Spinoza en Simon van der Stel (2): De eerste ooggetuige, Peter Kolbe, "that learned liar"

  • 0

Spinoza en Simon van der Stel (2): De eerste ooggetuige, Peter Kolbe, “that learned liar”i


Volgens de Zuid-Afrikaanse auteur Hymen Picard lag op Constantia, de beroemde wijnboerderij van gouverneur Simon van der Stel, de Ethica van Spinoza op tafel. Ook zou Van der Stel dagelijks een illustratie bij een hoofdstuk uit de Bijbel maken.
 

Waar haalde Picard zijn informatie vandaan? En hoe betrouwbaar waren zijn bronnen? In deze serie gaat Wim Goris op zoek naar het antwoord op die vragen. Daarbij maakt hij zelf gebruik van Spinoza’s ideeën over waarneming en kennis.ii

Peter Kolbe (1675-1726) (ook wel Kolben of Colben) (internet: Peter Kolbe) kwam in 1705 naar de Kaap in opdracht van de Duitse baron von Krosigk (Schoeman 2013:361) met een aanbeveling van Nicolaas Witsen, burgemeester van Amsterdam.

Hij was de eerste astronoom aan de Kaap, maar zijn patroon stopte zijn financiële ondersteuning in 1707. In 1710 kreeg Kolbe een aanstelling als secretaris van de landdrost van Stellenbosch en Drakestein.

Hij kreeg ernstige oogklachten, in 1713 werd hij afgedankt en moest hij terug naar Duitsland. Kolbe was de auteur van Caput Bonae Spei Hodiernum in zijn moedertaal Duits (1719) , later vertaald in het Nederlands als Naaukeurige beschrijving van Kaap de Goede Hoop en uitgegeven in 1727, na Kolbes dood (internet: Peter Kolbe; Good 2006:71-2).

Peter Kolbe (1675-1726)

1. Wat schrijft Kolbe over Simon van der Stel?

Kolbe schrijft nogal afstandelijk over wat hij had gezien in Van der Stels huis op het landgoed Constantia:

“Sondern er hatte auch vornemlich diese Eigenschafft an sich, dasz er, als eine geistlicher Regente, der anderen mit seinem Exempel vorgehen muszte, nicht viel wieder von dem dusserlichen Christlichen Gottesdienste, und dem Sacrament des Altars; noch auch von privater Erlernung und Erbauung aus der H. Schrift hielte; dieweil er viel lieber in dem Türkischen Alcoran oder dem Judischen Geschicht-Scheiber Josepho, oder auch in den Büchern Benedicti de Spinoza, die er doch gar nicht verstunde, als in der heiligen Bibel gelesen.” (Kolben 1719:591)

In de Nederlandse editie uit 1727 staat het als volgt:

“… maar hy bezat ook voornamelyk deze hoedanigheid, dat hy die, als een geestelyke Regent de anderen met zyn voorbeeld voorgaan moest, niet veel van den uyterlyken Christelyken Godsdienst en ’t Sacrament des Altaars, nog van ’t byzonder lezen van de H. Schrift hield; om dat hy liever in den Turkschen Alkoran of de Joodche Geschied-schryver Josephus, of in de boeken van Benedictus de Spinoza, die hy echter gantsch niet verstont, dan in de H. Bybel las.” (Kolbe 1727:181)iii

Kolbe, Peter. 1727. Naaukeurige en uitvoerige beschryving van de Kaap de Goede Hoop. Amsterdam: Balthazar Lakeman

2. Picards interpretatie van Kolbe 

Picard neemt in zijn essay uit 1996 geen concrete verwijzing op naar zijn bron, Kolbe. Uit de literatuurlijst bij zijn eerste boek, Gentleman’s Walk uit 1968, blijkt dat hij waarschijnlijk Kolbes originele Duitse versie uit 1719 zal hebben gebruikt.

Een strikte vergelijking van Picards tekst over Peter Kolbe met Kolbes eigen tekst laat een paar verschillen zien. Ten eerste, in Kolbes originele tekst staat niet dat Kolbe onverwacht arriveerde, Kolbe heeft het over de voorkeuren van Simon van der Stel.

Ten tweede, Kolbe noemt geen boeken die op tafel liggen, maar zegt wat Simon van der Stel bij voorkeur las.

Ten derde, Kolbe noemt niet specifiek Spinoza’s boek Ethica, maar “de boeken van Benedictus de Spinoza”. Hieruit blijkt dat Picard Kolbe niet citeert, maar interpreteert.

Wat kan de achtergrond zijn van de interpretatie, om niet te zeggen “misquotes”, van een ervaren journalist, auteur en historicus als Hymen W.J. Picard, LL.M. (Meester in de Rechten) en M.A. (Master of Arts)?

Ik vermoed dat het te maken heeft met zijn “Rozenkruizers-argumentatie”. Picard wil vermoedelijk bewijzen/aannemelijk maken dat Van der Stel een Rozenkruizer was of althans Rozenkruizer-eigenschappen vertoonde. Daarom beperkt Picard zich niet tot de oorspronkelijke tekst maar vult dit aan met zijn eigen imaginatie.

Met “imaginatie” bedoel ik niet noodzakelijkerwijs dat hij fantaseert. Picard had een levenslange fascinatie voor en kennis over Simon van der Stel. Dus dit is mogelijk Picards “uitgebreide mentale beeld” van wat er precies gebeurde op de dag dat Kolbe op bezoek kwam bij voormalig gouverneur Simon van der Stel.

Zelfs als Picards beeld niet wordt ondersteund door de tekst van Kolbe – dan is het niet onmogelijk dat het precies zo is gelopen. Maar Picard redeneert dan vanuit het perspectief van de Rozenkruisers en zijn imaginatie functioneert binnen dat perspectief.

Picards vriend Stibbe was wel bekend met Spinoza. In zijn hiervoor genoemde boek Zwanenridder en Vliegende Hollander besteedt hij vier pagina’s tekst aan Spinoza’s geschiedenis “in het beginstadium van het moderne denken”. Hier maakt Spinoza zich los van de “twijfel” van zijn leermeester Descartes.

Stibbe citeert en verduidelijkt de Ethica in de laatste twee bladzijden. Hij ziet dat de filosofische systemen van Descartes en Spinoza “in het bewuste denken van de mensch hun middelpunt vinden”. Maar het twintigste-eeuwse bewustzijn, zegt Stibbe, bewandelt de omgekeerde weg, “uitgaande van de mensch en opstijgen tot de hoogere gebieden” (Stibbe 1934: 247-252). Met die gebieden houden Stibbe en Picard zich bezig.

Er is een aanvullende reden waarom Picard niet eenvoudig de tekst van Kolbe overneemt. Want Picard vertrouwt Kolbe niet – zoals hij beargumenteert in zijn complete tekst over Kolbe.iv Kolbes passage over Benedictus de Spinoza is slechts één zinnetje in het geheel.

Zuid-Afrikaanse geschiedkundigen hebben Kolbes negatieve beeldvorming van Simon van der Stel uitvoerig bediscussieerd. Als voorbeeld noem ik dr. Böeseken in haar baanbrekende boek over de Van der Stels. Zij citeert met instemming prof. Theo van Wijk waar hij praat over de “verwronge spore” die Kolbe in de geschiedschrijving over de Van der Stels heeft achtergelaten. Zij noemt voorbeelden van “skinderstories” en “insinuasies”.

“Hierdie beswaddering”, zegt Böeseken, “word dan afgesluit met die opmerking dat Simon liewer gelees het in die “Türkischen Alcoran oder dem Judischen Geschicht-Scheiber Josepho, oder auch in den Büchern Benedicti de Spinoza, die er doch gar nicht verstunde, als in der heiligen Bibel” (Böeseken 1964:Inleiding, derde en vierde pagina, ongenummerd).

Aangezien deze passage (identiek aan Kolbe) in de niet-gepagineerd Inleiding voorkomt, bevat het Register van Böesekens boek ook geen verwijzing naar Josepho of Benedicti de Spinoza.

Maar ook anderszins komt deze passage niet terug in haar boek, waardoor zij bij mij de indruk wekt dat ook zij deze uitspraak van Kolbe over Simon van der Stel wantrouwt en dit gegeven bewust buiten haar onderzoek plaatst, als “skinderstories”. Dit wordt bevestigd door haar uitspraak elders: “maar Kolbe het so baie onwaarhede vertel dat hoegenaamd geen staat op sy mededelinge gemaak kan word nie” (Böeseken 1964:220).

Picard noemt Kolbe “a man who mixed facts with fiction”, hij wijst Kolbes aantijgingen en argumenten over Simon der Stel doorgaans van de hand (Picard 1968:44-5). Maar in het geval van Spinoza maakt hij een uitzondering. Hij vindt een vorm van bevestiging bij een ooggetuige op een ander moment: François Valentijn (zie aflevering 3 van deze serie). 

Karel Schoeman, aanvullend biograaf van de Van der Stels, citeert dezelfde passage van Kolbe; hij lijkt Kolbes “kennis en ervaring” wel te vertrouwen maar kan dit niet plaatsen in zijn beeld van Simon van der Stel (Schoeman 2013:46):

“Terwyl Simon van der Stel ’n nuuskierige gees en ’n lewendige gemoed gehad het, sluit hierdie blyke van intellektuele belangstelling egter by niks aan wat verder oor hom bekend is nie, en alhoewel Kolbe uit eie kennis en ervaring skryf, herinner sy verwysing eerder aan die geesteswêreld van sy seun, wie se belangstelling in die Koran in elk geval bekend is.” (Noot 298, hierin verwijst Schoeman naar Willem Adriaan van der Stel)

3. Aanvullend beeld van Peter Kolbe

Als ik Kolbes originele tekst lees, voel ik mij onmiddellijk geraakt door Kolbes negatieve toon. Ik ben verbaasd over zijn smadelijke aantijgingen jegens Simon van der Stel, los van het mogelijke waarheidskarakter daarvan.

Kolbes beeld van Simon van der Stel klopt helemaal niet met de overwegend positieve verhalen die ik door de jaren heen over hem heb gehoord en zelf heb gelezen. In contrast met die negatieve toon staat Kolbes terugkerende positieve aanduiding van de V.O.C. als “de Voortreffelyke Maatschappij”.

Deel een van Kolbes boek (529 pp.) gaat hoofdzakelijk over de natuur. Daar gebruikt hij ongeveer vijfentwintig keer de aanduiding “Illustre Compagnie”. Deel twee (449 pp. exclusief Register) begint met zijn verslag over de Khoikhoi (tot p. 171). Aansluitend, vanaf Hoofdstuk XIV, gaat het over zijn ervaringen met het bestuur van de Kaap de Goede Hoop.

Vanaf dat punt gebruikt hij consequent de aanduiding “Voortreffelyke Maatschappy” voor de V.O.C. Deze aanduiding komt veelvuldig voor, soms drie of vier keer per bladzij, ik schat een totaal van 100 á 150 keer. Een voorbeeld daarvan zie je in drie opeenvolgende hoofdstuktitels:

XX. Hooftstuck. Van de Kosten, welke de Voortreffelyke Maatschappy jaarlyks tot besolding van de bezetting en tot veele andere hooftzakelykheden dragen moet, om alles in een goede staat te houden. 251
XXI. Hooftstuck. Van de Inkomsten die de Voortreffelyke Maatschappy jaarlyks heeft, om hunne kosten weder goed te maken. 270
XXII. Hooftstuck. Wat de bedienden van de Voortreffelyke Maatschappy boven hare wezentlyke bezoldiging jaarlyks van de Europeaansche inwoonders genieten. 287

Het geheel maakt op mij de indruk dat Kolbe aan één kant een zwart beeld schetst van Simon van der Stel (in hoofdzaak: “was niet in staat om te regeren”) en van Willem Adriaan van der Stel (in hoofdzaak: “is in den aanvang goed geweest, en regeert loffellyk. Is schielyk verandert, en gaat zyn’s Vaders gangen, uitgenomen de brutaliteit”) (Kolbe 1726, Register p.1183). Deze beelden staan scherp tegenover de veelvuldig terugkerende “voortreffelyke” V.O.C.

Het past niet binnen het bestek van dit artikel om nader in te gaan op Kolbes motieven. Ik verwijs naar het artikel van Anne Good waarin zij Kolbes relatie met zijn oorspronkelijke opdrachtgever Baron Bernard Friedrich von Krosick (of Krosigk) beschrijft. Zij gaat ook in op de motieven waarom Kolbe zijn Caput Bonae Spei Hodiernum (1719) heeft opgedragen aan Markgraaf Georg Wilhelm van Ansbach-Bayreuth (1678-1726). (Anne Good, 2006, p. 69)

De Nederlandse versie Naaukeurige en uitvoerige beschryving van de Kaap de Goede Hoop (1727) bevat geen opdracht, maar verwijst op de titelpagina naar de aanbevelingsbrief van Wylen den Wel-Ed. Gestr. Heer Nicolaes Witzen (1641-1717), Burgemeester der Stad Amsterdam. Witsen was dus al overleden toen het boek uitkwam.

Kolbe maakt op mij de indruk dat hij met zijn boeken (een enorme prestatie natuurlijk) een goede indruk wil maken bij de V.O.C., die uiteindelijk Simon van der Stel had afgedankt en Willem Adriaan had ontslagen. Dit staat mijns inziens los van de patronen aan wie Kolbe zijn boek(en) beleefdheidshalve en omwille van hun status heeft opgedragen. Dat was gebruikelijk in die dagen.

Afbeelding uit Peter Kolbes Naaukeurige en uitvoerige beschryving van de Kaap de Goede Hoop (1727), via Wikimedia Commons

4. Kolbes vernemen of gewaarworden, waarheid of onwaarheid, eigen ogen en ooggetuige

Böeseken noemde al de onwaarheden van Kolbe en de onmogelijkheid om op zijn mededelingen te vertrouwen (Böeseken 1964: 220). Toch wil ik proberen of ik enige orde van herkomst kan aanbrengen in Kolbes beweringen over Simon van der Stel.

Daarvoor gebruik ik Kolbes afsluiting van zijn verhaal over de Khoikhoi, waarin hij aan de lezer verantwoording aflegt. Ik noem het “Kolbes Methode”:

“Wanneer ik iets meer van hen had konnen vernemen of gewaarworden, zoude ik den Leezer het insgelyks hebben medegedeelt, maar vermids dat my onmogelyk was, en niet welgedaan zoude zyn, om u met onwaarheden, of met enkelyk gehoorde zaken te misleiden, zoo oordeel ik beter te zyn, om het by het geen myne ogen byna alles gezien hebben, of waarvan ik ooggetuige geweest ben, te laten berusten.” (Kolbe, 1726, p. 170)

Ik merk op dat Kolbe in zijn Methode verantwoording aflegt over zijn vormen van Waarneming inzake de Khoikhoi. Ik gebruik de aanduiding “Waarneming” in navolging van Spinoza. Ik ga ervan uit dat Kolbe op de volgende pagina, als hij begint over het functioneren van de administratie van de Kaap de Goede Hoop, dezelfde vormen van Waarneming hanteert.

In het citaat geeft Kolbe aan dat 1. Vernemen en 2. Gewaarworden zijn eerste, belangrijkste vormen van Waarneming zijn. Aansluitend noemt Kolbe 3. Onwaarheden n 4. Enkelyk gehoorde zaken. Van beide zegt hij dat hij die niet toepast (daarom heb ik 3 en 4 grijs gearceerd ). Vervolgens noemt Kolbe twee vormen van directe waarneming: 5. Met eigen ogen en 6. Zelf ooggetuige geweest (ik heb zelf de eigen oren daaraan toegevoegd).

Huigen zet “met eigen ogen” op de eerste plaats als hij zegt: “Bovendien introduceerde Kolb het kritische onderzoek van bestaande voorstellingen van Zuid-Afrika, die door hem vergeleken werden met de eigen ervaring, gebaseerd op ‘autopsie, waarneming met eigen ogen’” (Huigen 2006:14). Kolbe heeft zijn boek systematisch ingedeeld zodat hij de lezer beter kan overtuigen. Bijkomstigheden, zoals de omstandigheden waaronder hij zijn kennis verzameld heeft, heeft Kolbe zoveel mogelijk uit zijn tekst weggelaten (Huigen 2006:47).

Kolbes vernieuwend onderzoek naar de Khoikhoi staat bij Huigen methodisch, inhoudelijk en etnografisch in de schijnwerpers. Hij zegt: “Alleen het derde deel bevat een chronologisch verslag van politieke verwikkelingen tijdens zijn verblijf aan de Kaap.” (Huigen 2006:5, 23-25, 42) Huigen gaat niet verder in op de inhoud van dit derde deel, de methode die Kolbe daar hanteert of zijn kennisverzameling. Het is precies dát wat ik probeer te onderzoeken.

Bij het doorlopen van Kolbes beweringen zie ik dat hij naast de genoemde zes vormen nog andere vormen van Waarneming hanteert. Ik heb deze laatste gebundeld in drie vormen van mening van anderen (nummers 7, 8 en 9 hieronder). Zo kom ik op een totaal van negen vormen van Waarneming in vier groepjes, zo goed mogelijk vanuit het eigen perspectief van Kolbe:

1. vernemen
2. gewaarworden

3. onwaarheden (onmogelyk en niet welgedaan om te misleiden)
4. enkelyk gehoorde zaken (onmogelyk en niet welgedaan om te misleiden)

5. met eigen ogen byna alles gezien (of met eigen oren gehoord)
6. zelf ooggetuige geweest

7. ’t schynt
8. men vindt
9. men kan niet ontkennen

Vervolgens heb ik een totaal van 57 beweringen van Kolbe over Simon van der Stel gevonden, waarvan zo’n driekwart via Kolbe’s Register. Deze beweringen heb ik gerangschikt naar vorm van Waarneming. 

Mijn toedeling aan de ene of andere vorm is vaak inschattenderwijs omdat Kolbe vaak niet duidelijk is. (Het kan ook zijn dat ik Kolbe niet begrijp, of dat ik hem niet goed interpreteer.)

  • Kolbes hoofdcategorieën zijn 1. Vernemen en 2. Gewaarworden, zo lees ik in zijn passage bij de Khoikhoi. Deze twee processen spelen zich in Kolbe zelf af. In beide gevallen geeft hij zelden aan wat precies de bron van zijn Waarneming is.
  • Door gebrek aan bewijs of begrip zouden de eerste twee Waarnemingsvormen – bedoeld of onbedoeld – kunnen vervallen tot de grijze categorieën  3. Onwaarheden of  4. Enkelyk gehoorde zaken. Maar in aanvang ga ik ervan uit dat dat niet Kolbes bedoeling is. Als alle waarnemingen van Kolbe onwaar blijken te zijn, dan komen alle waarnemingen terecht in deze categorie.
  • De directe waarnemingen 5 en 6 moeten aantoonbaar waar zijn. Anders is zo’n waarneming een leugen – en voor klinkklare leugens heeft Kolbe geen categorie gereserveerd.
  • Bij de laatste drie waarnemingen 7, 8 en 9 ligt het zwaartepunt bij meningen van anderen. Deze waarnemingen zijn bij de toedeling moeilijk te onderscheiden van de eerste categorieën 1 en 2. De foutenkans in dit laatste groepje is groter.

5. Bevindingen bij Kolbes waarnemingen

Mijn eerste bevinding uit deze exercitie is dat meer dan de helft van Kolbes beweringen (33/57) over Simon van der Stel terug te voeren zijn op Kolbes eigen denkprocessen (vernemen en gewaarworden). In slechts 9 van de 57 onderzochte beweringen noemt Kolbe zijn Rechtstreekse waarneming als bron (5. met eigen ogen of oren; 6. zelf ooggetuige geweest).

Je kunt dus zeggen dat Kolbe hoogst zelden ooggetuige is geweest van een voorval of proces waarover hij Simon van der Stel oordeelt. Die uitkomst is ook niet opzienbarend: Kolbe heeft Simon van der Stel hooguit een of twee keer ontmoet. In een van deze voorvallen beweert hij dat hij met een brief kan bewijzen dat Simon van der Stel de nieuwe Gouverneur en anderen heeft trachten te vergiftigen (Kolbe 1729:2.184).

Ik heb genoemde brief gerangschikt als Kolbes eigen waarneming, ook al was Kolbe strikt genomen geen ooggetuige van het voorval – maar wel van de brief. De laatste categorie, meningen van anderen, omvat 15/57 waarnemingen.

Mijn tweede bevinding is dat de bewering van Kolbe over de Koran, Josephus en Spinoza lijkt te vallen in categorie 2 “Gewaarwording”. Dat is dezelfde categorie als Kolbes bewering dat Simon van der Stel “onnuttige vrouwluiden ... bemint” en “niet veel van den uyterlyken Christelyken Godsdienst ... hield”, in dezelfde paragraaf. Alle drie deze beweringen zet Kolbe namelijk in de context van “hy bezat de hoedanigheyt dat…” Deze hoedanigheid is ontstaan, zegt Kolbe, omdat Simon pas gedoopt is toen hij al ruim vijf jaar oud was. (Kolbe 1729:2.181) Kolbe heeft geen van deze drie beweringen ergens hard gemaakt.

In de logica van Spinoza is Kolbes bewering over de boeken van Spinoza et al. niet Onmogelijk, en het is niet Noodzakelijk. Anders gezegd: “hy bezat de hoedanigheyt dat” is een vage, niet gefundeerde bewering. De bewering kan waar zijn / kan evengoed niet waar zijn.

Dit betekent overigens niet dat Simon van der Stel de boeken van Spinoza niet gelezen kán hebben. Daarover in aflevering 4 van deze reeks.

Mijn derde bevinding is dat Kolbe een ingewikkeld en warrig systeem van Waarneming hanteert. Kolbe laat zien dat hij zelf Spinoza niet heeft begrepen – ik vermoed dat hij hem alleen kent “van horen zeggen”. Zou Kolbe Spinoza wel hebben begrepen, dan zou hij, denk ik, nooit zo’n onduidelijk systeem van kennis uit Waarneming hebben gehanteerd. Het heeft mij veel moeite gekost om zijn “Methode” zelfs bij benadering te vatten in 9 categorieën.

Deze derde bevinding werpt ook een sluier van twijfel over Kolbes bevindingen / beweringen inzake de Khoikhoi in de voorgaande eerste helft van deel 2 van zijn omvangrijke boek.

Kolbes gebrekkige methodologie doet bij mij ook een vraag rijzen naar Kolbes kundigheid als wetenschapper/astronoom toen hij voor het eerst in de Kaap aankwam. “Dit lyk of Kolbe min astronomiese werk verrig het, hoewel hy ‘n redelik goeie skatting van die Kaap se lengtegraad gemaak het”. (internet: Peter Kolbe af.) Maar de beoordeling van Kolbes capaciteiten valt buiten de reikwijdte van dit artikel. 

Mijn vierde bevinding is de mogelijkheid dat Kolbe rechtstreeks heeft opgeschreven wat hij hoorde in zijn functie. Hier sluit ik aan bij Anne Goods bevinding over Kolbe. Zij zegt in haar abstract: “Kolb’s genius lies in emphasising communalities among Europeans and Khoikhoi, as well as the rationalities of Khoikhoi customs”.

Verderop schrijft zij over Kolbe “there is constantly at play the aims and motivations of a European man of letters, and, equally, a kind of raw data feedback about everything that he experienced” (Good 2006:61,72).

Böeseken, zo gaf ik al aan, heeft een negatief beeld van Kolbe. Uit eigen mededeling van Kolbe, zegt zij, blijkt dat er tussen Kolbe en Simon van der Stel “hoegenaamd geen wedersyds begrip was nie”.

Zij citeert Kolbe die vermoedt dat Simon van der Stel hem om de tuin probeerde te leiden met een verhaal over de maan die onmogelijk dicht bij de aarde was. Het was zijn enige ontmoeting met Van der Stel (Böeseken 1964: Inleiding z.p., 220).

Mijn suggestie is nu dat Kolbe niet alleen werd misleid door een sterk verhaal van Simon van der Stel, maar ook nadien – in de tijd dat hij, Kolbe, secretaris was van Stellenbosch en Drakenstein.

In zijn functie trof hij onkundige, drankverslaafde vrijburgers, schelmen en landlopers (Böeseken 1964: 96); verklikkende, liegende, kwaadsprekende, scheldende, gierige, mishandelende, angstige, messentrekkende, woedende, onbeheerste, lichtgeraakte en eigengerechtigde burgers (Biewenga 1999:69-74).

Met andere woorden: Het kan zijn dat Kolbe alles wat hij van iedereen hoorde, als raw material heeft opgeschreven. Er is geen bewijs mogelijk omdat Kolbe zijn bronnen niet weergaf.

Ian Colvin verhaalt een iets andere beeld in een romantische sfeertekening, zonder bronnen en met een onjuiste verwijzing naar Kolbes patron. Want Baron von Krosigk was niet meer nieuwsgierig naar de bevindingen van Kolbe:

“Peter Kolbe was among the first, and by all accounts he was a notorious liar, spending his time in drinking and smoking and hastily collecting at the end of his stay the waifs and strays of information he had picked up in the taverns and on the stoeps to satisfy the curiosity of the noble patron who had sent him to the Cape.” (internet: Colvin)


 

Eindnoten

i “… inspired by that learned liar, German naturalist-author Peter Kolbe, who hated the Van der Stels…” (Bedaux 1988:8, geciteerd in Picard 1972:81)

ii Verantwoording van de gevolgde navorsingsmethodologie, door Wim Goris:

Het doel van mijn navorsing is om meer te weten te komen over Simon van der Stel (1639-1712), commandeur, gouverneur en vrijburger aan de Kaap de Goede Hoop. Mijn vertrekpunt is de Spinozahof in Den Haag. Het sleutelwoord voor mijn onderzoek is de verwijzing naar Spinoza door Peter Kolbe. De mogelijke opbrengst is een “handjevol grond” in de kennis over Simon van der Stel.

In het begin van dit navorsingsartikel ontmoet de lezer Hymen Picard, een journalist, auteur en historicus die tussen 1972 en 1996 enkele niet helemaal gesubstantieerde conclusies trekt uit zijn onderzoeksmateriaal. Zijn “ooggetuigen” zijn enerzijds Peter Kolbe (1675-1726), die door Picard wordt gekenschetst als “a man who mixed facts with fiction”, en anderzijds François Valentijn (1666-1727), die door zijn redacteur als “stubborn, with irritating self-esteem” wordt gezien.

Bij het doorspitten van de gegevens maak ik expliciet gebruik van de logica van Spinoza. Spinoza’s Tractatus de Intellectus Emendatione (TIE) is een niet voltooid en niet bij leven gepubliceerd jeugdwerk, opgenomen in Spinoza’s Korte Geschriften, p. 437-493. Ik hanteer twee gedeelten uit de vertaling van W.N.A. Klever, Verhandeling over de verbetering van het verstand (Spinoza 1986:67-8, 80):

Hoofdstuk II Het middel: de beste waarneming (perceptio)
I. Ten eerste is er de Waarneming, die wij hebben van horen zeggen of op grond van een of ander willekeurig teken;
II. Ten tweede is er de Waarneming die wij putten uit zwervende (vaga) ervaring…;
III. Ten derde is er de Waarneming waarin het wezen van de zaak, zij het inadequaat, uit een andere zaak wordt afgeleid (…). Abstracte kennis kan door de imaginatio in verwarring worden gebracht en leiden tot dwaling.
IV. In de vierde plaats is er Waarneming, waar een zaak aanschouwd wordt door zijn wezen alleen of door de kennis van zijn naaste oorzaak (…).

Hoofdstuk IV De fictie
Ik noem een zaak onmogelijk als het contradictoir is dat zijn natuur bestaat, noodzakelijk als het contradictoir is dat zijn natuur niet bestaat, mogelijk als het bestaan of niet-bestaan in zijn natuur niet contradictoir is.

Ik stel mij voor dat de “vier vormen van waarneming (perceptio)” aldus “vier soorten van kennis (cognitio)” opleveren. Het merendeel van de informatie in de hoofdstukken over Hymen, Kolbe en Valentijn betreft waarnemingen van de eerste categorie (“van horen zeggen”). Ik schaar daaronder ook de kennis van anderen die door onderzoekers is geciteerd of opgeschreven (dat kan bij wijze van spreken ook de Ethica van Spinoza zijn). Voorlopige conclusies die “bijeen geharkt” zijn door associatie van twee gegevens rangschik ik als waarneming van de tweede categorie (“zwervende ervaring”).

Kees Schuyt grijpt met zijn nummering alvast vooruit naar de drie soorten kennis in de Ethica (Schuyt 2017: 41), maar dat is voor mij nog een stap te ver. Ik blijf schatplichtig aan W.N.A. Klever en houd vast aan “Vormen van waarneming” als letterlijke vertaling van Modi percipiendi (Spinoza 1986: 124):

1a. Kennis “van horen zeggen” of afgeleid uit tekens of woorden
1b. Kennis uit verspreide ervaring, ondervinding
2. Kennis uit redeneringen afgeleid en door het verstand gezuiverd
3. Kennis vanuit de essentie van een zaak; uit de naaste oorzaak

Een belangrijke rol ligt hier voor het “uitwieden” van fictie, ofwel het toetsen aan de drieslag Onmogelijk, Noodzakelijk en mogelijk. Als ik de beschikbare, onvolledige waarnemingen laat bewerken “door het verstand”, kan ik op die aldus bewerkte grond nadere kennis over Simon van der Stel laten groeien.

iii “Hy (= Simon van der Stel) was een man, die zoo als men my hier verzekeren wil, en de omstandigheden ook schynen te bekragtigen, met zyne afkomst zeer gelyk leefde, want hy zoude op ’t eiland Mauritius, alwaar zyn Vader voor de voortreffelyke Maatschappy (=  de V.O.C.) in den kryg diende, van eene zwarte heidensche Slavin, byzit van zyn Vader, Maimonica da Costa genaamt, geboren zyn, zonder dat hy zelf wist, in welk jaar hy ‘t licht van deze waereld eerst gezien had.

Daarenboven heb ik zelf meer dan eens, zoo dikwyls als ik hem op zyn Landgoed Constantia genaamt, waar van hier vooren insgelyks melding is geschied, bezocht heb, uit zynen eigen mond gehoort, dat hy ruim vyf jaren oud was, toen hy gedoopt wierd. Hy moet aldus met deze zyne moedermelk voortreffelyke deugden ingezogen, naderhand van zich zelven geleert, en eindelyk in zyn leven geoeffent hebben, om dat ’t gemeen spreekwoord by hem ’t over waar wierd, namelyk dat ’t geen een goede barndenetel worden wil, vroeg en tydig brand, want hy heeft niet alleen onnuttige vrouwluiden, voornamelyk die van zwarte afkomst of gantsch zwart waren, tot in den hogen ouderdom bemint, gekoestert, voorgestaan, en alle mogelyke diensten gedaan; maar hy bezat ook voornamelyk deze hoedanigheid, dat hy die, als een geestelyke Regent de anderen met zyn voorbeeld voorgaan moest, niet veel van den uyterlyken Christelyken Godsdienst en ’t Sacrament des Altaars, nog van ’t byzonder lezen van de H. Schrift hield; om dat hy liever in den Turkschen Alkoran of de Joodche Geschied-schryver Josephus, of in de boeken van Benedictus de Spinoza, hie hy echter gantsch niet verstont, dan in de H. Bybel las.

Vraagt de Lezer, hoe deze man tot zulk gewigtig, aanzienlyk en voordelig Ampt heeft konnen geraken? Zoo dient, dat hy in Holland ’t schaapsvel omgehangen en de wolfshuid verborgen heeft, tot dat hy gelegentheid kreeg, om die vry en onverhindert te laten zien.

… zy (zijn vrouw) is derhalve niet met hem gegaan, maar heeft hem met alle hun kinderen laten vertrekken, waar door hy ook by gevolg gelegentheid heeft bekomen, om zyne vuile driften den toom te vieren.

... op een ander tyd zal zich beter gelegenheid opdoen , om eenigszins omstandiger van hem te handelen en te spreken; jegenswoordig zeg ik enkelyk, dat ’t oude spreekwoord, dat de appel niet ver van de stam valt, eenigermate schynt waar te zijn, om dat deze zyn vader meest in alles behalven brutaliteit, gelyk komt.

Uit: Kolbe, Peter. 1727. Naaukeurige beschrijving van Kaap de Goede Hoop. Amsterdam, p.181-183.

iv “Why the German naturalist-astronomer-author Peter Kolbe, a frequent visitor to the Governor’s country estate Constantia, hated his host so much, has never been adequately explained. Perhaps it was the German’s arrogance and pedantry that put Simon’s hair up and led him to pull the German’s leg with fantastic stories about his expedition to Namaqualand ‘where the moon was so close to the earth that he had touched it’, thereby inspiring his victim’s total lack of humour. In any case, we are indebted to this German scientist for revealing some facts about life at Constantia that no other source ever mentioned. One day arriving unexpectedly at the beautiful gabled house, Peter Kolbe saw on a table three books – the Koran, the Ethics by Spinoza and the Jewish War by Flavius Josephus. Although he told many lies about Van der Stel, these three titles could hardly have been the fruit of a malicious imagination and we may take it that the books were really there. That a Dutch colonial governor who had to sit each Sunday (probably twice) in the front pew of the Dutch Reformed Church, was a reader of the Koran is, to put it mildly, puzzling, but that he was a student of Spinoza’s Ethics is even more intriguing. Without alleging that Spinoza was a member of the Rosicrucian Brotherhood in The Netherlands or at least a fellow-traveller, it is clear that specifically in his Ethics many thoughts were developed which were related to contemporary Rosicrucian thinking. His thesis that free, unhampered thinking – ‘philosophising’ he called it – was the right of every human being, went directly against the teachings of the established churches. Worse: Spinoza’s understanding of the Kabala and his elaborating on this forbidden esoteric philosophy puts him alongside Christian Rosencreutz and his pupils, who also studies the Kabala. Consequently the fact that Van der Stel possessed a copy of the Ethics marks him as a man who, like the Rosicrucians, wanted a totally new approach to religious and specifically Christian thinking.” (Picard 1996, p. 48-49)

Lees ook

Spinoza en Simon van der Stel (1): Hymen Picard en de Orde van de Rozenkruisers

Buro: IG
  • 0
Top