Conservatoren slavernijtentoonstelling Rijksmuseum (2020): "Het slavernijverleden is van ons allemaal"

  • 0

............

“We hebben veel geleerd van de kritiek die we bij ‘Goede Hoop’ hebben gekregen. We zullen bepaalde zaken dit keer anders aanpakken.”
Maria Holtrop

............

Een van de hoogtepunten van de Week van de Afrikaanse roman speelde zich buiten het zicht van het publiek af.

Deelnemers Frazer en Deniel Barry, Karin Brynard, Valda Jansen, Pieter Odendaal, Riana Scheepers en Eben Venter hadden een ontmoeting met Eveline Sint Nicolaas en Maria Holtrop, twee van de conservatoren van de slavernijtentoonstelling die in 2020 in het Rijksmuseum te zien is.

Agter, van links: Riana Scheepers, Karin Brynard, Frazer Barry, Pieter Odendaal en Valda Jansen. Voor, van links: Deniel Barry en Anna, dochter van Valda Jansen. (Foto: Philip du Plessis)

Het Nederlandse slavernijverleden ligt gevoelig. In gesprek met de schrijvers van de Week vertelden de conservatoren wat er allemaal bij het maken van zo’n tentoonstelling komt kijken.

Dát het Rijksmuseum in 2020 met een tentoonstelling over het Nederlandse slavernijverleden komt, is al een tijdje bekend. Vanaf het moment dat museumdirecteur Taco Dibbits het nieuws in februari 2017 naar buiten bracht, is het museum overspoeld met reacties.

Die reacties variëren van particulieren die stukken willen inbrengen en instanties die met een eigen project bij de tentoonstelling willen aanhaken tot een filmploeg die de conservatoren bij de voorbereidingen willen volgen. Al die aandacht heeft beslist positieve kanten, zegt curator Eveline Sint Nicolaas.

“Het komt niet vaak voor dat een tentoonstelling al zo ver van tevoren wordt aangekondigd en dat er al zo vroeg wordt meegekeken en meegedacht. Dat geeft ons werk een andere dynamiek. Als team zijn we ons allemaal enorm bewust van alle verwachtingen en ideeën.”

Eveline Sint-Nicolaas en Maria Holtrop (Foto: Philip du Plessis)

Sint Nicolaas’ collega Maria Holtrop was nauw betrokken bij de “Goede Hoop”-tentoonstelling in het Rijksmuseum in 2017. Op deze tentoonstelling stond de relatie tussen Nederland en Zuid-Afrika centraal.

“De dag waarop Taco Dibbits de slavernijtentoonstelling bekendmaakte, was in de openingsweek van Goede Hoop”, vertelt Holtrop. “En dat was niet verwonderlijk. ‘Goede Hoop’ was de eerste koloniale tentoonstelling van het Rijksmuseum en de komende slavernijtentoonstelling is in zekere zin een vervolg daarop. We hebben veel geleerd van de kritiek die we bij ‘Goede Hoop’ hebben gekregen. We zullen bepaalde zaken dit keer anders aanpakken. Het maken van dit soort tentoonstellingen is een leerproces. Ná de slavernijtentoonstelling zullen er nog weer andere tentoonstellingen komen die op hun beurt voortbouwen op de ervaring die we nu opdoen.”

Een gebouw waar niet iedereen zich thuis voelt

De “Goede Hoop”-tentoonstelling kreeg in 2017 vooral als kritiek dat er te weinig zwarte, Zuid-Afrikaanse curatoren bij betrokken waren. Voor de komende slavernijtentoonstelling is een divers conservatorenteam samengesteld, bestaande uit Sint Nicolaas, Holtrop, Valika Smeulders en Stephanie Archangel.

............

“De tentoonstelling zal worden opgebouwd rond tien persoonlijke verhalen. Bijvoorbeeld van een slaafgemaakte die vanuit Elmina naar Brazilië is verscheept en daar op een suikerplantage moest werken.”

............

De vier conservatoren worden bijgestaan door een denktank: een gemengd gezelschap van activisten en academici, denkers en schrijvers. Zij moeten de conservatoren scherp houden.

“Slavernij is een nieuw onderwerp”, zegt Holtrop, “niet alleen voor het Rijksmuseum, maar ook voor Nederlandse musea in het algemeen. Zo’n slavernijtentoonstelling is heel wat anders dan bijvoorbeeld een tentoonstelling over Rembrandt, waarvoor we alle kennis in huis hebben. Daarom is het belangrijk om mensen om ons heen te hebben die met ons meekijken en ons waarschuwen als we dingen op een bepaalde manier doen omdat we ze altijd al zo deden. We proberen ons steeds bewust te zijn van de bestaande kaders en daar dan ook buiten te treden.”

Iets wat er ook “altijd” al was, is het gebouw waarin het museum gevestigd is.

Deelnemers Frazer en Deniel Barry, Karin Brynard, Valda Jansen, Pieter Odendaal, Riana Scheepers en Eben Venter hadden een ontmoeting met Eveline Sint Nicolaas en Maria Holtrop (Foto: Philip du Plessis)

“Dit museum is geen neutraal blok met witte muren”, verduidelijkt Holtrop. “Het is een negentiende-eeuws gebouw, heel nationalistisch, met een specifiek idee over wat geschiedenis is. Vóór je nog een voet over de drempel van een tentoonstelling hebt gezet, word je door dat imposante kasteel al in een bepaalde sfeer gebracht. Neem de schilderingen in de Voorhal. Daarop worden scènes uit de Nederlandse geschiedenis uitgebeeld. Maar de slavernij komt daar niet op voor. Daardoor kunnen sommige mensen zich uitgesloten voelen.”

Met hulp van een architect en een theatermaker worden zowel het gebouw als de tentoonstellingsruimte onderdeel gemaakt van de tentoonstelling. Hoe komt het op de bezoeker over, vragen de tentoonstellingsmakers zich af, en met wat voor vragen – of antwoorden misschien – wil je hem de deur uit laten gaan?

Museum luidt de noodklok

In dit stadium weten de conservatoren al in grote lijnen hoe de indeling van de expositie eruit zal komen te zien. Zo zullen er in het atrium van de Philipsvleugel – nog vóór de tentoonstelling goed en wel begint – vijf slavenklokken komen te hangen, onder meer uit Zuid-Afrika, Indonesië en Suriname. Sint Nicolaas:

“Zo’n klok markeerde voor de slaafgemaakten begin en einde van de dag. De klokken symboliseren het systeem van slavernij, dat bedoeld was om zoveel mogelijk winst te maken. We willen met die kokken ook in overdrachtelijke zin de noodklok luiden voor het onderwerp. Het is belangrijk dat het Rijksmuseum als nationaal museum voor kunst en geschiedenis erkent dat slavernij onderdeel is van onze nationale geschiedenis en dat dat verhaal verteld moet worden.”

Heel Nederland profiteerde mee

De tentoonstelling zal worden opgebouwd rond tien persoonlijke verhalen. Bijvoorbeeld van een slaafgemaakte die vanuit Elmina naar Brazilië is verscheept en daar op een suikerplantage moest werken.

Naast een zaal over plantages in Suriname komt er ook een zaal over Nederland. Want daar, aan de Amsterdamse grachten, woonden de kooplieden en de bestuursleden van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC), van wie een deel zijn rijkdom had vergaard dankzij de slavernij en de slavenhandel. 

............

“Het uitgangspunt om de tentoonstelling op te hangen aan tien persoonlijke verhalen brengt ook risico’s met zich mee. Want slavernij gaat vaak niet over individuen, maar over een grote, naamloze massa.”

............

“De VOC richtte zich op de handel met ‘de Oost’ en de WIC op ‘de West’ ofwel Noord- en Zuid-Amerika,” verduidelijkt Maria Holtrop.

“Hoewel de VOC ook mensen door zijn hele gebied verscheepte – bijvoorbeeld van Nederlands-Indië via Oost-Afrika naar de Kaap – was slavenhandel voor de VOC slechts bijzaak. Voor de WIC was de trans-Atlantische slavenhandel zelf – van West-Afrika naar de Amerika’s – een belangrijke bron van rijkdom.”

“In Nederland is er hoofdzakelijk aandacht voor de trans-Atlantische slavenhandel, die onder meer gericht was op Suriname en de Antilliaanse eilanden”, vult Eveline Sint Nicolaas aan. “Ook het nieuwe slavernijmuseum zal zich vooral daarop richten. Voor de tentoonstelling in het Rijksmuseum willen we Oost en West combineren en met een brede blik naar het onderwerp kijken.”

Ze vervolgt: “Er komt in Nederland steeds meer aandacht voor het feit dat bepaalde mensen hier rijk zijn geworden door de slavernij. Maar dan wordt vooral gedacht aan een bepaalde elite, de kooplieden. Terwijl de hele Nederlandse economie van slavernij en slavenhandel profiteerde. We hopen dat de tentoonstelling mensen laat inzien dat dit misschien ook wel over hún familie gaat.”

“We hopen dat door deze tentoonstelling slavernij een onderdeel van de nationale geschiedenis zal worden”, beaamt Holtrop. “Het slavernijverleden is van ons allemaal.”

Tentoonstelling zal voor iedere bezoeker anders zijn

Eveline Sint Nicolaas geeft toe dat het thema “slavernij” allerlei sentimenten oproept. “Mensen vragen heel snel: ‘Moet ik me schuldig voelen?’ Polarisatie proberen we natuurlijk te voorkomen, want dat is een emotie waar de bezoeker niets mee opschiet. Wel hopen we de bezoekers aan het denken te zetten. Bijvoorbeeld over de manier waarop de slavernij van vroeger heeft bijgedragen aan onze bevoorrechte positie vandaag. Slavernij is niet alleen maar een afgesloten periode in de geschiedenis. Het heeft met onze samenleving van nu te maken.”

Het is moeilijk in te schatten hoe de bezoekers op de tentoonstelling zullen reageren, bespiegelt Holtrop. “Het zal van het individu afhangen. Waar hij boos om wordt, waar hij verdrietig over wordt, waardoor hij zich aangesproken voelt. En dat geldt ook voor ons diverse team. Wij hebben allemaal een andere verbintenis met deze geschiedenis.”

Drie slavinnen (sepangan) van de radja van Boeleleng. (Foto: Isidore van Kinsbergen, Leiden University Library, KITLV, image 4392 Homepage media-kitlv.nl KITLV, via Wikimedia Commons)

“Wat we ook van de ‘Goede Hoop’-tentoonstelling hebben geleerd,” vertelt Sint Nicolaas, “is dat mensen als ze uit de tentoonstelling komen zo vól zitten dat het lastig is om onmiddellijk daarna weer op de tram stappen. Daarom hebben we twee kunstenaars van Curaçao in de arm genomen die heel bedreven zijn in het maken van participatiekunst. Zij gaan bezoekers uitnodigen om samen een kunstwerk te maken naar aanleiding van alles wat ze gezien hebben en wat dit bij hen heeft opgeroepen. Het zou mooi zijn als mensen op die manier met elkaar in gesprek raken.”

“Deze tentoonstelling gaat verder dan een muur met kunstwerken waar je langs loopt”, bevestigt Holtrop. “Je bent ook zelf deel van dat verleden en dat heden. In de laatste zaal eindigen we met een soort spiegel waarin je naar jezelf kunt kijken, en kunt nadenken over de vraag hoe jij hier in staat.”

Tentoonstelling zorgt voor transformatie van het museum zelf

Op de vraag of door de tentoonstelling het besef van het Nederlandse slavernijverleden zó zal toenemen dat de Nederlandse overheid daardoor opeens zal overgaan tot herstelbetalingen aan de afstammelingen van de slaafgemaakten van toen, antwoordt Sint-Nicolaas gedecideerd: “Het is niet aan het museum om te zeggen wat er moet gebeuren. Wel willen we mensen graag beter informeren, zodat de discussie hierover beter gevoerd kan worden.”

Een actuele discussie waaraan het museum wél actief deelneemt, gaat over de teruggave van roofbuit: objecten die in oorlogssituaties uit bijvoorbeeld Indonesië en Sri Lanka zijn geroofd en die nu deel uitmaken van de vaste presentatie. Het Rijksmuseum is bezig de totale collectie door te lichten met betrekking tot de herkomst van de objecten.

............

“Slavernij is een nieuw onderwerp, niet alleen voor het Rijksmuseum, maar ook voor Nederlandse musea in het algemeen. Zo’n slavernijtentoonstelling is heel wat anders dan bijvoorbeeld een tentoonstelling over Rembrandt, waarvoor we alle kennis in huis hebben.” Maria Holtrop

............

“Dus we proberen dit soort discussies niet uit de weg te gaan”, constateert Sint Nicolaas. “Maar anders dan de kwestie van de herstelbetalingen heeft déze discussie direct betrekking op onze collectie en op onze taak als museum.”

“Dat laat ook zien hoe een onderwerp zoals dit steeds groter wordt. Het heeft invloed op alles wat we doen: diversiteit binnen het museum, diversiteit binnen de collectie, de terminologie, welke verhalen we vertellen… Het werk dat wij nu doen heeft impact op het hele museum. Het is fijn te merken dat dit ook breed door alle afdelingen in het museum wordt gedragen. En deze processen houden niet op als de tentoonstelling in januari 2021 weer weggehaald wordt.”

Niet alleen maar slachtoffers

Het uitgangspunt om de tentoonstelling op te hangen aan tien persoonlijke verhalen brengt ook risico’s met zich mee. Want slavernij gaat vaak niet over individuen, maar over een grote, naamloze massa.

“In scheepslogboeken lees je dan bijvoorbeeld over een lading van zoveel ‘stuks’ mannen,  vrouwen en kinderen die zich aan boord van een schip bevonden”, vertelt Sint Nicolaas. “Dan ken je de naam van het schip nota bene wel, maar van al die mensen op dat schip hebben we geen idee. En als je wél een naam tegenkomt, is dat vaak niet de naam die deze persoon van zijn ouders had gekregen, maar een verzonnen naam als ‘Fortuin’ of ‘Geluk’. Namen zijn de kern van het tentoonstellingsconcept, maar tegelijkertijd is het een ontzettend ingewikkeld onderdeel van de geschiedenis.”

Om de bezoekers een indruk te geven van de massaliteit van de slavenhandel, laten de conservatoren La Bouche du Roi van de Beninse kunstenaar Romuald Hazoumè overkomen uit het British Museum. Deze installatie is geïnspireerd op de bekende plattegrond van het slavenschip Liverpool. Omdat er niets bekend is over de mensen die zich in het ruim van dit schip bevonden, heeft de kunstenaar voor de gezichten van de naamloze “lading” jerrycans gebruikt.

Slaveshipposter (Bron: Wikimedia Commons)

“Via dit kunstwerk willen we de bezoekers laten zien dat het niet om tien verhalen gaat, maar om miljoenen”, aldus Sint Nicolaas.

De tien personen zijn zo gekozen dat er verschillende thema’s aan opgehangen kunnen worden, zoals het leven op de plantage, het leven van een huisslaaf, de doorwerking van de slavernij in Nederland, vrijheid en verzet.

“Wat wij als conservatoren absoluut willen vermijden, is dat iemand die afstamt van slaafgemaakten, zichzelf hier alleen maar als slachtoffer terug zou zien”, zegt Sint Nicolaas.

“Er zit een bepaald verloop tussen die tien verhalen. Eerst gaat het over de handel in Afrika en het leven op de plantage, maar in een van de laatste grote zalen worden de verhalen verteld van mensen die op verschillende manieren vochten voor hun vrijheid, zoals de marrons in Suriname of Tula op Curaçao. We willen niet de indruk wekken dat iedereen maar lijdzaam zat af te wachten tot de Nederlanders zo goed waren om de slavernij af te schaffen. Voor het zover was, gebeurde er ook al van alles.”

Het is onmogelijk om álle aspecten van het Nederlandse slavernijverleden recht te doen, erkent Holtrop. “Het is nooit genoeg. Maar uiteindelijk hebben wij ook te maken met tien zalen en een concentratiespan van één uur. We proberen dat op allerlei manieren op te rekken, bijvoorbeeld met die slavenklokken die door het hele museum heen hoorbaar zijn en dat gezamenlijk kunstwerk aan het eind. En dan ook nog met het randprogramma en activiteiten elders in het land. Maar tegelijkertijd moeten we eerlijk toegeven dat we niet alles kunnen doen. Gelukkig zal dit niet de laatste tentoonstelling zijn die er over dit onderwerp gemaakt wordt.”

Lees ook

Op toekomstige expositie verdient ook Zuid-Afrikaans slavernijverleden een plaats

Amsterdam biedt excuses aan voor rol in slavernijverleden

Persbericht: Archieven Surinaams-Nederlands slavernijverleden binnenkort digitaal te raadplegen

Het Nederlandse slavernijverleden nader verkend

Amsterdam wil museum over Nederlands slavernijverleden

Intercontinental entanglements: slavery, Dutch colonialism and post-colonial identifications

Black Heritage Tours (Amsterdam): an interview

Herdenking van die afskaffing van slawerny

Buro: IG
  • 0
Top