Vanuit transnationaal oogpunt, of de focus op het grensverkeer tussen literaire systemen in diverse taal- en cultuurgebieden, is een omvangrijke invloedenstudie te schrijven over Breytenbach en de Lage Landen. Aandacht kan uitgaan naar literaire correspondenties, een manier van gedichten lezen aan de hand van andere gedichten uit verschillende taalregio’s (zie Odile Heynders, Correspondenties. Gedichten lezen met gedichten, 2006). In de transculturele ontvangst van literaire teksten worden processen van internationale kruisbestuiving tussen en uitwisseling of transmissie van teksten bestudeerd. Niet alleen het lezersstandpunt is in een dergelijke onderzoekcontext van belang. Schrijvers zijn voor een (ontluikende) schrijversloopbaan door hun lectuur bepaald, onder de indruk geraakt van of mogelijk schatplichtig aan teksten van andere schrijvers, zelfs in die mate dat er sprake is van een inspirerende factor in de ontwikkeling van het auteurschap. Deze schatplichtigheid hoeft zich vanzelfsprekend niet uitsluitend in de broncultuur te situeren. Ze kan ook de taalgrenzen en de grenzen van een literair systeem of nationaal circuit overschrijden. Het oeuvre van Breytenbach heeft menig schrijverschap in Nederland en Vlaanderen mee bepaald. Al kunnen verscheidene gradaties van bepaling worden genoemd: gaande van een naamsvermelding in een interview of in een literaire uitgave, opdrachten bij teksten of andere parateksten, citaten en parafrasen, tot zelfs de expliciete bewering van een auteur dat het schrijfproces is op gang gekomen of werd gedirigeerd door de lectuur van een ander(stalig)e schrijver. Het geval dat in deze kroniek aan de orde is, kunnen we in het internationale samenspel van teksten als een attesteerbare vorm van literaire invloed bestempelen, ook al is het begrip invloed vanwege zijn diffuse karakter discutabel te noemen.
Literaire kruisbestuivingen

Ook in omgekeerde zin heeft het werk van Breytenbach invloed uitgeoefend op schrijvers in Nederland en België. Van den Bergh somt op: H.C. ten Berge, Herman de Coninck, Adriaan van Dis, Lucebert, K. Michel. Tal van Nederlandstalige schrijvers hebben gedichten opgedragen aan Breytenbach: “J. Bernlef, Cees Buddingh', Remco Campert, Jan Kal, Rutger Kopland, Gerrit Kouwenaar, Simon Vinkenoog, Laurens Vancrevel, Peter Verstegen en Eddy van Vliet”. Ook Gerrit Komrij wordt genoemd in verband met gelegenheidspoëzie die in Nederland en België is geschreven voor de gedetineerde Breytenbach (respectievelijk in aan breyten breytenbach [1976] en Vingermaan [1980]) (Van den Bergh 2003: 356-357).
De ontdekking van Breytenbachs vroege verhalend proza

Zijn werk deed haar beseffen ‘dat je in literatuur gelegitimeerd gek mag zijn’. Bij verschillende gelegenheden heeft Jansma verwezen naar haar schatplichtigheid aan Breytenbachs dichterschap:
“Ik schreef een soort prozagedichten die erg beïnvloed waren door Breyten Breytenbach. Ik had zijn boek De boom achter de maan gelezen. Dat vond ik prachtig, het surrealisme, hoe hij dingen liet gebeuren die helemaal niet konden. Op een volstrekt vanzelfsprekende manier stijgt de schrijver op zijn stoel op en vliegt over Parijs. Het boek is heel lyrisch en gepassioneerd” (Heyting 1998, 23).
“Breytenbach schreef in die tijd geen punten en komma's. Het waren ratelende monologen, alsmaar door. Een te gek experiment. Schrijven tegen de grens van de taal aan, dat wilde ik ook” (Blom 1999, 23). Het werk van Breytenbach droeg ertoe bij dat Jansma toen ze twintig was, stopte met verhalen schrijven en zich geheel aan poëzie wijdde.
(Van den Bergh 2003: 355)

Jansma’s ontkiemend schrijverschap

Op de website van Esther Jansma kan worden gelezen dat zij in 1976 au pair was in Parijs waar ze prozagedichten schreef “geïnspireerd door Breytenbach”. De ontdekking van de verhalen in De boom achter de maan zou haar zelfs doen besluiten schrijfster te worden. In 1988 maakte Jansma haar poëziedebuut met Stem onder mijn bed, korte tijd later gevolgd door Bloem, steen (1990). Beide bundels zijn genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Na de uitgave van Waaigat (1993) verscheen de roman Picknick op de wenteltrap (1997): de uitgave bestaat uit korte prozaschetsen met (volgens de verantwoording) ontleningen aan sprookjes, kinderrijmpjes en kinderboeken, fragmenten die we als miniproza kunnen aanduiden. Ik heb trouwens zelf bijzondere persoonlijke herinneringen aan het vroegste verhalend proza van Jansma. Niet alleen in de dichtkunst maar dus ook in het verhalend werk toonde Jansma aan dat je inderdaad “gelegitimeerd gek mag zijn”.
Achttien verhalen (op in totaal achtentwintig korte prozateksten) in De boom achter de maan zijn zoals vermeld ontleend aan Katastrofes. In de Nederlandse uitgave zijn tekeningen opgenomen van de auteur. Galloway (2019: 199–200) omschrijft de Sestigers-bundel Katastrofes als “’n versameling korttekste” en wijst erop dat de “bundels met hulle surrealistiese stofomslagtekeninge” – dus ook het poëziedebuut Die ysterkoei moet sweet (1964) – in Zuid-Afrika “’n opskudding” hebben veroorzaakt. Het publiek was “oobluf, geskok en selfs gewalg deur die ‘probeersels’ wat nie opbouend en verheffend of letterkundig skoon en groots is nie”.
Van Dis en Louter over het taalvermogen van Breytenbach

Hij schrijft in een verbasterde spreektaal en bovendien is zijn proza zoals hij zelf zegt ‘ontstaan uit de dampkring waaruit een gedicht wordt gekristalliseerd’. De verhalen zijn meestal kort, altijd hevig en aards: een onweersbui van sarcasme, absurditeit, fantastische beelden, wreedheid en genot. Hij hanteert de anecdote even meesterlijk als de politieke parabel. Zijn anti-lyriek is een vorm van afbraak, van structureel verzet, omdat hij dat zinvoller vindt dan het concrete literaire protest. (1974: 122-123)
De “anti-lyriek” en literatuur als een “vorm van afbraak” hebben Jansma’s lectuur naar haar eigen zeggen mee bepaald. Zij verwijst in interviews, door Van den Bergh aangehaald, naar de interpunctieloze prozagedichten van Breytenbach maar dus ook naar de absurde taferelen, het experiment met de vormentaal en de impact van het surrealisme, het grens-aftastende karakter van Breytenbachs merkwaardige prozaschetsen.
De term “invloed” is sinds Harold Blooms The Anxiety of Influence (1973) een weerbarstig want allerminst eenduidig concept. Er zijn vele vormen van inspiratie zoals een mate van schatplichtigheid of verwantschap. Los van de literatuur-theoretische discussie over terminologie is het mijns inziens van belang een transnationale invloedenstudie te ondernemen over Breytenbach in de Lage Landen, overigens ook in andere taalgebieden (Engels en Frans), en dus de Nederlandse postuur van de Zuid-Afrikaanse/Franse schrijver in kaart te brengen. Losse notities, zoals in Breyvier. Over taal, burgerschap en Breytenbach (2023) en het boek Kwintet (2023), bieden hiervoor aanzetten. Jansma’s ontdekking van Breytenbachs ontwrichtende en grensverleggende fictionele proza verdient beslist aandacht.
Geraadpleegde bronnen
E. van den Bergh, ‘17 juni 1972. De Zuid-Afrikaanse dichter Breyten Breytenbach ontvangt de Van der Hoogtprijs. Breytenbach in Nederland’, in M. Meijer & R. Buikema (red.), Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900-1980, Den Haag: Sdu uitgevers, 2003, blz. 345-360
B. Breytenbach, De boom achter de maan. A. van Dis en J. Louter (vert.), Amsterdam: Van Gennep, 1974.
F. Galloway, ‘Breyten Breytenbach: Fragmente van sy loopbaan as skrywer en openbare figuur’, in Woordenaar woordnar. ’n Huldiging Breyten Breytenbach, F. Galloway (red.), Pretoria: Protea Boekhuis & SA Akademie vir Wetenskap en Kuns, 2019, blz. 196-313.
E. Jansma, Picknick op de wenteltrap, Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers 1997.
Idem, Voor altijd ergens. Een eigen keuze uit de gedichten, Amsterdam: Prometheus 2015.
Lees ook:
Kwintet (deel 1): Literêre dialoë tussen Afrikaans en Nederlands in essays verken en genuanseer
Kwintet (deel 2): Kontak tussen literêre kulture wys die verweefdheid van teks, leser en kontekste
Kwintet (deel 3): Tussen Afrika en Europa is méér Gorée nodig
