…). Abstracte kennis kan door de imaginatio in verwarring worden gebracht en leiden tot dwaling.

IV. In de vierde plaats is er Waarneming, waar een zaak aanschouwd wordt door zijn wezen alleen of door de kennis van zijn naaste oorzaak (…).

Hoofdstuk IV De fictie

Ik noem een zaak onmogelijk als het contradictoir is dat zijn natuur bestaat, noodzakelijk als het contradictoir is dat zijn natuur niet bestaat, mogelijk als het bestaan of niet-bestaan in zijn natuur niet contradictoir is.

Ik stel mij voor dat de “vier vormen van waarneming (perceptio)” aldus “vier soorten van kennis (cognitio)” opleveren. Het merendeel van de informatie in de hoofdstukken over Hymen, Kolbe en Valentijn betreft waarnemingen van de eerste categorie (“van horen zeggen”). Ik schaar daaronder ook de kennis van anderen die door onderzoekers is geciteerd of opgeschreven (dat kan bij wijze van spreken ook de Ethica van Spinoza zijn). Voorlopige conclusies die “bijeen geharkt” zijn door associatie van twee gegevens rangschik ik als waarneming van de tweede categorie (“zwevende ervaring”).

Kees Schuyt grijpt met zijn nummering alvast vooruit naar de drie soorten kennis in de Ethica (Schuyt 2017: 41), maar dat is voor mij nog een stap te ver. Ik blijf schatplichtig aan W.N.A. Klever en houd vast aan “Vormen van waarneming” als letterlijke vertaling van Modi percipiendi (Spinoza 1986: 124):

1a. Kennis “van horen zeggen” of afgeleid uit tekens of woorden

1b. Kennis uit verspreide ervaring, ondervinding

2. Kennis uit redeneringen afgeleid en door het verstand gezuiverd

3. Kennis vanuit de essentie van een zaak; uit de naaste oorzaak

Een belangrijke rol ligt hier voor het “uitwieden” van fictie, ofwel het toetsen aan de drieslag Onmogelijk, Noodzakelijk en mogelijk. Als ik de beschikbare, onvolledige waarnemingen laat bewerken “door het verstand”, kan ik op die aldus bewerkte grond nadere kennis over Simon van der Stel laten groeien.

2 Picard wordt beurtelings beschreven als “a Netherlands-born historian and sociologist” (Picard 1968: flaptekst), als “journalist and author” en als “author and historian” (Shepherd 1996:vi).

3 Stibbe noemde zichzelf geen antroposoof. Hij zei steeds: “Ik ben een leerling van Dr. Steiner.” (H.G.J. de Leeuw 1973:218)

4 Informatie over Hijmen Picard in deze twee paragrafen komt van Jan Picard, zoon van Hymen Picard, e-mail 5 november 2018, en https://nl.wikipedia.org/wiki/Bert_Garthoff.

Lees ook

Spinoza en Simon van der Stel (2): De eerste ooggetuige, Peter Kolbe, ''that learned liar''

Buro: IG
  • 0
Top