Spinoza en Simon van der Stel (6): Land van Waveren, buitenplaatsen en landgoederen

  • 0

Volgens de Zuid-Afrikaanse auteur Hymen Picard lag op Constantia, de beroemde wijnboerderij van gouverneur Simon van der Stel, de Ethica van Spinoza op tafel. Ook zou Van der Stel dagelijks een illustratie bij een hoofdstuk uit de Bijbel maken.

Waar haalde Picard zijn informatie vandaan? En hoe betrouwbaar waren zijn bronnen? In deze serie gaat Wim Goris op zoek naar het antwoord op die vragen. Daarbij maakt hij zelf gebruik van Spinoza’s ideeën over waarneming en kennis.i

Om een antwoord te vinden op de vraag welke bekenden van Simon van der Stel bekend waren met Spinoza, ga ik te rade bij Spinoza web, een project dat ten doel heeft om de contacten tussen Spinoza en zijn omgeving in kaart te brengen.

1 Willem Adriaan van der Stel, Nicolaas Witsen en Johannes Hudde

Vader en zoon Van der Stel komen uitvoerig aan bod in Peters’ biografie over Nicolaas Witsen (1641-1717). Simon reisde al in 1685 op verzoek van Nicolaas Witsen naar Namaqualand. Botanist Hendrik Claudius vervaardigde daar een album met de titel Codex Witsenii, in kopie nu nog te bezichtigen in het South African Museum in Kaapstad. Simon van der Stel schreef Witsen over zijn expedities en wetenswaardigheden. Er moeten nog twee andere albums naar Witsen zijn gestuurd. Ook was Witsen Willem Adriaans beschermheer en zijn dankbaarheid jegens Witsen komt tot op vandaag terug in de naamgeving van de Witsensbergen (Peters 2010:85-86).

Nicolaas Witsen op zijn beurt was meer dan bevriend met Johannes Hudde (1628-1704). Peters noemt Hudde Witsens “dertien jaar oudere neef en zielsverwant”. Net als Hudde was Witsen “een man van het midden en van compromissen” (Peters 2010:55). Ook politiek trokken zij in Amsterdam met elkaar op.

Nicolaas Witsen (1641-1717) en Johannes Hudde (1628-1704) (Bron: www.geni.com)

Maar Hudde was ook door zijn huwelijk met Debora Oetgens, geboren Blaeuw, gerelateerd aan Willem Adriaan, zij het niet als directe bloedverwant.

1.1 Verwantschap Johannes Hudde met Jan Hendricksz Oetgens

 In 1673 – Hudde was toen vijfenveertig – trad hij in het huwelijk met Debora Blaeuw (1629-1702). Het was zijn eerste huwelijk en haar derde. Debora was de weduwe van Johan van Waveren en daarvoor nog van Bartholdus Wormskerck. Zij was zeer vermogend (Jorink en Zuidervaart 2018:12).

Debora Blaeuw was de dochter van Cornelis Michielsz. Blaeuw en Weyntge Oetgens (1594-1660). De vader van Weyntge, Jan Hendricszoon Oetgens (1564-1607) was de oudste zoon van Hendrik Fransz. Oetgens (1531-1571) en Weyntge Jacobsdr. Verburgh (ca. 1535-1566); dat waren dus de overgrootouders van Debora.

Debora’s grootvader Jan had een broer, Frans Hendricksz Oetgens (1558-1625). Deze had zich opgewerkt en werd meermalen burgemeester van Amsterdam. Frans was goed geïnformeerd over de uitbreidingsplannen van de stad en had toen op diverse plaatsen grond gekocht. Tussen 1611 en 1620 werd Frans verschillende malen beschuldigd van speculatie omdat hij de uitbreidingsplannen in zijn eigen voordeel had benut. Na de dood van Frans erfde zijn zoon Anthony gunstig gelegen grond in het oosten van de stad. Daarmee probeerde Anthony de uitvoering van nieuwe plannen tegen te houden. Daarna ging de stad Amsterdam over tot onteigening van zijn grond en werd Anthony (Fransz.) op een zijspoor gezet.

Anthony Oetgens (1585-1658) trouwde in 1611 met Anna Spiegel (1582-1644). Hij liet bij ’s-Graveland de buitenplaats Spiegelrust bouwen. Uit dit huwelijk werden geboren Johan Oetgens (1613-1670), Alida (1616-1668) en Nicolaes (geb. 1622).

Debora huwde de oudste zoon, Johan Oetgens. Zij waren dus bloedverwanten in het nageslacht van hun overgrootvader Hendrik Fransz. Oetgens. Debora’s echtgenoot Johan Oetgens is dezelfde persoon als Johan van Waveren.

Hierna (paragraaf 1.3) ga ik in op de herkomst en overdracht van de titel Heer van Waveren.

1.2 Verwantschap Willem Adriaan van der Stel met Frans Hendricksz Oetgens

Een zusje van Anthony, Cornelia Oetgens (1586-1651), trouwde in 1610 met Frans J. Hinlopen (1583-1628). Uit dit huwelijk werden geboren Catalina Hinlopen (1612-1677) en Jacob Frans Hinlopen (1618-1671). Catalina trouwde met Willem Six (1610/12-1652); hij was lakenwever, en de eerste Six die toetrad tot de raad van de Amsterdamse vroedschap. Willem was zoon van Guillaume Willem Karel Willem Six (1564-1619), zijdewever in Amsterdam, en Johanna Wijmer (overleden 1624). Catalina’s jongere zusje Maria Hinlopen trouwde ook met een Six, namelijk Frans Six.

Uit het huwelijk van Catalina Hinlopen en Willem Six kwamen vijf kinderen voort. Vader Willem Six overleed in 1652 en zijn weduwe Catalina hertrouwde in 1658 met Jean Mariau; haar kinderen werden Mariaus stiefkinderen. Het derde kind, de oudste dochter, is Johanna Jacoba (1645-1700). Zij trouwde in 1663 met Simon van der Stel. Cornelia Six (1631-1681), Johanna Jacoba’s jongste zus, vergezelde het moederloze gezin Van der Stel in 1669 naar de Kaap de Goede Hoop (Böeseken 1964:17, 18, 26, 269).

Cornelia Oetgens was dus de overgrootmoeder van Willem Adriaan van der Stel en Catalina Hinlopen was zijn grootmoeder. Overigens waren de Hinlopens ook gerelateerd aan Johan Bax van Herentals, de voorganger van Simon van der Stel aan de Kaap en aan de familie Huydecoper van Maarseveen.

1.3 Herkomst en bestemming van de titel Heer van Waveren

De drie heerlijkheden Waveren, Botshol en Ruige Wilnis zijn gelegen in de provincie Utrecht, in de omgeving van Abcoude. De Proosdij van Sint-Marie in Utrecht had ze in 1624 verkocht aan Anthony Oetgens (1585-1650). Daarmee werd Anthony Heer van Waveren.

Anthony’s zoon Johan Oetgens (1613-1670) erfde deze titel bij het overlijden van zijn vader en noemde zich Johan Heer van Waveren, Botshol en Ruige Wilnis. Johan trouwde met Debora Blaeuw, die zich Debora Blaeuw, Vrouwe van Waveren mocht noemen. Het huwelijk bleef kinderloos. Ook Johans zus Alida noemde zich Alida van Waveren.

Johan van Waveren Oetgens overleed in 1670. Debora hertrouwde in 1673 met Johannes Hudde. Deze nam de titel Heer van Waveren (Botshol en Ruige Wilnis) over van haar overleden echtgenoot. Het echtpaar Hudde-Oetgens ging wonen in het huis dat Johans vader Anthony Oetgens van Waveren (1585-1658) aan het Singel, nu nummer 284, had laten bouwen. Ook haar derde huwelijk bleef kinderloos (Jorink en Zuidervaart 2018:12).

Op de Engelstalige Wikipedia en Encyclopedia Brittannica wordt Hudde ook “Johan van Waveren Hudde” genoemd.

Zo waren de kinderen Van der Stel aan moederszijde weliswaar bloedverwant aan het geslacht Oetgens. Maar de titel Heer van Waveren was na 1673 overgegaan naar Johannes Hudde.

1.4 Nicolaes Witsen en Johannes Hudde

Op het Spinoza web staat geen verwijzing van Witsen naar Spinoza. Evenmin in Marion Peters’ biografie over Nicolaas Witsen. Weliswaar had Witsen in Leiden in 1663-1664 colleges gevolgd over de cartesiaanse filosofie en in zijn vriendenkring waren veel aanhangers van René Descartes te vinden. Ook had Witsen zelf vele boeken van en over Descartes in zijn bibliotheek (Peters 2010: 33). Maar een concreet bewijs – een boek, een brief – richting Spinoza ontbreekt.

Wel is er een verwijzing naar vader en zoon Van der Stel. Simon had tenminste drie albums met tekeningen van de botanist Hendrik Claudius tezamen met een herbarium opgestuurd aan Witsen. Deze staan bekend als de Codex Witsenii; er is er nog één van over. Ook schreef hij over zijn expedities. Willem Adriaan had zijn benoeming tot gouverneur in 1699 waarschijnlijk te danken aan Nicolaas Witsen. Als dank noemde hij kort na zijn aankomst de Witsenbergen naar zijn weldoener (Peters 2010: 86-7).

In Peters’ biografie mis ik een verwijzing naar Peter Kolbe, die dezelfde weldoener had geëerd met zijn twee monumentale boeken over de Kaap. In de Nederlandse editie (1727) staat Nicolaas Witsen genoemd op de voorpagina. Maar toen was Witsen (evenals Kolbe) al overleden.

1.5 Johannes Hudde en Het Land van Waveren in de Kaap

Waarom deze ingewikkelde familieverhalen en verwantschappen?

Willem Adriaan van der Stel ging al in november 1699 op “inspectiereis” naar het oosten, in de richting van de Ubiquasbergen, op zoek naar nieuwe gebieden voor de vrijburgers, in “seeker schone landouwe 18 á 20 uuren van desen Casteele”. Daar trof hij een vruchtbare vallei die hij het Land van Waveren noemde, zo zegt Van Böeseken, “na die geslag Waveren aan wie sy moeder van moederskant verwant was. Die hoë berge wat die Land van Waveren ingesluit het, het hy Witsenberge genoem, na sy vriend Nicolaas Witsen, die bekende burgemeester van Amsterdam, wat tewens een van die Bewindhebbers van die Kompanjie was” (Böeseken 1964:165-7).

Op de Afrikaanse Wikipedia staat: “'t Land van Waveren is ‘n historiese naam vir ‘n landstreek in die Wes-Kaap wat eers bekend was as Roodezand en nou as Tulbagh. (…) Nicolaas Corneliszoon Witsen was burgemeester van Amsterdam en ‘n direkteur van die VOC. Sy naam is aan die Witzenberge gegee wat toe nog bekend was as die Ubiquaberge. Oentgens van Waveren was W.A. van der Stel se ouma aan moederskant.”

In het licht van de voorgaande paragrafen wil ik betwijfelen dat Willem Adriaan de vruchtbare vallei noemde naar zijn familie aan moeders kant. Waarom zou hij hen willen eren?

Er is niets bekend over Willem Adriaans verhouding met zijn moeder. Zij bleef bij hun vertrek naar de Kaap achter in Nederland. Belangrijker nog is dat Willem Adriaan bekend staat als zeer eerzuchtig. Hij had niets te winnen bij de vernoeming van het vruchtbare land in de Kaap naar zijn moeders familie in Nederland.

Bovendien: Willem Adriaans overgrootmoeder heette Cornelia Oetgens. Zij heette zelf niet Van Waveren, het was haar broer Anthony die zich Heer van Waveren ging noemen. Daarom vind ik de verklaring van de naamgeving Het Land van Waveren als een eerbetoon aan zijn familie vergezocht – op de rand van onmogelijk.

Willem Adriaan zal het Land van Waveren eerder vernoemd hebben naar Johannes Hudde of Johannes van Waveren Hudde, zoals hij de Witsenbergen vernoemde naar Nicolaas Witsen. In deze combinatie zou Willem Adriaan zijn beide weldoeners in Amsterdam samen kunnen bedanken en eren.

Het Land van Waveren en de Witsensbergen (Bron: Wikipedia)

Jammer dat Johannes van Waveren Hudde zo bescheiden was, of dat de neven en nichten die na hem kwamen, zo slordig met zijn correspondentie zijn omgegaan (MacLean 1971:145; Peters 2010:56). Anders zou daar misschien een brief van Willem Adriaan van der Stel zijn gevonden. Vanuit historisch-wetenschappelijk onderzoek gezien is dat een onjuiste bewering. Maar ook de originele brieven van Spinoza aan Hudde en zijn antwoorden aan Spinoza zijn “aanwijsbaar” verloren gegaan.

In Amsterdam zou de gecombineerde vernoeming naar Johannes (van Waveren) Hudde en Nicolaas Witsen weinig opzien hebben gebaard. Sterker nog: in 1699 zou vrijwel niemand in Amsterdam bij “Het Land van Waveren” denken aan mogelijke familie van Willem Adriaan. Nicolaas Witsen zelf zou bij de naam Van Waveren onmiddellijk hebben gedacht aan zijn neef Johannes. Hun kennissenkring evenzo. Daarom is het Noodzakelijk dat Willem Adriaan Het Land van Waveren heeft vernoemd naar Johannes Van Waveren Hudde.

2 Buitenplaatsen

Bijna alle vrienden van Simon van der Stel hadden een Buitenplaats (of Buitenhuis). Simon van der Stel, liefhebber van het buitenleven, bezat aanvankelijk geen buitenhuis.

“Buitenhuizen – Rijk wonen buiten de stad” is een historisch Nederlands fenomeen, opgenomen als nummer 24 in de Canon van Nederland.

Welgestelde stedelingen investeerden in landhuizen en grond buiten de stad, te gebruiken als zomerverblijf.

................................................................

Bijna alle welgestelde bekenden van Simon van der Stel in Nederland hadden een buitenplaats:

  • Blijenburg,Den Haag (Koenraad van Beuningen)
  • Duyn en Vaart, Heemstede (Willem Adriaan van der Stel)
  • Elstbroek, Hillegom (Jhr. Jan Six)
  • Goudestein, Vecht (Joan Huydecoper van Maarseveen
  • Grotenhof / Knappenhof, Lisse (Pieter Six)
  • Hofwijck, Voorburg (Constantijn en Christiaan Huygens)
  • Huis Mijdrecht, Mijdrecht (Hendrik van Reede van Drakestein)
  • Lockhorst(Oud-Teylingen), Warmond (Hiëronumus van Beverningh)
  • Leeuwenhorst, Noordwijkerhout (Gaspar Fagel)
  • Paleis Het Loo, Apeldoorn (prins Willem III)
  • Rustryk, Muiderberg (Jhr. Jan Six)
  • Tytverdrijf, Egmond (Nicolaas Witsen)
  • Valk en Heining, Baambrugge (Cornelis Valckenier)
  • Ymond, Diemermeer (Jhr. Jan Six)

................................................................

Simon moest van de VOC op het Kasteel blijven. Het verbaast mij niet dat hij dit onderwerp terstond met Hendrik van de Reede van Drakestein wilde bespreken.

Het zal Simon ook niet ontgaan zijn dat zijn bezoeker, Commissaris van Reede van Drakestein, zich in 1680 tijdens zijn verblijf in Nederland het Leen van Mijdrecht en de bijbehorende titel Heer van Mijdrecht had verworven. De Heerlijkheid Mijdrecht grensde aan de Heerlijkheid Waveren, die Anthony Oetgens al in 1624 van de Proosdij van Sint Jan in Utrecht had gekocht. Mijdrecht bleef tot 1795 eigendom van de Proosdij, als Leen voor de Heer van Mijdrecht.

Veel hooggeplaatste VOC-medewerkers wisten zich in De Oost te verrijken en konden zich bij terugkomst in Nederland een buitenhuis veroorloven. Ook Simons voorganger als commandeur, Johan Bax (1637-1678), noemde zich Van Herenthals. Zijn oudste zoon Willem Adriaan kocht in 1686 de Hofstede Duin en Vaart te Berkenrode (nu Heemstede) (Verkaik 1993:13).

Simon wilde niet terug naar Nederland. Hij vraagt Van Reede om een erfbrief voor een stuk land dat hij heeft uitgekozen. Waarom zou een commandeur geen land mogen bezitten, met goedkeuring van de Compagnie? Van Reede van Drakestein schrijft er het volgende over in zijn dagboek:

“Onderwegen ontrent een goede mijl weegs vertoonden ons den Commandeur Van der Stel een stuck landt heijde, moras, koorn, en boslandt, 't welck hem bij den heer Raed en Commissaris Rijckloff Van Goens de Jonge bij resolutie was vergundt, en versocht daervan een erfbrief. Konde hem zulx niet werden gewijgert, aenmerkende den goeden dienst die denselven d'E. Compagnie op dese plaetse gedaen ende noch doen konde, te meer dewijle hij betuijgden een van zijn soonen die landerijen te laeten beheeren. Evenwel dese gifte soodanigh te gebruijken d'E. Compagnie daerbij geen naedeel konde gesegt worden te lijden, alsoowel in materialen, vee, of persoonen d'E. Compagnie eijgen of in haer Edele dienst sijnde, waertoe den Commandeur door zijn bedieningh en gesagh meerder gelegentheijt zoude vinden als imand anders. En derhalven niet mogen bestaen een Commandeur eijgene landen te besitten, indien sich daerontrent met geen trouw en omsigtigheijt quam te dragen, ende dewijle den maet van de hoegrootheijt noch niet en was gemeten, soo wierd doenmael met het ooge en nae de gis eenige marken gestelt om daernae de kaerte te doen opmaeken, nae welk voorttreckende op den avond weder aan het Rondebosken aenquamen.” (Hulshof 1941:150)

Over dit stuck landt, later Constantia of Groot Constantia genoemd, gaat een volgend artikel.


 

Eindnoten

i Verantwoording van de gevolgde navorsingsmethodologie, door Wim Goris:

Het doel van mijn navorsing is om meer te weten te komen over Simon van der Stel (1639-1712), commandeur, gouverneur en vrijburger aan de Kaap de Goede Hoop. Mijn vertrekpunt is de Spinozahof in Den Haag. Het sleutelwoord voor mijn onderzoek is de verwijzing naar Spinoza door Peter Kolbe. De mogelijke opbrengst is een “handjevol grond” in de kennis over Simon van der Stel.

In het begin van dit navorsingsartikel ontmoet de lezer Hymen Picard, een journalist, auteur en historicus die tussen 1972 en 1996 enkele niet helemaal gesubstantieerde conclusies trekt uit zijn onderzoeksmateriaal. Zijn “ooggetuigen” zijn enerzijds Peter Kolbe (1675-1726), die door Picard wordt gekenschetst als “a man who mixed facts with fiction”, en anderzijds François Valentijn (1666-1727), die door zijn redacteur als “stubborn, with irritating self-esteem” wordt gezien.

Bij het doorspitten van de gegevens maak ik expliciet gebruik van de logica van Spinoza. Spinoza’s Tractatus de Intellectus Emendatione (TIE) is een niet voltooid en niet bij leven gepubliceerd jeugdwerk, opgenomen in Spinoza’s Korte Geschriften, p. 437-493. Ik hanteer twee gedeelten uit de vertaling van W.N.A. Klever, Verhandeling over de verbetering van het verstand (Spinoza 1986:67-8, 80):

Hoofdstuk II Het middel: de beste waarneming (perceptio)
I. Ten eerste is er de Waarneming, die wij hebben van horen zeggen of op grond van een of ander willekeurig teken;
II. Ten tweede is er de Waarneming die wij putten uit zwervende (vaga) ervaring…;
III. Ten derde is er de Waarneming waarin het wezen van de zaak, zij het inadequaat, uit een andere zaak wordt afgeleid (…). Abstracte kennis kan door de imaginatio in verwarring worden gebracht en leiden tot dwaling.
IV. In de vierde plaats is er Waarneming, waar een zaak aanschouwd wordt door zijn wezen alleen of door de kennis van zijn naaste oorzaak (…).

Hoofdstuk IV De fictie
Ik noem een zaak onmogelijk als het contradictoir is dat zijn natuur bestaat, noodzakelijk als het contradictoir is dat zijn natuur niet bestaat, mogelijk als het bestaan of niet-bestaan in zijn natuur niet contradictoir is.

Ik stel mij voor dat de “vier vormen van waarneming (perceptio)” aldus “vier soorten van kennis (cognitio)” opleveren. Het merendeel van de informatie in de hoofdstukken over Hymen, Kolbe en Valentijn betreft waarnemingen van de eerste categorie (“van horen zeggen”). Ik schaar daaronder ook de kennis van anderen die door onderzoekers is geciteerd of opgeschreven (dat kan bij wijze van spreken ook de Ethica van Spinoza zijn). Voorlopige conclusies die “bijeengeharkt” zijn door associatie van twee gegevens rangschik ik als waarneming van de tweede categorie (“zwervende ervaring”).

Kees Schuyt grijpt met zijn nummering alvast vooruit naar de drie soorten kennis in de Ethica (Schuyt 2017: 41), maar dat is voor mij nog een stap te ver. Ik blijf schatplichtig aan W.N.A. Klever en houd vast aan “Vormen van waarneming” als letterlijke vertaling van Modi percipiendi (Spinoza 1986: 124):

1a. Kennis “van horen zeggen” of afgeleid uit tekens of woorden
1b. Kennis uit verspreide ervaring, ondervinding
2. Kennis uit redeneringen afgeleid en door het verstand gezuiverd
3. Kennis vanuit de essentie van een zaak; uit de naaste oorzaak

Een belangrijke rol ligt hier voor het “uitwieden” van fictie, ofwel het toetsen aan de drieslag Onmogelijk, Noodzakelijk en mogelijk. Als ik de beschikbare, onvolledige waarnemingen laat bewerken “door het verstand”, kan ik op die aldus bewerkte grond nadere kennis over Simon van der Stel laten groeien.

Lees ook:

Spinoza en Simon van der Stel (1): Hymen Picard en de Orde van de Rozenkruisers

Spinoza en Simon van der Stel (2): De eerste ooggetuige, Peter Kolbe, "that learned liar"

Spinoza en Simon van der Stel (3): De tweede ooggetuige, Francois Valentijn, ''stubborn, with irritating self-esteem''

Spinoza en Simon van der Stel (4): Las Simon van der Stel Spinoza?

Spinoza en Simon van der Stel (5): Wie zou ooit aan Simon van der Stel boeken van of kennis over Spinoza hebben kunnen leveren?

Spinoza en Simon van der Stel (7): Las Simon van der Stel nu wel of niet Spinoza?

Buro: IG
  • 0
Top